Rechtbank Den Haag, 27-08-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16052, 24_4853 24_4854 24_4855ea
Rechtbank Den Haag, 27-08-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16052, 24_4853 24_4854 24_4855ea
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2025
- Datum publicatie
- 4 december 2025
- Zaaknummer
- 24_4853 24_4854 24_4855ea
- Relevante informatie
- Art. 3.90 Wet IB 2001, Art. 27e AWR
Inhoudsindicatie
Eiser heeft voor 2014 en 2015 niet de vereiste aangifte inkomstenbelasting gedaan. Hij doet niet blijken dat de aanslagen IB/PVV en Zvw voor deze jaren naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. De aanslagen zijn gebaseerd op een door de politie opgesteld proces-verbaal van bevindingen, waaraan verweerder heeft ontleend welke uitgaven eiser moet hebben gehad. De aanslagen 2014 en 2015 zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Beroepen die zien op 2014 en 2015 ongegrond.
Voor 2016 speelt geen omkering en verzwaring van de bewijslast. Verweerder maakt het door hem gestelde inkomen niet aannemelijk, De rechtbank vermindert de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016. Beroepen die zien op 2016 gegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/4853, SGR 24/4854, SGR 24/4855, SGR 24/4856, SGR 24/4857 en SGR 24/4858
(gemachtigde: mr. R. Zilver),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014, 2015 en 2016 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 april 2024 de aanslagen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft de volgende zaaknummers toegekend:
|
zaaknummer |
Aanslag |
|
SGR 24/4853 |
Aanslag IB/PVV 2014 |
|
SGR 24/4854 |
Aanslag Zvw 2014 |
|
SGR 24/4855 |
Aanslag IB/PVV 2015 |
|
SGR 24/4856 |
Aanslag Zvw 2015 |
|
SGR 24/4857 |
Aanslag IB/PVV 2016 |
|
SGR 24/4858 |
Aanslag Zvw 2016 |
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2025.
Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en drs. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
-
Eiser stond tot zijn aanhouding in april 2016 op de loonlijst bij de [A B.V.] (A. BV).
-
Verweerder heeft eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015. Eiser is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016.
3. Eiser heeft op 5 juli 2017 voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.662.
4. Eiser heeft op 10 juli 2017 voor het jaar 2015 aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.803.
5. Op 25 september 2014 is onder de naam 26Melogale door de Officier van Justitie van het Landelijk Parket een onderzoek gestart waarbij -onder andere- eiser als verdachte is aangemerkt. In het kader van dit onderzoek is met dagtekening 20 juli 2017 door de politie een proces-verbaal van bevindingen opgesteld waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:
“Samenvatting financieel onderzoek.
Vanwege de financiële aspecten in het onderzoek wordt contra [eiser] een financieel onderzoek ingesteld. Dit proces-verbaal geeft de bevindingen weer met betrekking tot (…) een aantal financiële aspecten uit dat onderzoek waarin wordt ingegaan op de inkomsten uit arbeid van [eiser], dit in relatie tot vastgestelde bezittingen. Hieronder worden de financiële gegevens beschreven waarvan tijdens het onderzoek informatie is gevorderd en verkregen, zoals:
- Bankrekeningen en creditkaart gebruik in Nederland Spanje;
- Bankrekening en creditkaart gebruik in Spanje;
- Bezittingen in Nederland;
- Bezittingen in Spanje.
Daarnaast wordt ingegaan op de vermoedelijk gefingeerde salarisinkomsten van [eiser] en de mogelijke verdiensten uit handel in Blackberry telefoontoestellen, dit in relatie tot het uitgave-patroon en aangetroffen bezittingen onder [eiser].
(…)
Gevorderde gegevens
In het onderzoek zijn gegevens gevorderd van de volgende financiële instellingen
1. De belastingdienst te Utrecht
2. De ABN-Amro bank N.V. te Leeuwarden
3. International Card Services B.V. (ICS) te Diemen
4. Banco de Sabadell S.A. te Spanje.
(…)
Als bruto inkomsten van [eiser] zijn bij de belastingdienst geregistreerd:
Jaar 2012: € 11.157,00
Jaar 2013: € 27.002,00
Jaar 2014: € 28.662,00
Als vermogen (bankrekening) van [eiser] op, 1 januari van onderstaande jaren staat geregistreerd:
Jaar 2012: € 976,00
Jaar 2013: € 1.831,00
Jaar 2014: € 694,00
Uit de gegevens blijkt niet dat [eiser] over aanzienlijke vermogens beschikt in Nederland. Uit die gegevens blijkt ook niet van enige buitenlandse inkomsten uit arbeid of andere bronnen.
