Home

Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1356, 24/02718

Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1356, 24/02718

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 december 2025
Datum publicatie
9 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1356
Zaaknummer
24/02718

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; artikel 7, lid 4, Wet OB; financiële verwevenheid; betekenis HR 19 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:6 ; als eenheid samenwerken

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02718

Datum 12 december 2025

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting 2013-2016

Nrs. Gerechtshof BK-ARN 22/975 en 22/976

Nrs. Rechtbank AWB 19/5284 en 19/5291

CONCLUSIE

C.M. Ettema

In de zaak van

[X] B.V. (belanghebbende)

tegen

staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)

1 Overzicht

1.1

In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of, en zo ja in welke gevallen, een voor financiële verwevenheid als bedoeld in art. 7(4) Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) vereist meerderheidsbelang kan worden vastgesteld op het niveau van een als eenheid samenwerkende groep aandeelhouders. Meer specifiek is aan de orde welke uitleg in dit verband moet gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 19 december 1979 (hierna: het arrest van 19 december 1979).1

1.2

Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met het ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken en het verrichten van diensten op het gebied van vastgoed. Zij wenst samen met twee andere vennootschappen te worden aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De aandelen – daaronder begrepen de zeggenschap – in belanghebbende en in die andere vennootschappen zijn in handen van twee natuurlijke personen, ieder voor 50%. Belanghebbende stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van 19 december 1979, op het standpunt dat zij met de andere vennootschappen financieel verweven is. Volgens haar is een meerderheid van de aandelen in dezelfde handen, aangezien de twee aandeelhouders een als eenheid samenwerkende groep vormen.

1.3

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) verwerpt dit standpunt. Volgens het Hof geeft de Hoge Raad in het arrest van 19 december 1979 slechts uitleg aan het begrip ‘ieder’ in art. 7(1) Wet OB en volgt uit dat arrest niet dat een uitzondering bestaat op het vereiste dat een meerderheid van de aandelen in dezelfde handen is. Voorts maakt belanghebbende niet aannemelijk dat haar aandeelhouders in de onderwerpelijke tijdvakken bindende stemafspraken hadden gemaakt.

1.4

Belanghebbende stelt één middel van cassatie voor, dat uiteenvalt in drie klachten. De eerste klacht voert aan dat sprake is van een als eenheid samenwerkende groep, zodat aan het vereiste van financiële verwevenheid is voldaan. De twee andere klachten doen een beroep op het vertrouwensbeginsel respectievelijk het rechtszekerheidsbeginsel.

Opbouw

1.5

De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in onderdeel 3 het verloop van het geding in cassatie. Na enkele inleidende overwegingen in onderdeel 4, schets ik in onderdeel 5 de historische context van de fiscale eenheid in de omzetbelasting. In onderdeel 6 behandel ik het arrest van 19 december 1979 en onderzoek ik wanneer sprake is van een als eenheid samenwerkende groep als bedoeld in dat arrest. Tot slot bespreek ik het middel in onderdeel 7.

Slotsom

1.6

Uit het arrest van 19 december 1979 volgt dat een voor financiële verwevenheid vereist meerderheidsbelang kan worden vastgesteld op het niveau van een als eenheid samenwerkende groep. Onder welke voorwaarden aandeelhouders een dergelijke groep vormen, is echter niet geheel duidelijk. Het fenomeen van de als eenheid samenwerkende groep vertoont wat betreft de interne verhoudingen enige gelijkenis met samenwerkingsverbanden die de Hoge Raad via het begrip ‘ieder’ als één ondernemer aanmerkt, maar komt daarmee niet exact overeen.

1.7

Ik meen dat voor de beoordeling of sprake is van een als eenheid samenwerkende groep als bedoeld in het arrest van 19 december 1979, met name de onderliggende rechtsbetrekkingen van belang zijn die de interne verhoudingen regelen. De betrokken partijen moeten hebben afgesproken dat zij de financiële zeggenschap als eenheid uitoefenen en zij moeten ook dienovereenkomstig hebben gehandeld.

1.8

Ik kom tot de slotsom dat het Hof ten onrechte als uitgangspunt hanteert dat de Hoge Raad in het arrest van 19 december 1979 slechts uitleg geeft aan het begrip ‘ieder’ in art. 7(1) Wet OB en dat daaruit niet volgt dat een uitzondering bestaat op het vereiste dat een meerderheid van de aandelen in dezelfde handen is. Het criterium ‘als eenheid samenwerken’ uit het arrest van 19 december 1979 vormt niet zozeer een uitzondering op het vereiste van een meerderheid van de aandelen, als wel een middel om te constateren dat de meerderheid van de aandelen – daaronder begrepen de zeggenschap – in dezelfde handen is, namelijk in handen van de als eenheid samenwerkende groep. De eerste klacht is dus terecht voorgesteld.

