Parket bij de Hoge Raad, 03-01-1984, AC1393, 76104E
Parket bij de Hoge Raad, 03-01-1984, AC1393, 76104E
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 januari 1984
- Datum publicatie
- 9 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1984:AC1393
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1984:AC1393
- Zaaknummer
- 76104E
Inhoudsindicatie
Broodje medicijn. Bakkers weigeren gebruik van jodiumhoudend broodzout; de art. 7 lid 1 sub m en 8 sub e Broodbesluit vinden geen wettelijke grondslag in art. 16 lid 1 Warenwet.
Conclusie
eb
Nr. 76 104
Zitting 3 januari 1984
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbare Heren,
1. Geschiedenis van de feitelijke feiten.
In de maand maart 1981 kregen twee bakkers te [plaats] , waarvan verzoeker in cassatie er één van is, bezoek van een keurmeester van de Keuringsdienst voor Waren te [plaats] . Die constateerde dat in deze bakkerijen voor de bereiding van brood niet aanwezig was jodiumhoudend broodzout, wel was ander zout - zeezout - voorradig. Dat leverde een proces-verbaal op, hetwelk uiteindelijk tot deze conclusie en straks tot een uitspraak van de Hoge Raad zal leiden. Eigen wetenschap van rechters - laat staan van leden van het O.M. - is in rechtszaken meestal amper van belang. Dat geldt zeker voor mijn eigen wetenschap in deze zaak, die inhoudt weliswaar niet dat het mij bekend is, dat het brood van deze bakkers zo gezond is (al ontken ik dat evenmin) maar wel dat het erg gezocht is. Die wetenschap schijn ik met velen uit [plaats] en omstreken te delen, wat als duidelijk nadeel meebrengt dat toen ik laatstleden zaterdag na huishoudelijk overleg in de winkel van een hunner mijn beurt afwachtte, zulks zoveel tijd vergde dat het werk aan mijn conclusies in het gedrang kwam. Daarom zit ik hier, zondag eerste kerstdag 1983 aan deze conclusie te schrijven en peins erover of het werk van een advocaat-generaal bij de Hoge Raad slafelijke arbeid niet zeer nabij komt.
2. Exposé van de voornaamste in deze zaak voorkomende wets- en verdragsbepalingen - ter raadpleging voor het vervolg - .
Art. 28 van de Warenwet gebiedt (voor zover hier van belang) hoofden en bestuurders van inrichtingen waar waren in voorraad zijn of worden bereid, vervaardigd of samengesteld, alle maatregelen te nemen, nodig om te verzekeren, dat bij de door hen gedreven inrichtingen de voorschriften van deze wet of krachtens of ingevolge deze wet gegeven worden nageleefd.
Art. 7 lid 1 aanhef en onder m. van het Broodbesluit van 21 december 1925 - een Algemene Maatregel van Bestuur tot toepassing van de artikelen 14 en 15 (en/of 16?, L.) van die Warenwet - welk artikellid bij Besluit van 17 april 1968 is ingevoerd, luidt voor zover thans van belang: "Onverminderd het bepaalde in artikel 1 van het Algemeen Besluit (Warenwet) mag de bereiding, verpakking of behandeling van brood en de als zodanig aangeduide waar slechts plaatsvinden in ruimten, welk voldoen aan de volgende eisen ... m. ander keukenzout dan jodiumhoudend broodzout, waaronder wordt verstaan keukenzout, dat een gelijkmatig verdeelde door onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid vast te stellen hoeveelheid kaliumjodide bevat, mag niet aanwezig zijn.
De ministeriële beschikking van 13 mei 1968, als gewijzigd bij beschikking van 12 januari 1982, - vastgesteld ter uitvoering van art. 7 lid 1 aanhef en onder m van het Broodbesluit. - bepaalt dat de hoeveelheid kaliumjodide moet liggen tussen de 55 en 65 milligram per kg. keukenzout.
Art. 1 van de Wet op de Economische Delicten (W.E.D. ) bepaalt dat overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 14, 15 en 16 van de Warenwet worden aangemerkt als "economische delicten".
Art. 2, lid 4 van de W.E.D. bestempelt dergelijke vergrijpen als overtreding.
Art. 6, lid één onder 4 W.E.D. bedreigt op dergelijke feiten straf tot een maximum van zes maanden hechtenis en een geldboete van tienduizend gulden of tot één van die straffen.
Art. 11 van de (nieuwe) grondwet luidt: ieder heeft, houdens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.
