Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1360, 25/00132
Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1360, 25/00132
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 december 2025
- Datum publicatie
- 9 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1360
- Zaaknummer
- 25/00132
Inhoudsindicatie
Informatiebeschikkingen. Art. 47 AWR. Informatieuitwisselingsovereenkomst Jersey-Nederland (TIEA). Territorialiteitsbeginsel. Uitputtingbeginsel. Ontvankelijkheid cassatieberoep bij - ondanks oproep hiertoe - niet verstrekken bewijsstuk waaruit blijkt dat de instellers bevoegd zijn om cassatie in te stellen namens de belanghebbende, een vennootschap.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00132
Datum 12 december 2025
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Informatiebeschikkingen 2013-2016
Nrs. Gerechtshof 22/2298 t/m 22/2305
Nrs. Rechtbank 18/7946 t/m 18/7953
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
[X] Ltd.
tegen
staatssecretaris van Financiën
1 Inleiding
Deze zaak gaat over dezelfde materie als de zaken met nrs. 25/00129 en 25/00131, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem. In deze conclusies staat centraal de vraag of er een voor de inspecteur verplichte rangorde bestaat tussen toepassing van art. 47 AWR en toepassing van een informatieuitwisselingsverdrag. Ik merk nu alvast maar op dat het zeer de vraag is of de Hoge Raad aan die kwestie zal toekomen. Desalniettemin gaf de meer principiële aard van de overwegingen van het Hof over een dergelijke rangorde mij aanleiding om dieper in de verhouding tussen art. 47 AWR en de verdragsrechtelijke informatieuitwisseling te duiken.
In hoofdstuk 2 van deze conclusie zijn de feiten en het geding bij de Rechtbank en het Hof weergegeven. Kort gezegd ziet de zaak op een vennootschap die statutair is gevestigd op Jersey. De aandelen in de vennootschap werden gehouden door de vrouw (belanghebbende in zaak 25/00129) en de man (belanghebbende in zaak 25/00131). Zij waren tevens werknemer van de vennootschap en werden door de vennootschap gedetacheerd. De man en vrouw zeggen naar Jersey te zijn verhuisd en menen dat zij sindsdien op grond van het territorialiteitsbeginsel niet meer verplicht zijn om antwoord te geven op inlichtingenverzoeken van de Inspecteur. Art. 47 AWR werkt volgens hen namelijk niet door in de ‘Jersey rechtsorde’.
Het Hof heeft hierover overwogen dat daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de Tax Information Exchange Agreement met Jersey (TIEA) en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, het niet ondenkbaar is dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. In diezelfde overweging heeft het Hof tegelijkertijd overwogen dat het gelet op art. 1(slotzin) TIEA – waar het uitputtingsbeginsel in tot uitdrukking komt – past bij de uitleg van de TIEA dat de inspecteur juist eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA.
In hoofdstuk 3 worden de middelen van cassatie besproken en het daartegen gevoerde verweer.
In hoofdstuk 4 beoordeel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het cassatieberoep is ingesteld door de belanghebbenden in de zaken met nrs. 25/00129 en 25/00131. Daarbij is – ook na een rappel daartoe – geen bewijsstuk overlegd waaruit hun bevoegdheid om namens de vennootschap een beroepschrift in cassatie in te dienen blijkt. Ik meen dat onvoldoende duidelijk is geworden dat degenen die het cassatieberoep hebben ingesteld daartoe bevoegd waren. Dat brengt mee dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Voor het geval de Hoge Raad hierover anders denkt, zal ik desondanks in deze conclusie de voorgestelde middelen van cassatie behandelen.
Hoofdstuk 5 bevat een overzicht van de mogelijkheden van de fiscus om informatie te verkrijgen uit Jersey. In dat kader behandel ik eerst de in de AWR opgenomen informatiebevoegdheden van de inspecteur (5.2-5.8). Vervolgens komen het informatieuitwisselingsverdrag met Jersey en het OESO-Modelverdrag voor informatieuitwisseling aan bod (5.9-5.20) en daarna bespreek ik de WIB) en daarna bespreek ik de (5.21-5.23).