1.9

Deze klacht kan evenwel niet tot cassatie leiden. Nu belanghebbende niet aannemelijk maakt dat haar aandeelhouders in de onderhavige tijdvakken bindende stemafspraken hadden gemaakt en ook overigens niets wordt aangevoerd dat kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een als eenheid samenwerkende groep, heeft het Hof terecht geoordeeld dat niet wordt voldaan aan het vereiste van financiële verwevenheid. De klachten over het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel falen ook en kunnen mijns inziens worden afgedaan met toepassing van art. 81(1) Wet RO.

1.10

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, houdt zich bezig met het ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken, het verrichten van diensten op het gebied van vastgoed, het uitoefenen van een aannemersbedrijf en het ter beschikking stellen van personeel voor de uitvoering van projecten.

2.2

Aandeelhouders van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 zijn:

- [de heer Z] voor 40% van de aandelen;

- [de heer I] voor 40% van de aandelen;

- [G] B.V. (hierna: G BV) voor 20% van de aandelen.

2.3

De heer Z en de heer I zijn elk voor 50% aandeelhouder van G BV. G BV is op haar beurt 100% aandeelhouder van [M] B.V. (hierna: M BV).

2.4

Schematisch ziet deze structuur er als volgt uit:

2.5

In het handelsregister wordt de heer Z als enig bestuurder van belanghebbende en G BV vermeld en wordt G BV als enig bestuurder van M BV vermeld.

2.6

In art. 25(1) van de statuten van belanghebbende is opgenomen dat ieder aandeel recht geeft op het uitbrengen van één stem. Eenzelfde bepaling is opgenomen in art. 20 van de statuten van G BV.

2.7

Op 26 maart 2018 is de Inspecteur een boekenonderzoek gestart bij belanghebbende. De Inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting (hierna: vpb) en omzetbelasting voor het jaar 2015. Op basis van de bevindingen is het boekenonderzoek uitgebreid naar de jaren 2012 tot en met 2014 en 2016. Van het boekenonderzoek is, met datum 21 januari 2019, een controlerapport opgemaakt. De Inspecteur heeft geconstateerd dat personeel van belanghebbende, de heer Z, een projectleider en een administratief medewerkster, werkzaamheden hebben verricht voor een project dat wordt uitgevoerd door M BV en dat belanghebbende hiervoor geen vergoeding in rekening heeft gebracht. De Inspecteur heeft voor de vpb een correctie doorgevoerd, omdat volgens hem sprake is van onzakelijk handelen. Voor de omzetbelasting heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een belastbare handeling voor de omzetbelasting, omdat een vergoeding voor het ter beschikking stellen van personeel ontbreekt en ook de winstdeling niet als zodanig kan worden aangemerkt. Volgens de Inspecteur verricht belanghebbende daardoor zowel belaste economische activiteiten, waarvoor recht op aftrek bestaat, als niet-economische activiteiten, waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Omdat belanghebbende bij het bepalen van de aftrek van voorbelasting hiermee geen rekening heeft gehouden, heeft de Inspecteur de in aftrek gebrachte voorbelasting deels nageheven.

2.8

Met dagtekening 27 december 2018 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2013 opgelegd en met dagtekening 26 februari 2019 voor de jaren 2014 tot en met 2016.

2.9

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. Op 19 juni 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt. In het verslag is opgenomen dat ook belanghebbende meent dat geen vergoeding in de zin van de OB is bedongen of ontvangen voor de werkzaamheden die zij (heeft) verricht voor M BV. Tijdens het hoorgesprek heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende, G BV en M BV een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen en dat daarom ter zake van de onderling verrichte werkzaamheden geen omzetbelasting is verschuldigd.

2.10

De heer Z en de heer I hebben een verklaring ondertekend met datum 15 augustus 2019, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“(...)

Verklaren het volgende:

1. [de heer Z] en [de heer I] zien de activiteiten van [G BV], [belanghebbende] en [M BV] als één geheel, één concern en mede als één voor hen gezamenlijk en gemeenschappelijk belang als aandeelhouder.