Tenslotte art. 8 van het Verdrag van Rome, voor zover nu van belang:
1. Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven ...
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de bescherming van de gezondheid.
3. Geschiedenis van het proces.
Aan verzoeker tot cassatie is bij inleidende dagvaarding telastegelegd, kort gezegd, dat hij op 13 maart 1981 als hoofd van een inrichting, zijn bakkerij, er niet voor heeft gezorgd dat daar geen ander zout dan keukenzout met kaliumjodide aanwezig was, er was immers toen zeezout zonder kaliumjodide in die bakkerij aanwezig.
Dat feit op zich staat ingevolge erkenning en constatering zo vast als een huis. Het speelt in cassatie (bijna) geen enkele rol meer. De economische politierechter bij de rechtbank te Arnhem heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 december 1981, 22 maart 1982, 7 juni 1982 en, na een tussenvonnis van 21 juni 1982, nog eens op 13 september 1982.
Ter zitting van 7 juni 1982 vorderde de officier van justitie (stuk 10 ds. en proces-verbaal van die datum) een boete van "f 251 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren", hetgeen wel zal moeten worden begrepen als f 251,- voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren, bij eventuele tenuitvoerlegging zo nodig te vervangen door 5 dagen hechtenis.
Ter zitting van 13 september 1982 - de vierde zitting die direct vooraf ging aan het eindvonnis - voerde de officier van justitie (een andere dan die welke op 7 juni 1982 optrad) volgens het proces-verbaal het woord en refereerde hij zich daarbij aan het oordeel van de politierechter daartoe aanvoerende, onder meer, dat er in feite geen oplossing is.
Bij schriftelijk vonnis van 27 september 1982 heeft de Economische Politierechter, op gronden die in het navolgende nog ter sprake komen, verzoeker van alle rechtsvervolging ontslagen.
De officier van justitie die zich kort tevoren nog had gerefereerd aan het oordeel van de politierechter ging daarvan twee dagen na de uitspraak van het vonnis toch in appèl, waarna door hem een appèl- memorie is ingediend waarbij "eenvoudigheidshalve" - een terecht gebruikt woord in dit verband - werd verwezen naar de inhoud van een brief met bijlage d.d. 5 november 1982 van de - er komt een mond vol - Directeur Voedings- en Veterinaire aangelegenheden en Produktveiligheid van het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne.
Bij arrest van 21 maart 1983 heeft het hof te Arnhem het vonnis van het Ec. Politierechter van 27 september 1982 vernietigd en verzoeker - met verwerping van de door of namens hem gevoerd verweren - veroordeeld tot honderd gulden boete, desnodig te vervangen door twee dagen hechtenis.
Ik heb deze geschiedenis zo uitvoerig weergegeven omdat ook de eerste aanleg met zijn vier behandelingen ter zitting en met als uiteindelijk resultaat: ontslag van rechtsvervolging, van belang blijft, al heeft het hof die beslissing vernietigd.
Zulks om drie redenen. De eerste is dat verzoeker door het in eerste aanleg gegeven ontslag van rechtsvervolging krachtige bevestiging ontving van zijn in die aanleg zonder bijstand gevoerde verdediging, inhoudende dat zijn gedrag niet strafbaar was. De bakker is overigens van opleiding jurist en oprichter van de actie "Broodje Medicijn". Gezien het geheim van de raadkamer is het niet ondenkbaar dat twee van de vier tot op heden bij de zaak betrokken rechters het standpunt van verzoeker ook juridisch onderschrijven, want anders dan bij vrijspraak in eerste aanleg hoeft het hof veroordelend na ontslag van rechtsvervolging in eerste aanleg, niet eenparig te zijn (art. 424 lid 1 Sv.)
De tweede reden is dat de Ec. Politierechter, die het moeilijkheidscriterium (artt. 369, 376 Sv. en 48, lid 1 W.E.D. ) kennelijk niet al te snel in werking laat treden, zoveel aandacht aan de zaak heeft geschonken (en daarbij het O.M. zeker niet in de kou heeft laten staan) dat zijn argumenten, opgenomen in het vernietigde eindvonnis, in cassatie nog volop van belang zijn, maar dan (naast de middelen) als een soort anticiperende grieven op de overwegingen van het hof.
