Home

Rechtbank Den Haag, 09-01-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1266, 22_7882

Rechtbank Den Haag, 09-01-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1266, 22_7882

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
9 januari 2024
Datum publicatie
6 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:1266
Zaaknummer
22_7882
Relevante informatie
Art. 2.7 Wet IB 2001, Art. 8.1 Wet IB 2001, Art. 8.11 Wet IB 2001, Art. 7.2 Wet IB 2001, Art. 12 Wfsv

Inhoudsindicatie

Het beroep ziet op de hoogte van de arbeidskorting van eiser. Eiser woonde en werkte een deel van het onderhavige belastingjaar in Brunei en was geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is geoordeeld in het Costa Rica-arrest nog steeds heeft te gelden, zodat het buitenlandse inkomen genoten in een periode dat geen sprake is van Nederlandse belastingplicht niet meetelt voor de berekening van de arbeidskorting. Voor de berekening van de arbeidskorting telt het in Brunei genoten loon dus niet mee. De wetswijzigingen van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet IB en de toevoeging van het achttiende lid aan artikel 7.2 van de Wet IB hebben daarin geen verandering gebracht. Het voorgaande geldt ook voor het premiedeel van de arbeidskorting. Beroep gegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 22/7882

(gemachtigde: mr. S.E. van der Vet),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het belastingjaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is € 4 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2022 de aanslag en de belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2023.

Namens eiser is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser woonde en werkte van 1 januari tot 20 februari 2019 in [ plaats buitenland] (de buitenlandse periode). Sinds 20 februari 2019 woont en werkt hij in Nederland (de binnenlandse periode).

2. Over de buitenlandse periode bedraagt eisers genoten loon € 32.435. Over de binnenlandse periode bedraagt zijn genoten loon € 37.500.

3. Eiser geldt niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 van de Wet IB 2001.

4. Eiser is in de binnenlandse periode belasting- en premieplichting in Nederland.

5. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 heeft eiser op basis van zijn in Nederland belastbare inkomen verzocht om een arbeidskorting van € 2.287.

6. In de aanslag IB/PVV over 2019 is op basis van eisers wereldarbeidsinkomen een arbeidskorting van € 1.005 toegekend.

7. Na het indienen van het beroepschrift hebben eiser en zijn partner een nieuwe aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend met een gewijzigde verdeling van hun box 3-inkomen (volledige toerekening aan eiser). Bij brief aan verweerder van 24 januari 2023 heeft eiser verzocht om toepassing van de Wet rechtsherstel box 3, op basis waarvan het box 3-inkomen € 9.268 bedraagt.

Geschil 8. In geschil is de hoogte van de arbeidskorting.

9. Eiser bepleit een arbeidskorting van € 2.865 en stelt daartoe – samengevat – dat de arbeidskorting dient te worden gebaseerd op het Nederlandse arbeidsinkomen. Het in de buitenlandse periode genoten arbeidsinkomen telt volgens eiser niet mee, aangezien dat inkomen niet in de hoedanigheid van binnenlandse of buitenlandse belastingplichtige is genoten. Daarnaast verzoekt eiser om een integrale proceskostenvergoeding en een vergoeding van de immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

10. Volgens verweerder moet worden uitgegaan van het wereldarbeidsinkomen. Ook het in de buitenlandse periode genoten arbeidsinkomen telt volgens hem mee als arbeidsinkomen. Verweerder wijst op een wetswijziging die in 2019 heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de arbeidskorting moet worden verhoogd naar € 1.119 omdat een aangegeven bedrag van € 2.134 kwalificeert als inkomsten uit terbeschikkingstelling en geen arbeidsinkomen vormt. Het beroep is daarom gegrond. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat volgens verweerder geen aanleiding.

11. Niet in geschil is dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op grond van de Wet rechtsherstel box 3 € 9.268 bedraagt, dat dit inkomen als gevolg van de gevraagde gewijzigde verdeling volledig aan eiser wordt toegerekend en dat er € 1.011 aan te verrekenen dividendbelasting is. Verweerder dient de aanslag hiermee in overeenstemming te brengen.

Beoordeling van het geschil

12. De hoogte van de arbeidskorting1 is afhankelijk gesteld van de hoogte van het arbeidsinkomen2. Het begrip arbeidsinkomen is gedefinieerd als het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.