2. [de heer I] is in 2000/2001 gestopt het uitoefenen van bestuurstaken binnen de genoemde vennootschappen en heeft het bestuur vanaf dat moment geheel overgelaten aan [de heer Z], gezien hun gemeenschappelijk en gelijke belang in de vennootschappen.

3. Uitgangspunt van de afspraak tussen [de heer Z] en [de heer I] was en is dat [de heer Z] als enig en volledig bevoegd bestuurder naar goeddunken en in belang van het totaal van de genoemde drie vennootschappen mede namens [de heer I] handelt en dientengevolge uiteindelijk in belang van beide aandeelhouders.

4. De reden voor [de heer I] was en is vrij simpel, namelijk dat hij voldoende vertrouwen heeft, dat [de heer Z] de vennootschappen op de juiste wijze bestuurt en mede vanwege het gemeenschappelijke en gezamenlijke belang. Met andere woorden, men heeft altijd gehandeld vanuit de gedachte: Wat goed is voor [de heer Z] is goed voor [de heer I] en vice versa.

5. In de praktijk bespreekt [de heer Z] de complexere en financieel meer omvattende beslissingen overigens veelal met [de heer I].

6. Dat gezien voorgaande handelswijze [de heer Z] en [de heer I] ten aanzien van de drie vennootschappen als eenheid samenwerken, en dat dit niet beter tot uitdrukking kan komen dan door de omstandigheid dat [de heer Z] feitelijk bij elk besluit dat wordt genomen, mede namens [de heer I] handelt, omdat die bij voorbaat al heeft ingestemd met het handelen door [de heer Z].

7. Vanwege de blokkeringsregeling in de statuten van de vennootschappen waren [de heer Z] en [de heer I] ook ten aanzien van hun aandelenbezit feitelijk aan elkaar ge- en verbonden.

8. Gezien het onderlinge vertrouwen tussen [de heer Z] en [de heer I] hebben partijen nooit de noodzaak gezien om voorgaande schriftelijk vast te leggen.

(...)”

2.11

Op 25 augustus 2023 hebben de heer Z en de heer I een stemovereenkomst getekend. Deze overeenkomst vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Stemovereenkomst

[G BV] en [belanghebbende]

(...)

In aanmerking nemende dat:

(...)

d. [de heer I] sedert 1 juni 2000 is uitgetreden als bestuurder van de vennootschappen en dat [de heer Z] sedert 1 juni 2000 enig bestuurder is van de vennootschappen;

e. [de heer Z] en [de heer I] bij de uittreding van [de heer I] als bestuurder van de vennootschappen per 1 juni 2000, nadere afspraken hebben gemaakt over hoe [de heer I] zijn stem verbonden aan de door hem gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van de vennootschappen na uittreding zal inzetten;

f. [de heer Z] en [de heer I] hebben verzuimd de onder e. van deze considerans genoemde mondelinge afspraak schriftelijk vast te leggen.

g. partijen het wenselijk achten om de onder e. van deze considerans genoemde mondelinge afspraak alsnog schriftelijk vast te leggen.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 Duur van de overeenkomst

1.1

De overeenkomst is reeds mondeling aangegaan op 1 juni 2000 en geldt voor onbepaalde tijd.

Artikel 2 Besluitvorming in algemene vergadering van aandeelhouder van de vennootschappen

2.1 [

de heer Z] en [de heer I] zijn overeengekomen dat [de heer Z], zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vennootschappen als in zijn hoedanigheid als aandeelhouder van de vennootschappen, de algehele koers van de vennootschappen bepaalt en dat [de heer I] zich daarbij aansluit. [de heer I] zal derhalve in de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschappen bij de besluitvorming stemmen overeenkomstig de wijze waarop [de heer Z] zijn stem uitbrengt.

2.2 [

de heer I] is bevoegd om zijn stem uit te brengen in afwijking van de wijze waarop door [de heer Z] wordt gestemd, indien [de heer Z] aantoonbaar – uitsluitend en alleen handelt ten behoeve van zijn directe en indirecte eigen en persoonlijke belang en of familiebelang én dit in strijd is met het vennootschapsbelang (tegenstrijdig belang).

2.3

Artikel 2.1 is niet van toepassing indien en voor zover het gaat om (de voorbereiding van) besluiten die betrekking hebben op de wijziging van de statuten van de vennootschappen, de ontbinding van de vennootschappen en fusie en of splitsing van de vennootschappen.

(...)”

De rechtbank Gelderland (de Rechtbank)

2.12

Voor de Rechtbank2 is in geschil of belanghebbende, G BV en M BV tezamen een fiscale eenheid vormen in de zin van art. 7(4) Wet OB.