De derde reden voor mijn brede verslaglegging is van heel andere, procesrechtelijke aard. Zij houdt verband met de vraag of de Officier van Justitie wel ontvankelijk was in zijn appèl. Men zou namelijk kunnen volhouden dat uit niets blijkt dat op 7 juni 1982 door het openbaar ministerie is gepersisteerd bij of verwezen naar de oorspronkelijke vordering, gedaan ter zitting van 7 juni 1982, voorafgaande aan het tussenvonnis, maar dat, integendeel, die oorspronkelijke vordering na het wijzen van het tussenvonnis is gewijzigd (zoals mogelijk is) en dat vervolgens geen straf of maatregel is gevorderd, maar de officier van justitie zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de politierechter omdat uit de zaak niet uit te komen viel (art. 51, lid 2, onder le W.E.D. ).
Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 september 1982 blijkt echter niet dat toen een nieuwe (gewijzigde) vordering is voorgelezen en overgelegd. Dat kan in redelijkheid zo uitgelegd worden, dat, ondanks het uit de woorden sprekende defaitisme van de fungerende officier van justitie, deze toch stilzwijgend volhardde bij de ooit voorgelezen en overgelegde vordering. En nu dat kan zou ik een en ander ook maar het liefst zo uitleggen, omdat als gevolg daarvan de hoofdzaak niet in haar procesrechtelijke windselen zal worden gesmoord. Dit laatste kan ook niet geschieden door de omstandigheid dat er in de overgang van bladzijde drie naar bladzijde vier van het arrest iets mis moet zijn gegaan en/of uitgevallen, nu toch uit de in het arrest wel opgenomen gedeelten van de bewijsmiddelen de - onomstreden - bewezenverklaring reeds kan volgen.
De middelen
De cassatiemiddelen I, II en III hangen zo nauw samen dat ik ze niet apart kan bespreken. Ze richten zich tegen het oordeel van het hof, waarbij de weren (door het hof weergegeven op blz. 4 van het arrest onder 1 en 2) worden weerlegd: blz. 5 van het arrest onder ad 1 en ad 2.
Middel IV (per abuis in de schriftuur aangekondigd weer als middel III), klaagt erover dat het hof in strijd heeft gehandeld met art. 11 van de Grondwet en/of art. 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden. Ik zal dit middel eerst bespreken.
Middel IV
Het beroep op schending van art. 11 Grondwet trof ik in cassatie voor het eerst aan. Het komt mij voor, dat het beroep op dit grondwettelijk grondrecht hierop afstuit, dat de beperking van de onaantastbaarheid van het lichaam (wie gezouten brood eet moet kaliumjodide tot zich nemen) op de wet berust.
Het beroep op art. 8 van het Verdrag van Rome heeft het hof verworpen uit overweging dat dit voorbijgaat aan het bepaalde in het tweede lid van dat artikel, inhoudende dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot het recht op privacy dan voor zover dit bij de wet is voorzien "in het belang van .... de bescherming van de gezondheid hetgeen nu juist door met name de Warenwet wordt beoogd".
Gaat het hof er bij deze weerlegging op zijn beurt niet aan voorbij (verzuimt het althans niet te vermelden) dat ook geëist wordt dat aantasting van de privacy in het belang van de gezondheid in een democratische samenleving nodig moet zijn? In zoverre zou men zich kunnen afvragen of de verwerping van het verweer voldoende gemotiveerd is. Of er echter sprake is van aantasting van het recht op eerbiediging van het privé-leven, is een vraag zo nauw verweven met die welke in de middelen I tot en met III wordt opgeworpen - is er sprake van gedwongen medicatie -, dat de strijdpunten op het niveau van het nationale recht ook in dit opzicht beslissend lijken, m.a.w. zelfstandige betekenis heeft het middel in zoverre niet.
De middelen I, II en III
Ik merk allereerst op, dat het arrest van het hof is gepubliceerd: Hof Arnhem, 21 maart 1983, NJ 1983, 404.
Uitgangspunt kan hier, zoals ook in het Fluorideringsarrest (HR 22 juni 1973, NJ 1973, 386, annotatie Bloembergen) zijn dat de toevoeging (van kaliumjodide aan zout dat in brood wordt verwerkt) niet dient ter goede of betere bereiding danwel samenstelling van het brood maar om een gezondheidsdoel te dienen. Bij de fluoridering was dat: tegengaan van tandbederf, bij kaliumjodide in broodzout is het, althans daar lijkt alles op te wijzen, het voorkomen van struma-aandoeningen.
