Home

Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1401, 25/00898, 25/00904, 25/00905

Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1401, 25/00898, 25/00904, 25/00905

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 december 2025
Datum publicatie
16 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1401
Zaaknummer
25/00898

Inhoudsindicatie

Bijlage: ECLI:NL:PHR:2025:1413

Omzetbelasting; aan- en verkoop van auto door vennootschap aan DGA tegen vergoeding onder waarde in het economisch verkeer; verkapt dividend; bezwarende titel?; misbruik van recht; misbruik van recht bij aan- en verkoop van auto door vennootschap aan DGA tegen (abnormaal) lage vergoeding?; samenstel (meervoudigheid) van transacties vereist?; verhindert het niet-implementeren van een op art. 80 Btw-richtlijn gebaseerde 'normale waarde'-bepaling toepassing misbruik van recht?; mogelijkheid tot aanpassen maatstaf van heffing buiten misbruik van recht?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummers 25/00898, 25/00904 & 25/00905

Datum 19 december 2025

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting vierde kwartaal 2020

Nrs. Gerechtshof 23/62 t/m 23/64

Nrs. Rechtbank 21/3359, 21/3952 & 21/3953

CONCLUSIE

C.M. Ettema

In de zaken van

staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)

tegen

[X1] B.V. (25/00898), [X2] B.V. (25/00904) en [X3] B.V. (25/00905) (belanghebbenden)

1 Inleiding

1.1

Deze conclusie neem ik in drie zaken met een nagenoeg identiek feitencomplex. Belanghebbenden zijn besloten vennootschappen. Zij hebben auto’s (ieder één) gekocht. Belanghebbenden brengen de omzetbelasting die rust op de aankopen van deze auto’s als voorbelasting in aftrek. Na enige tijd verkopen belanghebbenden de auto’s aan hun directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s, wederom één per belanghebbende). In het kader van de verkopen zijn de auto’s getaxeerd door merkdealers. De verkoopprijzen (inclusief omzetbelasting en rest-bpm) bedragen 8,8%, 10,5% en 7,6% van getaxeerde waarden van de respectievelijke auto’s. Voor het verschil tussen de verkoopprijzen en de taxatiewaarden hebben belanghebbenden en hun DGA’s voor de vennootschapsbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting verkapte dividenden in aanmerking genomen. Hierover is dividendbelasting afgedragen en is ook inkomstenbelasting geheven.

1.2

In essentie draaien de onderhavige zaken om de maatstaf van heffing, meer specifiek om de vraag of deze moet worden gesteld op de verkoopprijs of de getaxeerde waarde van de respectievelijke auto’s.

1.3

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch1 (het Hof) oordeelt eerst dat de leveringen van de auto’s onder bezwarende titel zijn geschied. De verkoopprijzen vormen steeds de werkelijke tegenwaarde voor de leveringen van de auto’s en dus is steeds sprake is van een rechtstreeks verband. Er zijn geen factoren die aan dat rechtstreeks verband afdoen. In het bijzonder is relevant dat het Hof oordeelt dat aan dat verband niet afdoet dat belanghebbenden en hun DGA’s bij het vaststellen van de (hoogte van de) vergoeding rekening hebben gehouden met een beoogde besparing van omzetbelasting.

1.4

Het Hof oordeelt vervolgens dat geen sprake is van misbruik van recht. Daarvoor is een samenstel van transacties vereist, en dat ontbreekt in de onderhavige zaken, omdat het steeds gaat om één transactie: de levering van een auto. Het Hof leidt verder uit het arrest Weald Leasing2 niet af dat een abnormaal lage vergoeding op zichzelf bezien misbruik van recht kan opleveren. Bovendien zijn de onderhavige zaken volgens het Hof op twee punten verschillend van Weald Leasing. De enkele omstandigheid dat de leveringen van de auto’s hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die belangrijk lager was dan de werkelijke waarde van de auto is onvoldoende voor het aannemen van misbruik van recht. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie kunnen dragen dat de door partijen overeengekomen vergoedingen het resultaat zijn van misbruik. De afwezigheid van een duidelijk samenstel van transacties en van een zuiver kunstmatige constructie duidt er volgens het Hof juist op dat in deze gevallen géén situaties aan de orde zijn die onder het leerstuk van misbruik van recht vallen.