2.13

De Rechtbank overweegt dat op grond van laatstgenoemde bepaling, natuurlijke personen en lichamen in de zin van de AWR, die ondernemer zijn en in Nederland wonen of zijn gevestigd en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, als één ondernemer worden aangemerkt.

2.14

Bij de beantwoording van de vraag of de vereiste nauwe verwevenheid bestaat, moeten volgens de Rechtbank de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Waar het om gaat is dat de betrokken personen, ondanks hun juridische zelfstandigheid, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanige banden hebben dat kan worden gezegd dat zij als eenheid een zelfstandige economische activiteit uitoefenen. Het bestaan van financiële verwevenheid moet worden aangenomen indien ten minste de meerderheid van de aandelen in elk van de tot de groep behorende vennootschappen – daaronder begrepen de zeggenschap – middellijk of onmiddellijk in dezelfde handen is. Anders dan belanghebbende stelt, zijn de uitgangspunten die zijn geformuleerd in het door haar genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 juni 20093 niet van toepassing op de onderhavige situatie, omdat die uitgangspunten alleen betrekking hebben op lichamen die geen aandelenvennootschap zijn.4

2.15

De Rechtbank constateert dat de heer Z, de heer I noch G BV middellijk of onmiddellijk een meerderheid van de aandelen en bijbehorende zeggenschap heeft in belanghebbende. Onder die omstandigheden is geen sprake van financiële verwevenheid. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het aandelenbezit en de daaraan verbonden zeggenschap van de heer Z, de heer I en/of G BV aan één persoon moeten worden toegerekend, of dat zij in dat opzicht als een eenheid samenwerken. De statuten van belanghebbende en/of G BV voorzien hierin niet en ook de daarin opgenomen blokkeringsregeling wijzigt de aan de aandelen verbonden zeggenschap niet. Uit een schriftelijke verklaring van de heren Z en I van 15 augustus 2019 volgt dit ook niet (zie ‎2.10). Uit de tekst van die verklaring moet worden afgeleid dat uitsluitend de heer Z bestuurstaken op zich neemt en in dat kader de beslissingen neemt. Over het aandelenbezit en de bijbehorende zeggenschap vermeldt die verklaring niets.

2.16

Ter zitting is een nadere verklaring voorgedragen. Ook uit die nadere verklaring kan volgens de Rechtbank niet worden afgeleid dat in de periode van naheffing sprake was van stemafspraken die ertoe leidden dat het aandelenbezit en de daaraan verbonden zeggenschap bij één persoon was komen te liggen, dan wel dat ook in dat opzicht als een eenheid werd samengewerkt. Uit deze nadere verklaring volgt alleen dat de heer I zich zou voegen naar hetgeen de heer Z zou besluiten, maar niets belet de heer I om in een voorkomend geval anders te besluiten. Van een juridisch afdwingbare stemafspraak is geen sprake. De omstandigheid dat de heer I zich uit eigen beweging zal voegen naar de besluiten van de heer Z acht de Rechtbank onvoldoende om financiële verwevenheid aan te nemen. Daar komt bij dat deze nadere verklaring voornamelijk beschrijft hoe de samenwerking tussen beide heren in het verleden is gelopen; het biedt geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat er juridisch afdwingbare afspraken zijn gemaakt vóór aanvang van de tijdvakken waarover de naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Ook de omstandigheid dat wel sprake is van economische verwevenheid en dat de heer Z de feitelijke bestuurder is van zowel G BV als belanghebbende, brengt volgens de Rechtbank niet met zich dat financiële verwevenheid kan worden aangenomen.

2.17

De Rechtbank oordeelt dat belanghebbende, G BV en M BV niet kunnen worden aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Het beroep is ongegrond.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof)

2.18

Ook bij het Hof5 is in geschil of belanghebbende samen met G BV en M BV kan worden aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Alleen de financiële verwevenheid is in geschil. Als die verwevenheid er niet is, stelt belanghebbende dat voor het ter beschikking stellen van personeel een vergoeding in de zin van art. 8 Wet OB is berekend in de vorm van een winstaandeel en doet zij een beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

2.19

Het Hof constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de heer Z, de heer I en G BV geen van allen middellijk of onmiddellijk een meerderheid van de aandelen in belanghebbende bezitten en dat op basis van alleen de statuten van belanghebbende geen van vorenbedoelde (rechts)personen een meerderheid van de stemrechten heeft.