De problematiek is duidelijk gesteld in de Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp tot wijziging van de Warenwet (stuk 17495). Ik citeer ruim:
"De hier bedoelde voorzieningen, waartoe de wetstekst stellig ruimte bood, beogen het bevorderen van de aanwezigheid in een waar van zekere bestanddelen, die zonder bepalend te zijn voor de aard of de "deugdelijkheid" van die waar als zodanig, uit het oogpunt van gezondheid van zoveel belang zijn dat het, gelet op de betekenis van de betrokken waar in ons voedingspatroon, nuttig en wenselijk is bevonden te waarborgen dat ze verwerkt in deze waar de consument bereiken. Gedoeld wordt met name op enkele bestaande uitvoeringsbepalingen, onderscheidenlijk gericht op een verplichte "vitaminering" van margarine en op een verplichte "jodering" van (gezouten) brood. Het ligt in de rede de mogelijkheid van zodanige voorzieningen, waarvan de waarde voor de volksgezondheid niet mag worden onderschat, te handhaven. Bij de in dit Wetsontwerp van de Warenwet gekozen nieuwe opzet is een hiertoe uitdrukkelijk strekkende wetsbepaling vereist."
Het voorgesteld tweede lid van art. 14a van de Warenwet luidt dienovereenkomstig:
"Met betrekking tot eet- of drinkwaren die een wezenlijk onderdeel van het gangbare voedingspakket uitmaken, kan bij algemene maatregel van bestuur aan het eerste lid overeenkomstige toepassing worden gegeven ter bevordering van de aanwezigheid in die waren van uit het oogpunt van gezondheid belangrijke bestanddelen".
Naar ik meen moeten er twee hoofdvragen worden onderscheiden:
A. Strekt de delegatie die de formele wetgever in art. 16 van de Warenwet "in het belang van de volksgezondheid" aan de besluitwetgever heeft gegeven zich óók uit tot het toevoegen aan de waar van "zekere bestanddelen" in het belang van de gezondheid zonder dat die toevoeging bepalend is voor de aard of de deugdelijkheid van de waar als zodanig (ruime opvatting) of moet de toevoeging, die het belang der volksgezondheid dient, dat doen door de aard of de deugdelijkheid van de waar zelf te bepalen (engere opvatting)?
B. Als het aan de waar toegevoegde "zekere bestanddeel" is aan te merken als medicijn, is dan op grond van de bepalingen van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, die een gesloten systeem te zien geeft inzake het afleveren van geneesmiddelen door slechts diegenen, die bevoegd zijn tot het uitoefenen van de artsenijkunst, art. 7 onder m van het Broodbesluit, de bakker verplichtend gejodeerd broodzout, althans verbiedend ander dan gejodeerd zout, in zijn bakkerij voorradig te hebben, onverbindend wegens strijd met die bepalingen en degene die art. 7m voornoemd overtreedt, niet strafbaar?
Het behoeft geen betoog dat aan B de vraag voorafgaat of kaliumjodide een medicijn is.
ad A.
Op het eerste gezicht - en voor velen is dat ook het laatste gezicht - lijkt hier niets aan de hand waarom men zich - laat staan in negatieve zin - druk zou kunnen maken. Brood en margarine behoren tot het normale voedselpakket in Nederland. Er moet dus voor gezorgd worden door de overheid dat we geen bedorven brood kopen en, alvorens dat te eten, daarop margarine, die de huid aantast, smeren. Daarover
is iedereen het eens. Maar waarom dan niet een stap verder gegaan? De overheid moet ons niet alleen behoeden voor het kwade maar ook deelachtig doen worden aan het goede. Pas dan en daardoor wordt de nachtwachtstaat tot actieve verzorgingsstaat. En dus voegt de goede, bezorgde overheid - in de persoon van eerdervermelde Directeur, voorgelicht door bezorgde deskundigen - aan het brood een zeker - bestanddeel toe, waardoor mensen géén struma-gezwellen (meer) krijgen of deze niet verergeren. En dus, zoals Rousseau eenmaal verordonneerde dat de mensen desnoods gedwongen moeten worden om vrij te zijn - omdat vrijheid zo'n groot goed is - zo ook onze overheid: de mensen moeten gedwongen worden geen struma, geen rotte tanden en geen kromme ruggen te krijgen en daarom zullen we de bestanddelen in dat voedselpakket die dat beletten of voorkomen, verplicht stellen. Ze zullen gezond zijn of ze willen of niet. En dat alles doet aan de aard of de deugdelijkheid van de waar als zodanig niets af, want ook voor die "negatieve" taak blijft de overheid zich inspannen. Nou ja, als het algemene gezondheidsbelang erg groot is, waarom zou de margarine, het brood, het water dan niet een beetje een bijsmaak mogen hebben, wat minder smakelijk (wie spreekt er over vies) in de mond mogen liggen? Het is toch een kwestie van afweging. Als toevoeging van een zeker bestanddeel kan voorkomen dat mensen hersenbloeding of kanker krijgen, dan is het toch niet erg dat die toevoeging bij sommige wat lichte darmstoornissen oproept? Als ze zelf konden kiezen, zou de uitslag toch ook duidelijk zijn? Voor het vervolg van dit relaas verwijs ik naar de Kisch-bundel: "'t Exempel dwinght" en mijn artikel daarin, Het Fluorideringsarrest, met name blz. 305 e.v., waaruit een lezer zou kunnen opmaken, dat mijn positief vooroordeel in een zaak als deze zich het meest geborgen voelt bij het oordeel van de Ec. Politie- rechter.