1.5

Ter zake van de verkapte dividenduitkeringen overweegt het Hof dat het in dit geval op de weg van de Inspecteur ligt om aannemelijk te maken dat een concrete tegenprestatie voor het dividend en daarmee het rechtstreekse verband en een bezwarende titel aanwezig is. De enkele omstandigheid dat steeds voor de vennootschapsbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting een verkapt dividend is aangegeven en als zodanig is verwerkt ter grootte van het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs, is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om dat rechtstreekse verband te veronderstellen.

1.6

De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften en verweerschriften in cassatie in de onderhavige zaken zijn inhoudelijk gelijkluidend. De beroepschriften bevatten drie middelen. Middel 1 betoogt dat de levering van de auto geen prestatie onder bezwarende titel is. Middel 2 betoogt dat het verkapt dividend moet worden gerekend tot de vergoeding voor de levering van de auto. Middel 3 betoogt dat sprake is van misbruik van recht.

1.7

Bij deze conclusie en de conclusie die ik gelijktijdig met deze conclusie neem (met zaaknummer 25/00176) gaat een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage). Daarin behandel ik het kader omtrent middel 2 en middel 3. Het betoog dat middel 1 voert, komt alleen in de onderhavige zaken aan de orde, dus wordt in deze conclusie behandeld.

Slotsom

1.8

Betreffende de vraag of de auto’s onder bezwarende titel zijn geleverd (middel 1) kom ik in de onderdelen ‎4.1-‎4.31 van deze conclusie tot de slotsom dat de bestreden oordelen op twee punten blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft namelijk ten eerste niet gemotiveerd op basis waarvan het steeds een rechtstreeks verband tussen de betaalde verkoopprijs en de levering van de auto aanwezig achtte en heeft daarbij mijns inziens ook het arrest Lajvér3 onjuist toegepast (‎4.4). Ten tweede gaat het oordeel dat een motief van belastingbesparing niet afdoet aan het rechtstreeks verband tussen prestatie en vergoeding mijns inziens voorbij aan de arresten Commissie/Finland4en Lajvér. In de onderhavige zaken hebben belanghebbenden ter zitting van het Hof meermaals toegegeven dat uitsluitend het motief belasting te besparen een rol heeft gespeeld bij het bepalen van de vergoeding (‎4.6). In zo’n geval kan het niet anders dan dat de vergoeding in belangrijke mate (in casu zelfs alleen) afhankelijk is van een andere factor dan de waarde van de levering, hetgeen ook zijn weerslag vindt in de hoogte van de vergoeding (‎4.7-‎4.9). Ik concludeer daarom dat de leveringen van de auto’s niet onder bezwarende titel hebben plaatsgevonden. Middel 1 is dus in zoverre terecht voorgesteld.

1.9

Daarmee is de kous nog niet af, omdat niet buiten redelijke twijfel is of art. 3(3)a Wet OB, zoals de Staatssecretaris in wezen betoogt, van toepassing kan zijn in een situatie waarin civielrechtelijk wel een vergoeding voor de levering van een auto is overeengekomen, maar deze vergoeding niet in rechtstreeks verband staat met de levering en die levering dus voor btw-doeleinden niet onder bezwarende titel geschiedt. Specifiek is de vraag of in zo’n geval ‘om niet’ wordt gepresteerd in de zin van art. 3(3)a Wet OB. Indien noodzakelijk voor de beslechting van het geschil, zou mijns inziens een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moeten worden voorgelegd (‎4.11-‎4.31).

1.10

Aangaande het betoog dat middel 2 voert, namelijk of in de onderhavige zaken ook buiten het ontbreken van een bezwarende titel en buiten het ontbreken van misbruik van recht de maatstaf van heffing kan worden aangepast, kom ik in onderdeel 4 van de Bijlage tot de conclusie dat daarvoor geen ruimte is. In dat geval wordt te zeer een inbreuk gemaakt op de subjectieve waarde als beginsel van de Btw-richtlijn, en in het bijzonder het beginsel dat de fiscus uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd, indachtig dat uitzonderingen op deze beginselen strikt moeten worden uitgelegd.