In hoofdstuk 6 bespreek ik eerst het zogenoemde territorialiteitsbeginsel (6.2-6.10). Ik meen dat het (objectieve) fiscale territorialiteitsbeginsel niet een naast het volkenrechtelijke territorialiteitsbeginsel staand afzonderlijk rechtsbeginsel is (6.6). Het (bredere) territorialiteitsbeginsel als ongeschreven beginsel van volkenrecht kan niet dwingen tot het buiten toepassing laten van Nederlandse wetgeving in formele zin. Daarna bespreek ik het uitputtings- of subsidiariteitsbeginsel (6.11-6.21). Mijns inziens zijn de bepalingen in de TIEA waarin het uitputtingsbeginsel staat bedoeld om te voorkomen dat een andere staat met onnodig werk wordt opgezadeld. Zij zijn kennelijk niet bedoeld (potentieel) belastingplichtigen een bepaalde vorm van rechtsbescherming te verschaffen. Ik meen daarom dat het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb) in de weg staat aan honorering van een beroep op het uitputtingsbeginsel door een (potentieel) belastingplichtige. Het territorialiteitsbeginsel en het uitputtingsbeginsel dwingen naar mijn mening daarom niet de inspecteur om eerst met toepassing van de TIEA informatie op te vragen en daarna pas met toepassing art. 47 AWR van of andersom (6.22-6.30).
In hoofdstuk 7 worden de middelen behandeld. Ik meen dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk is. Voor het geval de Hoge Raad daar anders over denkt, kom ik tot de slotsom dat de middelen falen en dat zij zich lenen voor een afdoening met toepassing van art. 81 RO. Wel geef ik de Hoge Raad in overweging (kort) in te gaan op de verhouding tussen de TIEA en art. 47 AWR in het licht van het territorialiteitsbeginsel en uitputtingsbeginsel. Daarmee kan de verwarring worden weggenomen die kan ontstaan door de overwegingen hierover van het Hof.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is op 26 september 2013 opgericht naar het recht van Jersey, en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op Jersey. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement.
De aandelen in belanghebbende werden gehouden door de man (belanghebbende in 25/00131) en de vrouw (belanghebbende in 25/00129), elk voor 50%. De man en de vrouw voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende en werden vanaf oktober 2013 door belanghebbende gedetacheerd.
De man en de vrouw woonden tot eind september 2013 in Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op Jersey. Vanaf 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven in, wat officieel heet, ‘the bailiwick of Jersey’. De man heeft de woning in Nederland in eigendom gehouden. De woning is van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 en van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 aan derden verhuurd. In beide huurcontracten is een zogenoemde diplomatenclausule opgenomen, die inhoudt dat de man verklaart de vorige bewoner te zijn en dat hij na afloop van de huurperiode de woning weer zal betrekken.
De Inspecteur heeft op 21 maart 2018 de voet van art. 47 AWR een vragenbrief aan belanghebbende gestuurd. Hierbij werd verzocht de volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot 21 maart 2018 te overleggen. In haar reactie op die brief heeft belanghebbende gesteld dat de werkzaamheden van de man en de vrouw na de verhuizing niet in Nederland hebben plaatsgevonden en heeft zij niet de door de Inspecteur gevraagde informatie verstrekt. De Inspecteur heeft bij e-mail van 13 april 2018 opnieuw gevraagd om de informatie. Belanghebbende heeft opnieuw niet de informatie verstrekt, onder meer omdat volgens haar onduidelijk zou zijn wat de administratie inhoudt. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de Inspecteur nogmaals verzocht om informatie en uitgelegd wat de administratie volgens hem inhoudt. Belanghebbende heeft nogmaals geweigerd informatie te verstrekken.
De Inspecteur heeft met dagtekening 3 juli 2018 informatiebeschikkingen opgelegd voor de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013 tot en met 2016. De informatiebeschikkingen verwijzen naar de informatieverzoeken van 21 maart en 28 mei 2018.