In dit stadium van de zaak moeten we ons echter scrupuleus abstraheren van de vraag, wat die zekere bestanddelen nu eigenlijk zijn, en vooral niet in het achterhoofd hebben dat toevoegingen in het belang van de volksgezondheid ook wel medicijnen zullen, of zelfs moeten, zijn. Want dan zijn we al overgestapt op vraag B. Als leek bij uitstek zou ik het volgende voorbeeld verzinnen: er wordt op de markt gebracht een zeer geliefde lekkernij, roomijs voor mijn part, en nu vinden de geleerden uit dat als daar wat meer suiker in gedaan wordt (of voor mijn part: een portie regenwater) dat heel erg goed is ter voorkoming van rheumatiek. Nu zou ik er moeit mee hebben suiker of regenwater als medicijnen te bestempelen (al is dat misschien heel dom, zeker als men alléén naar de bestemming kijkt) maar het zouden in elk geval wèl "zekere bestanddelen" zijn, die niet, daar ga ik vanuit, de aard of deugdelijkheid van de waar zelf bepalen, maar de gezondheid bevorderen immers het ontbreken van ziekte tegengaan.
Het vervelende is nu, dat we niet al te best weten wat gezondheid, met name in de randgebieden, precies is, en nog minder wat "volksgezondheid" precies betekent. Maar de toetsing of een maatregel, - in casu een toevoeging, maar het zou ook een weglating kunnen zijn - in het belang van de volksgezondheid is, zal de rechterlijke macht altijd slechts heel marginaal kunnen voltrekken, dunkt mij.
De vraag is dan ook niet of toevoeging van het bestanddeel in het belang van de volksgezondheid is, maar of toevoegingen die de volksgezondheid dienen, zonder de waar zelf te bepalen, onder de delegatie van art. 16 Warenwet begrepen zijn. Daartoe, aldus de geciteerde memorie van Toelichting, biedt de huidige wetstekst stellig ruimte, maar in de toekomstige zal dat niet zonder meer het geval zijn en daarom is dan een art. 14a, lid 2 nodig (een "hiertoe uitdrukkelijk strekkende wetsbepaling") .
De stelligheid waarmede deze stelling wordt verkondigd voor de huidige wet lijkt na het fluorideringsarrest wat op die van het jongetje dat in het donker alsmaar roept, dat hij helemaal niet bang is maar toch gedurig naar de lichtschakelaar (art. 14a lid 2) zoekt.
Naar ik meen is vanuit de wetstekst puur bekeken zowel de ruimere als de engere interpretatie te verdedigen, zij het dat vanuit dat oogpunt, zoals ik straks zal toelichtingen, de engere interpretatie iets meer steun kan vinden. De Ec. Politierechter heeft in zijn eindvonnis uit de doeken gedaan dat de wetsgeschiedenis van art. 16 Warenwet 1935 en van het daarmee corresponderende art. 15 van de Warenwet 1919 blijk geeft van de "beperkte opvatting". Maar gelet op het tijdsverloop hecht hij - en dat acht ik ook al terecht - aan dit argument niet veel waarde.