1.11

Betreffende middel 3: in onderdeel 1.9 van de Bijlage heb ik mijn rechtskundige bevindingen omtrent de toepassing van het leerstuk van misbruik van recht in gevallen als de onderhavige weergegeven. In dat onderdeel zijn ook de vindplaatsen weergegeven waarin deze bevindingen verder worden onderbouwd. Ik kom in de onderdelen ‎4.33-‎4.37 van deze conclusie tot de volgende slotsom betreffende het middel. Het betoogt terecht dat een samenstel van transacties (inhoudende een meervoudigheid van handelingen) geen vereiste is om misbruik van recht te kunnen aannemen. Ook betoogt het middel terecht dat, gegeven de feiten die het Hof heeft vastgesteld, het oordeel dat geen sprake is van een dergelijk samenstel onbegrijpelijk is. Het middel slaagt eveneens waar het klaagt over de uitleg van het arrest Weald Leasing door het Hof. Uit dat arrest en (de voorgeschiedenis van) art. 80(1) Btw-richtlijn blijkt dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding wel degelijk kan leiden tot misbruik van recht. De verschillen die het Hof constateert tussen Weald Leasing en de onderhavige zaken zijn onjuist, althans onvoldoende relevant, en hebben in ieder geval niet tot gevolg dat in de onderhavige zaken het hanteren van een lage vergoeding niet kan leiden tot misbruik van recht. Ook kan – voor zover het Hof dat heeft gedaan – uit het arrest Gemeente Woerden I5van de Hoge Raad niet worden afgeleid dat het hanteren van een te lage vergoeding categorisch is uitgesloten als handeling die tot misbruik van recht kan leiden. Zou dat wel uit dat arrest kunnen worden afgeleid, dan geldt dat die rechtsopvatting onjuist is.

1.12

Het Hof is dus bij zijn oordelen dat geen sprake is van misbruik van recht van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Middel 3 is in zoverre terecht voorgesteld. Mijns inziens hoeven de zaken niet te worden verwezen voor feitelijk onderzoek, maar kan de Hoge Raad de zaken afdoen door te oordelen dat sprake is van misbruik van recht. Voor de wijze van redres van het misbruik dient mijns inziens de maatstaf van heffing op de getaxeerde waarde te worden gesteld (‎2.3).

1.13

Wat het objectieve element van misbruik van recht betreft: ik meen dat, gezien Weald Leasing, het bestaan van art. 80(1) Btw-richtlijn en de omtrent art. 80(1) Btw-richtlijn gewezen jurisprudentie, duidelijk is dat lageprijsconstructies als de onderhavige in strijd komen met doel en strekking van de Btw-richtlijn en de Wet OB, en dat deze in casu tot gevolg hebben dat de DGA’s nauwelijks omzetbelasting betalen over de privé-aankoop van hun auto’s, hetgeen leidt tot een (ten opzichte van ‘normale’ consumenten ongerechtvaardigd) omzetbelastingvoordeel.

1.14

Wat het subjectieve element van misbruik van recht betreft: uit het proces-verbaal ter zitting van het Hof (‎4.6) volgt dat de belanghebbende in kwestie bevestigt dat (geëxtrapoleerd naar alle drie zaken) de lage prijzen enkel hun grondslag vinden in een oogmerk van belastingbesparing. Mijns inziens kan daarmee in deze zaken niet worden ontkomen aan de conclusie dat het wezenlijke doel van het hanteren van een lage prijs – het element dat leidt tot doel en strekking met de Btw-richtlijn en de Wet OB – erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.

1.15

Deze conclusie heeft ook tot gevolg dat het wegnemen van de in ‎1.9 en ‎4.31 beschreven redelijke twijfel niet noodzakelijk is om het geschil in de voorliggende zaken te beslechten. Een verzoek aan het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing is bij deze uitkomst dan ook niet aan de orde.

1.16

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris in de onderhavige zaken gegrond te verklaren en de zaken zelf af te doen.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Belanghebbenden hebben op 11 december 2015 (25/00904), 29 december 2015 (25/00898) en 9 juli 2018 (25/00905) respectievelijk ieder één auto aangeschaft. De omzetbelasting ter zake van de aankopen van de auto’s is destijds volledig als voorbelasting teruggevraagd.

2.2

De auto’s werden voor zakelijke en privédoeleinden gebruikt door de directeuren-grootaandeelhouders van belanghebbenden (de DGA’s, per belanghebbende één). Jaarlijks zijn in de laatste aangiften omzetbelasting van het kalenderjaar correcties privégebruik aangegeven voor de auto’s.