De Inspecteur heeft (via het Central Liaison Office van de Belastingdienst, de CLO) op 14 maart 2017 bij de bevoegde autoriteiten van Jersey informatie opgevraagd over belanghebbende, de partner en de vennootschap. Dit informatieverzoek is gegrond op art. 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken1 (de Tax Information Exchange Agreement, TIEA). Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur uiteindelijk op 7 januari 2019 ‘company tax returns and assessments’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Ook heeft de Inspecteur op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van een Jersey bank, een Jersey accountantskantoor en de Jersey Companies Registry.
De Belastingdienst heeft daarnaast bij de civiele rechter een vordering ingediend tot veroordeling van de man en de vrouw tot het verstrekken van de gevraagde informatie. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen, op straffe van een dwangsom van € 2.000,- per dag en maximaal € 500.000,-.2 Dat vonnis is in hoger beroep in stand gebleven,3 en het vervolgens door de man en de vrouw ingestelde cassatieberoep is op 18 maart 2022 ongegrond verklaard met toepassing van art. 81 Wet RO.4
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5
Bij de Rechtbank was in geschil:
a. of de informatiebeschikkingen terecht aan belanghebbende zijn gegeven;
b. of de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) heeft geschonden;
c. of de inspecteur art. 10 van de Grondwet, artt. 6 en 8 van het EVRM, art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artt. 26 en 27 van het Verdrag van Wenen heeft geschonden; en
d. of sprake is van schending van de TIEA.
De Rechtbank overwoog dat de Inspecteur opheldering wenst te krijgen over de vraag of belanghebbende mogelijk subjectief belastingplichtig is in Nederland. De Inspecteur heeft zich daartoe op verschillende hem ter beschikking staande gegevens gebaseerd (zie ovw. 4.4). Gelet hierop kon de Inspecteur verzoeken om de volledige administratie, zoals opgenomen in de informatiebeschikkingen. Belanghebbende heeft ten onrechte niet aan de informatieverzoeken van de Inspecteur voldaan. Voor zover informatie door Jersey is verstrekt, ontslaat dit belanghebbende niet van haar informatieverplichting nu die informatie niet door belanghebbende is overlegd.
Verder oordeelde de Rechtbank dat de abbb niet zijn geschonden. Ook het beroep op de bepalingen genoemd in geschilvraag c faalt volgens de Rechtbank, nu belanghebbende niet heeft voldaan aan haar stelplicht.
De Rechtbank oordeelde voorts dat de TIEA in dezen geen beperking oplegt aan de Inspecteur ten aanzien van het geven van de informatiebeschikkingen. In geschil zijn niet de informatieverzoeken aan de bevoegde autoriteiten van Jersey op grond van de TIEA, maar de informatiebeschikkingen. Het verzoek aan de bevoegde autoriteiten van Jersey is gedaan in maart 2017, en de gevraagde informatie is uiteindelijk (gedeeltelijk) verstrekt begin 2019, dus ná het geven van de informatiebeschikkingen en de uitspraken op bezwaar. Niet in te zien valt hoe de verstrekte informatie van belang kan zijn geweest voor de informatiebeschikkingen. Of de Inspecteur art. 4(1)(derde volzin) TIEA heeft geschonden kan naar het oordeel van de Rechtbank dan ook in het midden blijven. Dit geldt ook voor belanghebbendes stelling dat het verzoek op grond van de TIEA is gebaseerd op onjuiste informatie. De vraag naar de rechtmatigheid van de onder de TIEA verkregen informatie kan namelijk niet aan de orde komen in een procedure over een gegeven informatiebeschikking, maar pas in het kader van een procedure over een eventueel nog op te leggen aanslag. Overigens heeft belanghebbende niet onderbouwd in hoeverre de Inspecteur met de door Jersey verstrekte informatie inmiddels beschikt over de in de informatiebeschikkingen gevraagde gegevens en bescheiden, aldus nog steeds de Rechtbank. Verder is in de overige bepalingen van de TIEA geen grondslag te vinden voor de stelling dat een uitstaand verzoek om informatie leidt tot een beperking van de verplichtingen van belanghebbende op grond van artikel 47 AWR, dan wel de bevoegdheid van de inspecteur tot het geven van een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard; belanghebbende is een nieuwe termijn gesteld om de bij informatiebeschikkingen verzochte informatie te verstrekken.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6
Bij het Hof was in geschil:
a. Staat art. 6 EVRM toepassing van de artt. 47 en 52a AWR in de weg?
b. Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artt. 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?
c. Heeft de Inspecteur de informatiebeschikkingen terecht aan belanghebbende gegeven?
d. Heeft de Inspecteur de abbb geschonden?
e. Heeft de Inspecteur art. 8 EVRM geschonden en/of de art. 5, 9 en 17 van het IVBPR7, dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?
f. Heeft de Inspecteur de informatiebeschikkingen gegeven in strijd met de TIEA?
Het beroep op art. 6 EVRM (geschilpunt a) faalt naar het oordeel van het Hof reeds op de grond dat art. 6 EVRM niet ziet op belastingzaken waar geen boete is opgelegd.
Met betrekking tot geschilpunt b oordeelde het Hof dat art. 47 AWR niet territoriaal begrensd is en het de Inspecteur daarom in beginsel toegestaan is aan belanghebbende een informatiebeschikking op te leggen. De informatieverplichting van art. 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is.8
Bij de beoordeling van geschilpunt c oordeelde het Hof dat de informatiebeschikkingen terecht zijn gegeven. Gelet op de omstandigheden (ovw. 4.13) waar de Inspecteur zijn standpunt op heeft gebaseerd dat hij opheldering wenst te krijgen over de belastingplicht van belanghebbende in Nederland, zijn de informatieverzoeken legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Belanghebbende heeft geen inhoudelijk antwoord gegeven op de gestelde vragen.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur de abbb niet heeft geschonden (geschilpunt d). Niet is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel: de informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek, er zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en belanghebbende is diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog informatie aan te leveren. Ook zijn de informatieverzoeken voldoende gemotiveerd. De gronden waarop de bezwaren zijn afgewezen blijken uit de uitspraken op bezwaar. Ook het fair play-beginsel biedt belanghebbende geen soelaas. Uit een bepaalde statusupdate kan voorts niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de navorderingstermijn te verlengen.
Belanghebbende stelde voor het Hof dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met art. 8 EVRM, de artt. 5, 9 en 17 van het IVPBR en het nemo-teneturbeginsel, mede onder verwijzing naar De Legé tegen Nederland9 (geschilpunt e).
Het Hof overwoog met betrekking tot het nemo-teneturbeginsel dat art. 6 EVRM niet geldt in belastingzaken waarin geen criminal charge aan de orde is. Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van informatie wordt afgedwongen, wat niet anders wordt door het gegeven dat zij gepaard kan gaan met omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende (geen détournement de pouvoir). Ook is er geen ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op art. 8 EVRM. Het opvragen van de gegevens was voorts proportioneel in de gegeven omstandigheden.
Over geschilpunt f, of de informatiebeschikkingen in strijd met de TIEA zijn gegeven, overwoog het Hof als volgt:10
“4.32. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:
‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’
Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.
Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.
Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouw niet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.”
Het Hof heeft op deze gronden het hoger beroep ongegrond verklaard en aan belanghebbende een nieuwe termijn gesteld voor het verstrekken van de informatie.
3 Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Beroep in cassatie
Belanghebbende komt in cassatie onder aanvoering van zes middelen.
Het eerste middel houdt in dat de Rechtbank en het Hof volgens belanghebbende hebben verzuimd ambtshalve een onderzoek te doen naar de rechtsmacht van het Hof.
Het tweede middel ziet op het oordeel van het Hof over de territoriale begrenzing van art. 47 en 52a AWR (geschilpunt b). Belanghebbende stelt dat de bevoegdheidsuitoefening door de Inspecteur het territorialiteitsbeginsel schendt. Ook stelt belanghebbende dat het oordeel van het Hof dat de abbb niet zijn geschonden onbegrijpelijk is (geschilpunt e).