De wetstekst van art. 16 Warenwet geeft nergens aan, dat ook "de algemene gezondheid" toevoegingen en ingrepen in waren zou toelaten, die de waar zelf niet bepalen. Bovendien spreekt zij steeds over toevoegingen enz. bij de bereiding, vervaardiging of samenstelling van de waar te bezigen en nu kan men dus trots volhouden dat er niet staat "ter bereiding" enz., maar ik zou toch menen dat iets zo uitzonderlijks - zeker in 1919 en 1935 - als het toevoegen van stoffen, die niets met de aard en de deugdelijkheid van de waar te maken hebben, ook in onze huidige wet duidelijk tot uitdrukking zou moeten komen. Echter een wetsbepaling heeft niet alleen zijn geschiedenis, maar ook zijn heden èn zijn toekomst. Ik beweer niet dat een uitleg krachtens welke de ruimere opvatting wordt aanvaard praeter of contra legem zou zijn. Zij is als teleologische duiding zeker te rechtvaardigen, als uitleg dus gegrond op de doelstelling van de bepaling naar huidige maatschappelijke inzichten.
Maar men zal begrijpen dat als de zaken zó staan en het dus op de teleologische uitleg aankomt - hetgeen naar ik meen het geval is - mijn keuze, die in zekere zin een politieke is, zij het zeker geen partijpolitieke, valt op niet aanvaarding van de ruime uitleg: zij is niet geboden en zij is - naar mijn opvatting - een hypertrophie van de actieve verzorgingsstaat en als zodanig, onder bepaalde constellaties, levensgevaarlijk. Wellicht zal men zeggen, dat dit wat op struisvogelpolitiek lijkt omdat ik als art. 14a, tweede lid nieuw van de Warenwet zal zijn ingevoerd geen been meer heb om op te staan (wat struisvogels overigens wel hebben). Het is juist dat dat artikellid dan voor de rechter iedere twijfel zou wegnemen of toevoeging van meergenoemde "zekere bestanddelen", die niet bepalend zijn voor aard of deugdelijkheid van de waar, steun vindt in het (nationale) recht. Maar aanvaarding van die bepaling betekent in mijn simpele opvatting dan ook dat de meerderheid van de in Nederland gekozen volksvertegenwoordigers uit beide Kamers wil dat er zekere bestanddelen aan waren kunnen worden toegevoegd alléén in het belang van de volksgezondheid. En dat bewust wil, hoop ik. Dat is het sein voor rechters om niet meer tegen te sputteren. Maar als die volksvertegenwoordigers dan ook maar beseffen, dat het niet de rechterlijke macht zal zijn, die het straks voor het zeggen heeft of een toevoeging inderdaad in het belang van de volksgezondheid is.
Dit komt erop neer dat ik niet anders kan doen dan de vraag onder A beantwoorden in die zin dat thans de delegatie zich niet zover uitstrekt als de ruimere opvatting wil en de memorie van toelichting op de nieuwe Warenwet als vanzelfsprekend veronderstelt.
Dat zou dus betekenen dat art. 7m van het Broodbesluit reeds op die grond onverbindend is en verzoeker, die in strijd daarmee gehandeld heeft, dus geen strafbaar feit heeft gepleegd, zodat ontslag van rechtsvervolging zou moeten volgen.
Ik zal echter ook vraag B en vooral de voorvraag daarvan moeten beantwoorden niet alléén omdat dat nu eenmaal het lot is van de adviseur die niet beslist maar ook omdat ik, voorzichtig gezegd, er niet geheel van overtuigd ben dat dit advies gevolgd zal worden. Het betreft - ik herhaal - een visie op staat en samenleving en daarin is ieder vrij.
ad B. Voorvraag.
Is kaliumjodide een medicijn?
Het hof welks antwoord op de vraag ad A, naar zich laat horen, niet overeenkwam met het mijne, (zie arrest: ad 2, blz. 5, waar gesproken wordt, - ieder verdedigd het eigen standpunt - van een "zo enge" interpretatie terwijl ik de neiging heb het hof een "zo ruime" interpretatie toe te dichten, waarbij ik nog het nadeel houd dat "eng" en "ruim" elk in zijn richting niet dezelfde gevoelswaarde hebben) heeft vervolgens beslist dat het aan broodzout toegevoegde kaliumjodide in, redelijkheid niet als medicijn kan worden aangemerkt. Daarmee was, in verband met het antwoord op vraag A, het pleit beslecht ten gunste van meergemelde directeur en zijn geestverwanten, immers als die kaliumjodide geen medicijn is, dan is zij "een zeker bestanddeel" en in de opvatting van het hof strekt de delegatie van de formele wetgever zich ook hiertoe uit.