2.20

Belanghebbende stelt dat toch financiële verwevenheid kan worden aangenomen omdat sprake is van een als eenheid samenwerkende groep. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van 19 december 19796. Bovendien is volgens belanghebbende sprake van financiële verwevenheid omdat de heer Z en de heer I stemafspraken hebben gemaakt.

2.21

Het Hof volgt belanghebbendes standpunt niet. Het arrest van 19 december 1979 is gewezen na beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie.7 Op het moment van stellen van die vragen was niet duidelijk of Nederland gebruik had gemaakt van de (thans in art. 11 Btw-richtlijn neergelegde) mogelijkheid een fiscale eenheid in te voeren. Toentertijd werden naast natuurlijke personen bepaalde samenwerkingsverbanden die naar buiten toe als eenheid optreden als één entiteit voor de omzetbelasting behandeld via uitlegging van het begrip ‘eenieder’ en dus niet op grond van een specifieke wettelijke bepaling zoals art. 7(4) Wet OB. Deze uitleg van het begrip ‘eenieder' is nationaal ontwikkeld door de Tariefcommissie en later overgenomen door de Hoge Raad. Het Hof concludeert dat de Hoge Raad met de in zijn arrest gebezigde zin ‘als eenheid samenwerken’ slechts uitleg geeft aan het begrip ‘eenieder'. Dat daarmee een uitzondering bestaat op het in zijn latere arresten geformuleerde vereiste voor financiële verwevenheid (een meerderheid van de aandelen, inclusief de zeggenschap), leidt het Hof hieruit niet af.

2.22

De door belanghebbende gestelde stemafspraken leiden het Hof evenmin tot de slotsom dat sprake is van een fiscale eenheid. Het Hof acht niet aannemelijk dat deze stemafspraken al bestonden in het tijdvak 2013-2016. Het Hof acht de verklaringen van de heer Z en de heer I van 15 augustus 2019 (‎2.10) en 25 augustus 2019 (‎2.11) in dit verband, zonder enig steunbewijs in de vorm van e-mailberichten, sms-berichten, WhatsApp-berichten, verslagen van vergaderingen etc., onvoldoende.

2.23

Ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat de heren Z en I in 2000 stemafspraken hebben gemaakt overeenkomstig de in 2023 op papier gezette afspraken (zie ‎2.11), kan dat belanghebbende niet baten. Met dergelijke stemafspraken is nog steeds niet voldaan aan de eis voor financiële verwevenheid dat de meerderheid van de aandelen, de zeggenschap daaronder begrepen, in dezelfde handen is.

2.24

Het Hof concludeert dat belanghebbende, G BV en M BV geen fiscale eenheid vormen.

2.25

Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat vergoedingen zijn afgesproken voor het ter beschikking stellen van personeel in de vorm van een winstaandeel.

2.26

Het Hof overweegt dat voor een dienst onder bezwarende titel is vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienst en een door belanghebbende daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Volgens het Hof bestaat geen rechtstreeks verband tussen de winstuitdeling en het uitlenen van personeel. Hierbij acht het Hof van belang dat de winstuitdeling niet afhankelijk is van het aantal personeelsleden dat wordt uitgeleend. Bovendien wordt geen ‘vergoeding’ verkregen als geen winst wordt behaald.

2.27

Het Hof verwerpt ook het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens het Hof vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de Inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.8 Met haar verwijzing naar een rapport over een boekenonderzoek uit 2004 slaagt belanghebbende niet in deze bewijslast. Het Hof stelt vast dat het rapport niets zegt over de voorbelasting en gevolgen voor de omzetbelasting van de winstverdelingsafspraak, zodat van een expliciete standpuntbepaling geen sprake is.

2.28

De Hoge Raad heeft in het boekenclubarrest9 geoordeeld dat sprake kan zijn van de schijn van een standpuntbepaling bij een boekenonderzoek als een aangelegenheid dusdanig duidelijk aanwezig is dat deze niet aan de aandacht van de controleambtenaar kan zijn ontsnapt en dat deze aangelegenheid aanleiding zou moeten geven kritische opmerkingen te maken of tot naheffing over te gaan, maar niettemin niet is overgegaan tot het maken van opmerkingen of tot naheffing. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van het Hof niet gebleken. Ook als belanghebbende aan het rapport uit 2004 het vertrouwen mocht ontlenen dat de voorbelasting in dat jaar niet zou worden gecorrigeerd, kan met de door belanghebbende aangeleverde informatie niet worden vastgesteld of de situatie in 2003-2004 vergelijkbaar is met de situatie in de onderhavige jaren.