2.3

Op 29 december 2020 hebben belanghebbenden de respectievelijke auto’s verkocht aan hun respectievelijke DGA’s. In het kader van de verkopen zijn de auto’s getaxeerd door merkdealers (alle in november-december 2020). De verkoopprijzen (inclusief omzetbelasting en rest-bpm) liggen onder de waarde in het economisch verkeer van de auto’s, zoals in deze tabel weergegeven:

Zaaknummer

Tijdsverloop tussen aan- en verkoop (circa)

Verkoopprijs incl. OB en rest-bpm

Getaxeerde waarde

Verhouding prijs / waarde

25/00898

5 jaren

€ 2.624

€ 29.750

8,8%

25/00904

5 jaren

€ 2.624

€ 25.016

10,5%

25/00905

2,5 jaren

€ 2.597

€ 34.040

7,6%

2.4

Voor het verschil tussen de verkoopprijzen en de taxatiewaarden hebben belanghebbenden en hun DGA’s voor de vennootschapsbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting verkapte dividenden in aanmerking genomen. Hierover is dividendbelasting afgedragen en is ook inkomstenbelasting geheven.

2.5

In de aangiften omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2020 hebben belanghebbenden in verband met de verkoop van de auto’s de getaxeerde waarden aangegeven (exclusief omzetbelasting en rest-bpm) en de daarover berekende omzetbelasting (21%) voldaan. Bij bezwaarschriften tegen de voldoeningen op aangifte hebben belanghebbenden het standpunt ingenomen dat in plaats van de getaxeerde waarden van de overeengekomen verkoopprijzen moet worden uitgegaan.

2.6

Tussen partijen is niet in geschil dat indien belanghebbenden in het gelijk wordt gesteld dit resulteert in teruggaven van omzetbelasting van respectievelijk € 4.707 (25/00898), € 3.886 (25/00904) en € 5.457 (25/00905).

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6

2.7

Voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) was in elke zaak in geschil of sprake is van een levering onder bezwarende titel, of sprake is van misbruik van recht en of het verkapte dividend tot de maatstaf van heffing behoort. De Rechtbank komt in alle zaken tot het oordeel dat voor de maatstaf van heffing van omzetbelasting voor de verkoop van de auto moet worden uitgegaan van het overeengekomen bedrag.

2.8

Zij oordeelt eerst dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de vergoedingen en de leveringen van de auto’s. Het staat namelijk vast dat de vergoedingen uitsluitend worden betaald voor de auto’s. Dat wordt niet anders doordat sprake is van een lage vergoeding die voortkomt uit de aandeelhoudersrelatie. Die omstandigheid brengt immers niet mee dat de hoogte van de bedongen vergoedingen is bepaald op basis van andere factoren die afdoen aan het rechtstreekse verband. De vergoedingen (zijnde de overeengekomen bedragen exclusief de omzetbelasting en bpm) moeten daarom als uitgangspunt worden genomen voor de maatstaf van heffing van omzetbelasting.

2.9

Vervolgens oordeelt de Rechtbank dat geen sprake is van misbruik van recht. Zij overweegt dat het in de onderhavige zaken, anders dan in bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 20127, steeds niet gaat om een samenstel van transacties met een kunstmatig karakter, maar om koop- en verkoopovereenkomsten tussen belanghebbenden en hun DGA’s. Het wezenlijke doel van de transacties is de overdracht van de auto’s aan de DGA’s en dit is feitelijk ook gebeurd. Weliswaar wordt door de lage vergoedingen (mede) beoogd om omzetbelasting te besparen, maar dit is op zichzelf onvoldoende om te concluderen tot misbruik van recht. De Rechtbank weegt bij dit oordeel mee dat art. 80 Btw-richtlijn8 bestaat, welk artikel niet in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd. Deze bepaling zou niet nodig zijn als het enkel bedingen van een te lage vergoeding voor prestaties in gelieerde verhoudingen tot een correctie van de grondslag voor de omzetbelasting zou moeten leiden.