Deze gedachtengang houdt wél de hoge waarschijnlijkheid in, dat het hof, ware kaliumjodide naar zijn opvatting wel een medicijn, het betreffende art. 7m van het Broodbesluit niet verbindend zou hebben geacht. Ik zeg: hoge waarschijnlijkheid omdat niet geheel onverdedigbaar is, dat het hof die hoofdvraag, als niet aan de orde komend, onbesproken heeft gelaten. Hoogst onwaarschijnlijk is dat wel en dit om drie redenen: -a- het lijkt thans moeilijk vol te houden, dat als een bepaling uit een A.M.v.B. in strijd is met een wet in formele zin (artikelen uit de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening) die bepaling niet zou moeten wijken en het hof heeft dit ongetwijfeld beseft. Straks, als art. 14a, lid 2 wet wordt, is dat veel minder duidelijk; - b- het hof spreekt er niet over dat reeds omdat kaliumjodide geen medicijn is, het verweer niet op gaat; - c- als ook toevoeging van medicijnen aan waren krachtens art. 16 van de Warenwet wettelijk toelaatbaar zou zijn, was het veel eenvoudiger geweest dat argument te bezigen, want de voorvraag is er een, die vol voetangels en klemmen zit.
Het hof heeft deze voorvraag als volgt benaderd:
Het is niet krenterig en geeft de verdachte en zijn raadsman toe, dat onder bepaalde omstandigheden kaliumjodide als een geneesmiddel dient te worden aangemerkt, met name indien de toediening plaatsvindt in hogere concentratie dan hier bedoeld en op medische indicatie, waarvan in casu echter geen sprake is.
Dat medicijn alleen medicijn zou zijn als zij wordt toegediend op medische indicatie lijkt mij duidelijk onjuist. Juist het feit dat een stof, die medicijn is, wordt toegediend niet op medische indicatie, zal toch wel in strijd zijn met de wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Zou men onder "medische indicatie" niet verstaan "op aanwijzing van een medicus" maar "op grond van een aanwijzing van medische aard", dan komt het mij voor dat juist de toevoeging van kaliumjodide aan broodzout, op last van de overheid, een maatregel is op "medische indicatie".
Maar ook het eerste argument - te geringe concentratie - zou, is het deugdelijk, de beslissing kunnen dragen en dus voldoende weerlegging van het verweer opleveren.
Dat argument loopt zo:
- Kaliumjodide is een onmisbaar bestanddeel van de menselijke voeding en komt van nature in volstrekt onvoldoende hoeveelheid in het in Nederland gebruikelijke voedingspakket voor (overgenomen van de deskundige: G. Loggers, oud plaatsvervangend hoofd-inspecteur van de volksgezondheid) ,
- Massale toediening van kaliumjodide in voorgeschreven kleine hoeveelheden door te eisen dat in een bakkerij voorradig zout die stof bevat is daarom een in het belang van de volksgezondheid wenselijke aanvulling van het voedselpakket van de hele Nederlandse bevolking en kan daarom in redelijkheid niet aangemerkt worden als het toedienen van een geneesmiddel doch als aanwending van een voor het menselijk voortbestaan onmisbaar voedingsbestanddeel,
- De zeer ruime omschrijving van het begrip geneesmiddelen in artikel 1 van de wet op de Geneesmiddelenvoorziening is, daarom, mede gelet op het doel en de strekking van de wet, in redelijkheid niet van toepassing.
Hierbij vallen een aantal zaken op:
-a- dachten we eerst dat het bij die kaliumjodide om (voorkoming van) het vervelende struma-gezwel ging, nu blijkt dat de overheid door toevoeging van die jodide te eisen ons alle voor een wisse dood behoedt, want het komt volstrekt onvoldoende in ons gebruikelijk voedselpakket voor en we kunnen er niet buiten.
-b- niet de bestemming van het jodide is bepalend voor de vraag of het medicijn is, want die bestemming is ofwel voorkomen van struma-aandoeningen danwel (het) voorkomen dat we doodgaan, hetwelk als men de dood als de volkomenheid van het ziekzijn beschouwd, meebrengt, dat de stof die zulks kan voorkomen, medicijn is, maar de hoeveelheid waarin het wordt verstrekt, de concentratie.
-c- kaliumjodide kan een geneesmiddel zijn, als het in hoge concentratie wordt toegediend. In de zin van art. 1 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening - een zeer ruime zin - valt het, ook onder de. medicijnen, maar die (wettelijke) omschrijving is hier niet van toepassing nu het gaat over de vraag of medicijnen zijn toegevoegd aan het zout.