(…)
Uit de bankrekening van [eiser] blijkt van salarisinkomsten vanaf 2012 van de werkgever, de rechtspersoon [A. BV]., namelijk:
Jaar 2012 € 8.000,00
Jaar 2013 € 20.027,59
Jaar 2014 € 18.721,61
Jaar 2015 € 16.000,00
Jaar 2016 € 3.790,34 (tot en met de maand maart (…))
(…)
Uit de mutaties in de bankrekening blijkt dat de banktegoeden (salarisinkomsten) grotendeels zijn aan gewend voor de maandelijks terugkerende lasten (…).
Verder komen in de bankmutaties tal van andere bestedingen naar voren zoals onder meer:
- Overschrijvingen naar International Card Services (Visakaart)
- Aankopen van vliegtickets.
In de bankmutaties komen geen opvallend grote kasstortingen, kasopnamen dan wel overboekingen voor. (…)
Bestedingen voor voeding, aankoop, brandstof en verzekering van voertuigen.
Uit de mutaties op de bankrekening blijkt niet van bestedingen ten behoeve van de voeding en versnaperingen, dit behoudens (kleine) bestedingen voor aankopen van Nescafé (vermoedelijke koffiecups).
(…). Gelet op het feit dat geen andere bankrekeningen van [eiser] bekend zijn, wordt vermoed dat deze kosten door [eiser] ‘contant’ zijn voldaan.
Ook blijkt uit de mutaties niet van betaling van nota’s ten behoeve van de aankoop, de brandstof, de verzekering en de motorrijtuigenbelasting (behoudens de [kenteken]) van bij hem in gebruik zijnde voertuigen. Vermoed wordt dat ook deze kosten door [eiser] ‘contant’ zijn voldaan.
(…)
Ad 4. Ontvangen gegevens van de Banco de Sabadell S.A.
Middels een rechtshulpverzoek[Voetnoot: [kenmerknummer] d.d. 17-04-2015] van de officier van justitie is informatie ingewonnen bij financiële instellingen in Spanje. Daaruit is bekend geworden dat [eiser], sedert 24-12-2013, een bankrekening aanhoudt bij de Banco de Sabadell S.A. (…).
Met betrekking tot [de bankrekening], is inzage verkregen in de mutatie op deze bankrekening over de periode van 24-12-2013 tot 07-05-2015.
In de mutaties op de rekening zag ik de volgende ‘contante’ stortingen op die rekening:
24-12-2013 € 300,00 (opening van de rekening)
08-01-2014 € 2.700,00
01-08 201 € 1.100,00
04-08-2014 € 300,00
25-09-2014 € 372,20 (aankoop buitenlandse bankbiljetten)
24-02-2015 € 3.200,00
Totaal: € 7.972,20
(…)
Huur van een appartement in Spanje
Ten tijde van het onderzoek werd bekend dat [eiser] regelmatig verbleef in een appartement in Spanje, aan het adres [adres] te Torremolinos (Spanje)
(…)
Huur appartement in Torremolinos (Spanje)
(…)
Uit de aangetroffen huurovereenkomst blijkt dat [eiser] dit appartement in eerste instantie ingaande 1 februari 2014, voor de periode van 11 maanden heeft gehuurd voor een bedrag van € 650,00 per maand.
Vermoedelijk is de huur voortgezet gezien de feitelijke bewoning van dit appartement door [eiser]. Zo is bij observatie op d.d. 25-05-2015 waargenomen dat [eiser] een meubelzaak bezocht. Later op de dag is gezien dat, in aanwezigheid van [eiser], vanuit een kleine vrachtwagen meubels het appartement zijn binnengedragen.
[Eiser] heeft dit appartement vermoedelijk gedurende de periode vanaf 1 februari 2014 gehuurd.
Als kosten daarvan kunnen berekend worden (27 mnd. x € 650,00) € 17.550,00
In de aangehaalde bankafschriften van de Bamco de Sabadell S.A., komen overigens geen mutaties (vanaf 01-2-2014) naar voren met betrekking tot de huur van een appartement. Vermoedelijk zijn deze huurkosten ‘contant’, betaald door [eiser].
(…)
Bezittingen in Nederland.
Ten tijde van de doorzoeking in de woning van [eiser] aan [adres] te ’s-Gravenhage zijn de volgende vermogensbestanddelen aangetroffen.
- Een geldbedrag van € 12.5000,00
- Een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf (…)
- Een hoeveelheid van 53 telefoontoestellen van het merk Blackberry.