2.10

De Rechtbank oordeelt voorts dat de verkapte dividenduitkeringen niet tot de vergoeding moeten worden gerekend. Het bedrag van het dividend hangt gedeeltelijk af van het toeval en het recht op dividend hangt enkel af van het houden van aandelen. Daarom bestaat tussen het dividend en een prestatie, zelfs indien deze wordt verricht door een aandeelhouder die dit dividend ontvangt, niet het rechtstreeks verband dat noodzakelijk is om het dividend als de tegenprestatie van die prestatie te kunnen aanmerken.9

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10

2.11

Het gerechtshof s-Hertogenbosch (het Hof) stelt voorop dat tussen belanghebbenden en hun DGA’s rechtsbetrekkingen bestaan op grond waarvan over en weer prestaties zijn uitgewisseld. Niet in geschil is dat de in rekening gebrachte verkoopprijzen niet-symbolische, op geld waardeerbare tegenwaarden vormen. Het Hof oordeelt vervolgens dat de verkoopprijzen steeds de werkelijke tegenwaarde vormen voor de leveringen van de auto’s en dus steeds sprake is van een rechtstreeks verband. Vervolgens moet volgens het Hof onderzocht worden of er factoren zijn die afdoen aan het rechtstreeks verband.11 Dat de auto’s tegen een lagere prijs zijn geleverd dan de normale marktprijs doet niet af aan het rechtstreeks verband, en hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat belanghebbenden en hun respectievelijke DGA’s aan elkaar gelieerd zijn. Dat geldt ook in het geval dat belanghebbenden en hun DGA’s bij het vaststellen van de (hoogte van de) vergoeding rekening hebben gehouden met een beoogde besparing van omzetbelasting. Ook die omstandigheid brengt niet mee dat de hoogte van een bedongen vergoeding is bepaald op basis van andere factoren die afdoen aan het rechtstreekse verband.12

2.12

Het Hof gaat niet mee in het betoog van de Inspecteur dat, gelet op de achtergrond van het btw-stelsel, steeds onderzocht moet worden of de prijs van een goed kan worden verklaard uit de objectieve kenmerken, ofwel de aard van het goed. De tegenwaarde in de btw is een subjectieve tegenwaarde, niet zijnde een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde.13

2.13

Het Hof oordeelt vervolgens dat geen sprake is van misbruik van recht. Het Hof stelt voorop dat het leerstuk van misbruik van recht van toepassing kan zijn ook wanneer Nederland een op art. 80 Btw-richtlijn gestoelde bepaling niet in de nationale wet heeft geïntroduceerd om voor situaties als de onderhavige belastingontwijking te voorkomen. Uit die omstandigheid kan namelijk niet a contrario worden afgeleid dat de wetgever dergelijke situaties ook gedoogt en reeds daarom geen ruimte meer zou zijn voor toepassing van het leerstuk van misbruik van recht.14 De wetgever heeft juist afgezien van volledige invoering van art. 80 Btw-richtlijn in de nationale wet omdat hij de invoering ervan niet meer nodig achtte door de ontwikkeling in de jurisprudentie van het leerstuk van het verbod van misbruik van recht.15

2.14

Het Hof overweegt dan dat, om te kunnen spreken van misbruik van recht, sprake moet zijn van een samenstel van transacties. In de onderhavige zaken is evenwel steeds sprake van één transactie, namelijk de levering van een auto. Van een samenstel van transacties of handelingen is geen sprake; de vraag is dan of de lage prijs op zichzelf beschouwd misbruik van recht kan opleveren. Het Hof wijst in dit kader het beroep van de Inspecteur op het arrest Weald Leasing16af. Naar het oordeel van het Hof volgt uit Weald Leasing niet dat een abnormaal lage vergoeding op zichzelf beschouwd misbruik van recht kan opleveren. Een belangrijk verschil tussen de onderhavige zaken en Weald Leasing is dat het laatstgenoemde arrest een structuur betrof waarmee getracht werd de Britse wetsbepaling over toepassing van de normale waarde als maatstaf van heffing in gelieerde verhoudingen te ontwijken. Nederland heeft evenwel er uitdrukkelijk voor gekozen een dergelijke, op art. 80 Btw-richtlijn gestoelde bepaling niet in haar nationale wetgeving op te nemen. Een ander belangrijk verschil met Weald Leasing is dat in die zaak het belastingvoordeel mogelijk werd door het tussenschuiven van een niet-gelieerde vennootschap, terwijl in de onderhavige zaken de lage prijs ter beoordeling staat; van een samenstel van transacties of handelingen om het belastingvoordeel te verkrijgen is volgens het Hof in deze zaken geen sprake.