13. In het zogenoemde Costa Rica-arrest3 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het jaar 2015 overwogen dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat het begrip arbeidsinkomen zo moet worden uitgelegd dat daaronder mede moeten worden begrepen inkomsten die door een niet-inwoner van Nederland zijn genoten en die niet in Nederland belastbaar zijn. De Hoge Raad overwoog:

“4.2.2 (...) Indien voor de berekening van de arbeidskorting tevens rekening gehouden moet worden met niet-Nederlands inkomen van personen die niet-inwoner zijn van Nederland en ook niet als zodanig worden gekwalificeerd, kan dit worden gezien als een uitbreiding van het inkomen dat in aanmerking wordt genomen bij de heffing van inkomstenbelasting. Een dergelijke uitbreiding vormt een inbreuk op het hiervoor geschetste uitgangspunt van de wet. Zoals in 4.2.1 is overwogen, blijkt uit de wettekst niet dat die uitbreiding is beoogd maar daaruit blijkt evenmin het tegengestelde. (...)

4.3.

Het voorgaande afwegende, komt de Hoge Raad tot het oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat het begrip arbeidsinkomen in artikel 8.1, lid 1, aanhef en letter e, Wet IB 2001 zo moet worden uitgelegd dat daaronder mede moeten worden begrepen inkomsten die door een niet-inwoner van Nederland zijn genoten en die niet in Nederland belastbaar zijn.”

14. De rechtbank is van oordeel dat – anders dan verweerder bepleit – hetgeen is geoordeeld in het Costa Rica-arrest nog steeds geldt. Het buitenlandse inkomen genoten in een periode dat geen sprake is van Nederlandse belastingplicht telt dus niet mee voor de berekening van de arbeidskorting. De wetswijziging per 1 januari 2019 van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet IB 2001 en de toevoeging van een achttiende lid aan artikel 7.2 van de Wet IB 2001, hebben daarin geen verandering gebracht. Deze wetswijzigingen zien op buitenlandse belastingplichtigen.4 Hieruit kan niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om in de berekening van de arbeidskorting arbeidsinkomen te betrekken uit een periode waarin in het geheel geen sprake is van (binnenlandse- of buitenlandse) belastingplicht voor de Wet IB 2001.

15. Het voorgaande geldt, anders dan verweerder bepleit, ook voor het premiedeel van de arbeidskorting. De hoogte van de heffingskorting voor de premie volksverzekeringen wordt op grond van artikel 12 van de Wet financiering sociale verzekeringen immers afgeleid uit de regels voor de heffingskorting voor de inkomstenbelasting. De verwijzing naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 4 september 20205 kan verweerder niet baten. In die zaak ging het om een (in Duitsland wonende en in Nederland werkende) buitenlandse belasting- en premieplichtige, terwijl eiser enkel in de binnenlandse periode belasting- en premieplichtig in Nederland is.

16. Voor de berekening van de arbeidskorting telt het in [ plaats buitenland] genoten loon dus niet mee. Naar tussen partijen niet in geschil is, heeft eiser in dat geval recht op een arbeidskorting van in totaal € 2.865. De aanslag dient te worden verminderd en de in rekening gebrachte belastingrente dient in overeenstemming hiermee te worden verminderd.

Overschrijding redelijke termijn

17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 20056. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

18. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 16 oktober 2020, zodat tot het doen van deze uitspraak drie jaren en ruim twee maanden zijn verstreken. Daarmee is de redelijke termijn in beginsel met één jaar en ruim twee maanden overschreden.

19. Volgens het hoorverslag van de telefonische hoorzitting van 2 december 2020 heeft de gemachtigde echter verzocht het bezwaarschrift aan te houden totdat er een uitspraak is in de lopende cassatieprocedure. Verweerder heeft in zijn e-mail van 11 januari 2021 geantwoord dat de gemachtigde een uitspraak zal ontvangen wanneer de cassatieprocedure is afgehandeld. Het arrest van de Hoge Raad waarop partijen hebben gewacht is van 17 december 2021. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding de redelijke termijn met een periode van één jaar te verlengen, zodat sprake is van een overschrijding van ruim twee maanden. De vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom vastgesteld op € 500, te vergoeden door verweerder.

20. Gelet op het voorgaande, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.370 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, wegingsfactor 1). Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat verweerder tegen beter weten in heeft geprocedeerd dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit is dan ook niet gebleken.

Beslissing

Rechtsmiddel