2.29

Tot slot volgt het Hof belanghebbende niet in haar betoog dat het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staat aan het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen omzetbelasting. De vereisten voor een fiscale eenheid zijn neergelegd in art. 7(4) Wet OB. Die bepaling biedt volgens het Hof voldoende rechtszekerheid. Voor zover belanghebbende toch onzekerheid ervaarde, kon zij de Inspecteur om een beschikking fiscale eenheid verzoeken en langs die weg de gewenste duidelijkheid verkrijgen.

2.30

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een conclusie van repliek in te dienen.

Beroepschrift

3.2

Belanghebbende stelt één middel van cassatie voor, dat uiteenvalt in drie klachten.

3.3

De eerste klacht voert aan dat uit het arrest van 19 december 1979 volgt dat aan het financiële-verwevenheidsvereiste is voldaan indien sprake is van een als eenheid samenwerkende groep. ’s Hofs oordeel dat voor financiële verwevenheid in alle gevallen is vereist dat één persoon een meerderheidsbelang bezit, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

3.4

De tweede klacht richt zich tegen het oordeel over het vertrouwensbeginsel. Uit een intern rapport van de Belastingdienst10 leidt het middel af dat ook de Belastingdienst onderkent dat sprake kan zijn van financiële verwevenheid zonder een meerderheidsbelang. De klacht betoogt dat belanghebbende aan dit rapport het vertrouwen mocht ontlenen dat in haar geval is voldaan aan het vereiste van financiële verwevenheid.

3.5

De derde klacht komt op tegen het oordeel dat de voorwaarden voor een fiscale eenheid voldoende zijn gepreciseerd in art. 7(4) Wet OB. Volgens het middel zijn die voorwaarden onvoldoende duidelijk en nauwkeurig. Hieraan doet niet af dat belanghebbende ook een beschikking fiscale eenheid had kunnen aanvragen.

Verweerschrift

3.6

De Staatssecretaris voert in verweer aan dat het Hof op goede gronden heeft geoordeeld dat uit het arrest van 19 december 1979 niet valt af te leiden dat daarin voor een als eenheid samenwerkende groep een uitzondering is geformuleerd op het vereiste voor financiële verwevenheid van een meerderheid van de aandelen, inclusief de bijbehorende zeggenschap. Ook voor het overige geeft het oordeel over de fiscale eenheid geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.7

Ten overvloede wijst de Staatssecretaris op een recente conclusie van mijn hand, waarin – kort gezegd – wordt geconcludeerd dat sprake is van een nauwe financiële band indien een (rechts)persoon 50% van de aandelen in een andere entiteit in handen heeft en bovendien in staat is zijn wil op te leggen aan die entiteit.11 Ook indien de Hoge Raad die conclusie zou volgen, kan dat belanghebbende volgens de Staatssecretaris niet baten. Het Hof heeft namelijk het bestaan van de stemovereenkomst in de onderhavige jaren niet aannemelijk geacht. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat feitelijk vaststaat dat geen van de aandeelhouders van belanghebbende in staat was zelfstandig zijn of haar wil op te leggen aan belanghebbende.

3.8

Met betrekking tot de tweede klacht voert de Staatssecretaris aan dat belanghebbende in feitelijke instanties weliswaar heeft verwezen naar het interne rapport van de Belastingdienst, maar dat zij voor het eerst in cassatie een beroep doet op dit rapport in relatie tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel. Dit betoog vergt feitelijk onderzoek waarvoor in cassatie geen plaats is. Bovendien heeft de Inspecteur in feitelijke instanties aangevoerd dat de geciteerde passage uit het rapport betrekking heeft op een andere situatie en dat dit – al jaren niet meer geactualiseerde – rapport met een onduidelijke status in de onderhavige naheffingstijdvakken niet is gebruikt door de Belastingdienst.

3.9

Aangaande de derde klacht betoogt de Staatssecretaris dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel niet in de weg staat aan het opleggen van de naheffingsaanslagen. De in art. 7(4) Wet OB neergelegde voorwaarden voor een fiscale eenheid zijn voldoende duidelijk en nauwkeurig, mede gezien de uitleg die de Hoge Raad aan de bepaling heeft gegeven in de door het Hof genoemde arresten.

4 Inleidende overwegingen

5 De historisch context van de fiscale eenheid in de omzetbelasting

6 De fiscale eenheid in de jurisprudentie van de Hoge Raad

7 Bespreking van het middel

8 Conclusie