2.15

De enkele omstandigheid dat de leveringen van de auto’s hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die belangrijk lager was dan de werkelijke waarde van de auto is onvoldoende voor het aannemen van misbruik van recht.17 De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie kunnen dragen dat de door partijen overeengekomen vergoedingen het resultaat zijn van misbruik.18 De afwezigheid van een duidelijk samenstel van transacties en van een zuiver kunstmatige constructie19 duidt er juist op dat in deze gevallen géén situaties aan de orde zijn die onder het leerstuk van misbruik van recht vallen.

2.16

Aangaande de verkapte dividenduitkeringen overweegt het Hof dat het in dit geval op de weg van de Inspecteur ligt om aannemelijk te maken dat een concrete tegenprestatie voor het dividend en daarmee het rechtstreekse verband en een bezwarende titel aanwezig zijn. De enkele omstandigheid dat steeds voor de vennootschapsbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting een verkapt dividend is aangegeven en als zodanig is verwerkt ter grootte van het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om dat rechtstreekse verband te veronderstellen. Aan dat oordeel doet niet af dat de algemene vergadering van aandeelhouders bij de uitkering van dividenden mag beslissen over de bestemming van de winst; daaromtrent is in deze gevallen niets bekend.

3 Het geding in cassatie

3.1

De Staatssecretaris heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft bericht geen gebruik te maken van de mogelijkheid een conclusie van repliek in te dienen.

3.2

De beroepschriften en verweerschriften in cassatie zijn inhoudelijk gelijkluidend. Voor de continuïteit en de leesbaarheid geef ik deze zo nu en dan in het meervoud weer, met dien verstande dat elk beroepschrift en verweerschrift in cassatie steeds in het enkelvoud voor de betreffende zaak is geschreven.

Beroepschriften in cassatie

3.3

De beroepschriften in cassatie bevatten steeds de volgende drie middelen.

3.4

Middel 1 richt zich tegen de oordelen dat in de onderhavige zaken steeds een rechtstreeks verband bestaat tussen de in rekening gebrachte verkoopprijs en de levering van de betrokken auto. Volgens het middel staat buiten kijf dat de hoogte van de prijzen geen enkel verband houdt met de waarden van de auto’s en in zoverre slechts ten dele de leveringen van de auto’s vergoedt.

3.5

Het middel betoogt primair dat het Hof het arrest Lajvér20 verkeerd heeft toegepast door de vraag of de overeengekomen verkoopprijs de daadwerkelijke tegenwaarde vormt, los te beoordelen van de vraag of de verkoopprijs slechts ten dele de verrichte prestatie vergoedt en/of is gebaseerd op andere factoren die afdoen aan het rechtstreeks verband. Daarmee kan de vraag worden beantwoord of de partijen bij de overeenkomst binnen de rechtsbetrekking een subjectieve waardering aan de verrichte prestatie hebben gegeven, die in de bedongen prijs tot uiting komt. De prijs moet dus vanuit het oogpunt van de partijen herleidbaar zijn tot een waardering die zij aan de prestatie geven en kan daarom niet volstrekt losstaan van de objectieve kenmerken van die prestatie. Dat, en niet dat de tegenwaarde een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde dient te zijn, heeft de Inspecteur gesteld voor het Hof. Uitgaande van een juiste toepassing van het arrest Lajvér moet wel worden geconcludeerd dat de verkoopprijzen in belangrijke mate zijn bepaald door de onderlinge verbondenheid van belanghebbenden met hun respectievelijke DGA’s en de opzet om de overeengekomen verkoopprijzen niet te kunnen duiden als symbolische vergoeding. Deze beide laatste factoren geven bij uitstek aan dat in de overeengekomen vergoedingen niet volledig tegenover de leveringen van de auto’s staan, aldus het middel. Er is dus geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de leveringen van de auto’s en de tegenprestatie. In dat geval leidt toepassing van de artt. 3(3)a en 8(3) Wet OB tot de conclusie dat sprake is van met leveringen onder bezwarende titel gelijkgestelde privé-onttrekkingen, waarbij voor de grondslag moet worden aangesloten bij de getaxeerde waarden van de auto’s.

3.6

Indien het Hof van een juiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, betoogt het middel dat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Het Hof heeft de door de Inspecteur aangedragen factoren enkel als algemeenheden beoordeeld, en niet betrokken in een oordeel over de vraag of en waarom de afgesproken verkoopprijzen in de concreet voorliggende zaken toch een subjectieve waardering door partijen van de prestatie inhoudt. Het Hof volstaat met het ongemotiveerde oordeel dat de verkoopprijzen de 'werkelijke tegenwaarde' voor de leveringen van de auto’s zijn, terwijl dat juist de kern van de discussie vormt.