Het derde middel komt op tegen het oordeel bij geschilpunt a en een (vermeend) oordeel van het Hof over de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen bepaalde informatiebeschikkingen. Belanghebbende meent wel belang te hebben bij een beroep tegen informatiebeschikkingen 2008, 2009, 2011 en 2012.
Het vierde middel bestrijdt het oordeel van het Hof omtrent geschilpunt e, inhoudende dat de informatiebeschikkingen niet zijn opgelegd in strijd met art. 8 EVRM, de artt. 5, 9 en 17 van het IVBPR en het nemo-tenetur-beginsel of enig ander internationaal voorschrift.
Het vijfde middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de informatiebeschikkingen niet in strijd met de TIEA zijn gegeven (geschilpunt f). Belanghebbende meent dat de informatiebeschikkingen wel in strijd met de TIEA en goede verdragstrouw zijn.
Met het zesde middel stelt belanghebbende dat de Inspecteur onvoldoende heeft gespecificeerd voor het Hof welke gegevens nog moeten worden aangeleverd.
Belanghebbende verzoekt de Hoge Raad om alle informatiebeschikkingen te vernietigen en een vergoeding van werkelijke proceskosten toe te kennen, in welk verband wordt verwezen naar de pleitnota bij het Hof.
Verweerschrift
De Staatssecretaris voert één verweer tegen het eerste en tweede middel. Hij merkt op dat hetgeen belanghebbende aanvoert over de civiele procedure(s), buiten het bereik van deze belastingzaak ligt. Het Hof heeft zich, evenals de Rechtbank, terecht kennelijk op grond van art. 26(1) AWR bevoegd geacht om te oordelen over de rechtmatigheid van de informatiebeschikkingen. Verder heeft het Hof volgens de Staatssecretaris op goede gronden beslist dat art. 47 AWR niet territoriaal begrensd is. De informatieplicht in internationale verhoudingen zal direct op art. 47 AWR kunnen worden gebaseerd mits de inspecteur, zoals in dit geval, beschikt over aanwijzingen dat er sprake zou kunnen zijn van belastingplicht in Nederland. Ten overvloede merkt de Staatssecretaris op de gestelde schending van het territorialiteitsbeginsel geen grond kan opleveren voor vernietiging van de informatiebeschikkingen reeds omdat het relativiteitsbeginsel van art. 8:69a Awb zich hiertegen verzet.
Over het derde middel merkt de Staatssecretaris op dat het Hof geen oordeel heeft gegeven over de niet-ontvankelijkheid van informatiebeschikkingen en in zoverre faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft voorts terecht geoordeeld dat art. 6 EVRM niet in de weg staat aan de toepassing van artt. 47 AWR en 52a(3) AWR.
Ten aanzien van het vierde middel stelt de Staatssecretaris dat het Hof op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven. Er is geen sprake van een schending van art. 8 EVRM of van enig ander verdragsvoorschrift. Hij verwijst daarbij naar het arrest van 28 mei 1986.11
Tegenover het vijfde middel stelt de Staatssecretaris dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de TIEA en de goede verdragstrouw niet er aan in de weg staan dat de Inspecteur bij belanghebbende – die stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – informatie opvraagt die hij ook langs andere weg zou kunnen verkrijgen en dat de TIEA toepassing van de bevoegdheden uit de AWR niet verhindert. Daarbij wijst hij op het uitputtingsbeginsel verwoord in art. 4(1) TIEA: een verzoek om informatieuitwisseling wordt gedaan in het geval het niet mogelijk is deze informatie op een andere manier te verkrijgen.
Over het zesde middel merkt de Staatssecretaris op dat in het middel niet wordt onderbouwd waarom de bestreden oordelen van het Hof onbegrijpelijk zouden zijn. Die oordelen worden in cassatie, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, tevergeefs bestreden.
Conclusie van repliek
In de conclusie van repliek persisteert belanghebbende in de klachten aangevoerd in het cassatieberoepschrift.