Het lijkt duidelijk dat ook het hof aanvaardt, dat kaliumjodide is een substantie of samenstelling van substanties, welke (in dit geval, L.) is bestemd te worden gebruikt voor het (genezen, lenigen of) voorkomen van enige aandoening, of ziekte, zodat de (ruime) definitie van geneesmiddel in artikel 1 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, op kaliumjodide toegevoegd aan keukenzout van toepassing is.
Zo ruim is die definitie overigens niet of de Nederlandse regering interveniente in de zaak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1983 (O.M. van Bennekom, vonnis Rechtbank Amsterdam, zaak 227,82) hield vol, dat zij niet ruimer is dan de definitie in de richtlijn van de EEG (nr. 65/65) .
Naar het mij voorkomt dient de rechtspraak ter beantwoording van de vraag of een stof een medicijn is, zich te houden aan de wetgeving, waarin zulks speciaal en zonder voorbehoud geregeld is, tenzij uit andere wetgeving blijkt dat die definitie in daar speciaal omschreven gevallen, niet van toepassing is, maar aldaar bijv. een minder ruime omschrijving van het begrip: medicijn, toepasselijk is.
Reeds daarom ben ik het niet eens met het arrest van het hof en daar komt dan nog het volgende bij, maar dat ten overvloede:
Ik zie niet in waarom een stof, die onder bepaalde omstandigheden als medicijn moet worden aangemerkt, namelijk in hoge concentraties, die eigenschap zou gaan missen als zij in lagere concentraties ook (therapeutische of) profylactische werking heeft. En dat laatste staat toch wel vast aangezien de aanvulling van het Broodbesluit in artikel 7m uit 1968 evident ten doel had struma-aandoeningen of erger te voorkomen. Ik wijs nog even op het advies inzake Jodiumvoorziening van de Gezondheidsraad, gedateerd 17 augustus 1981, waar op blz. 33 met betrekking tot de strumaprohpylaxe wordt geconcludeerd:
"De commissie is van mening, dat door invoering van de "verplichting tot het toevoegen van bovengenoemde hoeveelheden jodium aan broodzout en keukenzout de strumaprophylaxe voor de overgrote meerderheid van de bevolking gewaarborgd zal zijn."
Dat nu is, geloof ik, het verschil tussen vitaminisering en jodering. Men kan, dunkt mij, volhouden dat vitaminisering géén profylactische werking heeft, althans niet in lage doseringen.
Ik denk nu dat het hof, een bewering van deskundige Loggers overnemend, dat ook voor kaliumjodide in deze lage concentratie heeft willen vaststellen. Deze is nodig om in leven te blijven, en is dus een voedingsbestanddeel. Maar dat laat zich niet rijmen met de opvatting van het hof dat de zeer ruime omschrijving van het begrip geneesmiddel in art. 1 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening kaliumjodide als geneesmiddel aanmerkt (maar dat die ruime omschrijving hier geen toepassing vindt).
ad B.
Ik zou er dus van uit willen gaan, dat kaliumjodide, toegevoegd aan keukenzout, dat bij broodbereiding wordt gebruikt, een massale medicatie inhoudt, toegediend door de bakker op bindend voorschrift van de overheid. Daartegen verzet zich echter de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en als dat alles juist is, is zulk een voorschrift tot toevoeging inhoudende immers toevoeging van medicijnen onverbindend (dat - alleen - voorradig hebben van gejodeerd zout in een bakkerij, normaliter verplichting tot toevoeging aan het brood van dat zout impliceert, is hierbij voorondersteld) .
Als het er op aankomt is mijn grootste bezwaar tegen het arrest dat ik van mening ben dat een mens in deze tijd onder normale omstandigheden zelf moet mogen en kunnen uitmaken wat hij zal eten en hoe hij voor het menselijk voortbestaan onmisbare voedingsbestanddelen, desgewenst, tot zich moet nemen. Heeft hij daartoe voorlichting nodig dan is het uitstekend als de overheid daarvoor wil zorgen. Maar liever géén "gedwongen voorlichting", in de vorm van art. 7m van het Broodbesluit. Ik heb geen enkel bezwaar tegen het broodje medicijn tot het mij, van overheidswege, door de keel geperst wordt.
Mijn conclusie strekt ertoe, dat de Hoge Raad de middelen I, II en III althans de middelen I en II gegrond bevindende, het arrest van het Arnhemse hof zal vernietigen en ofwel het vonnis van de Ec. Politierechter zal bevestigen of zelf verzoeker opnieuw van alle rechtsvervolging zal ontslaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,