3.7

Middel 2 wordt voorgesteld indien wel sprake zou zijn van leveringen onder bezwarende titel. Het middel betoogt dat bij de in rekening gebrachte prijzen moet worden opgeteld de intrinsieke waardedalingen van de aandelen ter grootte van het verschil tussen de taxatiewaarden c.q. waarden in het economische verkeer van de auto’s en de in rekening gebrachte verkoopprijzen. Ook anders zou in deze omstandigheden de verkapte dividenduitkeringen tot de vergoeding moeten worden gerekend.

3.8

Vanuit de presterende ondernemer beoordeeld houdt het akkoord gaan met de uitzonderlijk lage prijs onlosmakelijk verband met het gegeven dat de DGA de afnemer is, en dat beide partijen dus door dezelfde persoon worden vertegenwoordigd (en denkelijk belanghebbenden alleen daarom instemmen met de lage prijzen). Blijkbaar hebben belanghebbenden met het op deze wijze leveren van de auto’s er veel voor over om de respectievelijke afnemer als DGA te behouden, hetgeen belanghebbenden kennelijk waard is het verschil tussen de taxatiewaarden en de in rekening gebrachte verkoopprijzen, aldus het middel. Volgens het middel volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat, om subjectief te zijn, indien de waarde niet bestaat uit een tussen partijen overeengekomen geldsom, de waarde moet zijn die welke de begunstigde van de dienst die de tegenprestatie voor de goederenlevering vormt, toekent aan de diensten waarvan hij zich wil verzekeren, en moet zij overeenkomen met het bedrag dat hij bereid is daaraan te besteden.21

3.9

Indien belanghebbenden hadden gekozen voor leveringen van de auto’s tegen de actuele waarden aan de DGA’s, gevolgd door formele dividenduitkeringen ter grootte van het verschil tussen die waarden en de huidige in rekening gebrachte prijzen, dan bestaat volgens het middel consensus over de heffing van omzetbelasting. De leveringen van de auto’s zouden dan een btw-relevante prestaties zijn met als maatstaf van heffing de actuele waarden, terwijl de dividenduitkeringen geen relevante btw-prestatie impliceren. Het middel acht het bevreemdend dat het in elkaar schuiven van deze beide handelingen het effect zou sorteren dat slechts omzetbelasting is verschuldigd over een lagere grondslag. Het betoogt dat het te makkelijk is als een dergelijke gevolgtrekking dan zou worden 'weggeschreven' onder het mom van ‘de gekozen weg’. Binnen doel en strekking van de Btw-richtlijn en de Wet OB past volgens het middel niet dat het particuliere eindverbruik nauwelijks wordt belast, hetgeen het geval zou zijn indien in casu zou worden aangesloten bij de lage in rekening gebrachte prijzen waardoor er nog slechts een fractie van de btw op de auto’s drukt.

3.10

Middel 3 richt zich tegen de oordelen dat de onderhavige gevallen niet onder het leerstuk van misbruik van recht vallen, waarbij het Hof overweegt dat geen sprake is van een samenstel van transacties of handelingen en enkel een abnormaal lage vergoeding aan de orde is. Het middel begrijpt de oordelen waar het zich tegen richt aldus dat daarin steeds twee opvattingen besloten liggen, die elk voor zich het eindoordeel zelfstandig dragen. De eerste rechtsopvatting is dat toepassing van het leerstuk misbruik van recht principieel vereist dat sprake is van een samenstel of meervoudigheid van transacties. De tweede rechtsopvatting is dat, zelfs als het leerstuk van toepassing kan zijn op één transactie, het gegeven dat een afgesproken vergoeding lager is dan de werkelijke waarde van de uitgewisselde prestatie op zichzelf bezien geen misbruik van recht kan vormen.

3.11

Betreffende de eerste rechtsopvatting biedt de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen aanknopingspunt voor de opvatting dat het verbod op misbruik van recht zich beperkt tot situaties waarin op de een of andere manier een meervoudigheid in de door partijen verrichte handelingen is te herkennen. Dat een veelheid van economisch verder onverklaarbare handelingen eerder tot het erkennen van kunstmatigheid leidt dan een enkele handeling, is begrijpelijk. Het anderzijds a contrario daarmee categorisch uitsluiten van toepassing van het leerstuk voor enkelvoudige transacties heeft geen grond in het nationale recht of het Unierecht en kan de doeltreffende doorwerking van het verbod op misbruik enkel belemmeren. Dat alleen bij een samenstel van transacties sprake kan zijn van misbruik van recht, is dus onjuist; bovendien is juist wel sprake van een samenstel en motiveert het Hof onvoldoende waarom dat niet het geval zou zijn.

3.12

Betreffende de tweede rechtsopvatting betoogt het middel dat niet duidelijk is waarom het Hof de verschillen met de situatie die ten grondslag lag aan het arrest Weald Leasing relevant acht voor de vraag of een lage vergoeding op zichzelf bezien misbruik op kan leveren. Het Hof van Justitie oordeelt in Weald Leasing juist dat een eventueel misbruik kan schuilen in de contractvoorwaarden van de lease, in het bijzonder als de vastgestelde leasevergoeding abnormaal laag is en niet beantwoordt aan enige economische realiteit, aldus het middel. Ook legt het Hof het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 201522 onjuist uit. De bestreden oordelen klemmen bovendien met art. 80 Btw-richtlijn: als in een lage vergoeding tussen gelieerde partijen op zichzelf nooit misbruik zou kunnen schuilen, is geen enkele op de voet van artikel 80 Btw-richtlijn ingevoerde regel Unierechtelijk houdbaar, aangezien die bepaling alleen toestaat om regels in te voeren die geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn bij het bestrijden van fraude of misbruik. Dit een en ander maakt ook dat de bewijsoordelen die in punt 4.16 van de bestreden uitspraken staan (zie ‎2.15), niet op hun plaats zijn.

3.13

Tot slot verwijst het middel nog naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 december 202423 waarin dat gerechtshof wel misbruik van recht aanwezig achtte. Tegen deze uitspraak is door de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld; de zaak staat bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer 25/00176. Ik neem in die zaak gelijktijdig met de onderhavige zaak conclusie.

Verweerschrift in cassatie

3.14

Betreffende middel 1 verweren belanghebbenden dat het middel het arrest Lajvér te ruim uitlegt. Anders dan in Lajvér is in de onderhavige gevallen steeds sprake van één prestatie waarvoor één vergoeding is bedongen, die ook daadwerkelijk is betaald. Het Hof heeft geen misbruik van recht vastgesteld, zodat de contractuele bepalingen leidend zijn voor de heffing van omzetbelasting.24 Voor het overige onderschrijven belanghebbenden de bestreden oordelen.

3.15

Aangaande middel 2 merken belanghebbenden op dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de als verkapte dividenden aangemerkte bedragen voor andere belastingen en de verkopen van de auto’s. Het Hof heeft de bewijslast dat wel sprake is van een rechtstreeks verband, terecht bij de Inspecteur gelegd. De enkele omstandigheid dat voor andere belastingen verkapte dividenden zijn aangegeven en verwerkt, is onvoldoende om dit rechtstreekse verband te veronderstellen. De hypothese van de Staatssecretaris over een alternatieve route (verkoop tegen taxatiewaarde plus dividenduitkering) is volgens belanghebbenden irrelevant voor de btw-beoordeling van de feitelijk verrichte handelingen.

3.16

Over middel 3 merken belanghebbenden op dat het wezenlijke doel van de transacties niet was gelegen in het verkrijgen van een belastingvoordeel, maar in het voorkomen van de toekomstige stijging van het bijtellingspercentage in de loonbelasting, waardoor het houden van de auto in de vennootschap financieel niet meer aantrekkelijk was. De verkopen van de auto’s aan de DGA’s waren een feitelijk gevolg hiervan en er is geen sprake van zuiver kunstmatige constructies. Hoewel btw-besparing een mede beoogd gevolg kan zijn geweest, is dit op zichzelf onvoldoende voor misbruik van recht. Anders dan het Hof menen belanghebbenden dat wel degelijk van belang is dat de wetgever art. 80 Btw-richtlijn niet in nationale wetgeving heeft omgezet. Niettemin onderschrijven belanghebbenden de uitkomst waartoe het Hof komt.

4 Beoordeling van de middelen

5 Conclusie