(…)
Ten tijde van het onderzoek is gebleken dat [eiser] de volgende voertuigen in bezit heeft gehad.
- Een personenauto van het merk Audi, type A4, (…)
- Een personenauto van het merk Range Rover, type Evoque, (…)
- Een bromfiets van het merk Piaggio, (…).
(…)
Bezittingen in Spanje.
Bij de doorzoeking in de woning in Spanje zijn onder meer administratieve documenten aangetroffen van [eiser]. Daarbij is in de woning ook een kluis aangetroffen waarin een geldbedrag van in totaal € 56.625,00 is aangetroffen.
(…)
Bij de doorzoeking van de woning zijn 39 telefoontoestellen van het merk Blackberry aangetroffen en in beslag genomen.
Aantreffen voertuigen
Door de Spaanse autoriteiten zijn ten tijde van de doorzoeking onder [eiser] een tweetal voertuigen inbeslaggenomen welk op naam staan geregistreerd van [eiser].
Het betreft:
1) Een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type A180, (…);
2) Een motorscooter van het merk Piaggio, type X7, (…).
(…)
Resume bestedingen/bezittingen versus salarisinkomsten.
Uit het aangehaalde proces-verbaal van witwassen ten aanzien van de hierboven genoemde zaken komt naar voren dat daarmee vermoedelijk de volgende bedragen gemoeid zijn:
Investering Audi A4, (…) € 28.000,00
Aankoop Range Rover, (…) € 37.500,00
Aankoop Volkswagen, type Golf, (…) € 10.000,00
Bezit geldbedrag Nederland € 12.500,00
Aankoop Mercedes-Benz, type A180 CDI (Spanje) € 18.000,00
Aankoop motorscooter (Spanje) € 3.250,00
Huur appartement Spanje (27 mnd x € 650,00 € 17.550,00
Bezit geldbedrag (Spanje) € 56.625,00
Gelet op de hoogte van het salaris van [eiser] zoals hiervoor is aangegeven kunnen deze investeringen en contante bezittingen niet voortkomen uit zijn salarisinkomsten van de werkgever [A. BV]. Het salaris van [eiser] laat daartoe geen ruimte over, waarbij wordt opgemerkt dat er vermoedelijk sprake is van fictieve salarisontvangsten van [eiser], zoals hieronder is beschreven.”
6. Bij brieven van 15 november 2017 heeft verweerder eiser geïnformeerd van zijn voornemen om bij het opleggen van de aanslagen voor de jaren 2014 en 2015 van de ingediende aangiften af te wijken en ook voor het jaar 2016 een aanslag op te leggen. In de brieven, die voor zover hier van belang gelijkluidend zijn is onder meer het volgende opgenomen:
“Op verzoek van de belastingdienst heeft de Officier van Justitie (OvJ) bij het Landelijk Parket te Amsterdam gegevens verstrekt die van belang zijn voor de belastingheffing bij u. De OvJ heeft ermee ingestemd dat wij die gegevens ook gebruiken voor de belastingheffing bij u.
Uit die gegevens is komen vast te staan dat u in ieder geval in de periode 2014 tot en met 2016 activiteiten hebt gehad met het oogmerk daar voordeel mee te halen. (…)
Op basis van de ontvangen informatie heb ik kunnen vaststellen dat u geruime tijd inkomsten geniet uit die activiteiten. In de bij deze brief gevoegde kasopstelling, gebaseerd op uitgaven die u heeft gedaan, constateer ik dat u in de jaren 2014, 2015 en 2016 inkomen moet hebben genoten tot tenminste bedragen van resp. € 50.000, € 60.000 en € 260.000.”
7. Als bijlagen bij de brieven van 15 november 2017 zijn kasopstellingen opgenomen. Volgens deze kasopstellingen bedraagt de negatieve kas van eiser in 2014 € 50.000, in 2015 € 60.000 en in 2016 € 260.000.
8. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000. Daarbij is € 924 aan belastingrente in rekening gebracht.
9. De aanslag ZVW voor het jaar 2014 is opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 21.338. Daarbij is € 109 aan belastingrente in rekening gebracht.
10. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.000. Daarbij is € 1.293 aan belastingrente in rekening gebracht.
11. De aanslag ZVW voor het jaar 2015 is opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 34.222. Daarbij is € 92 aan belastingrente in rekening gebracht.
12. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 260.000. Daarbij is € 2.862 aan belastingrente in rekening gebracht.
13. De aanslag ZVW voor het jaar 2016 is opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 48.290. Daarbij is € 60 aan belastingrente in rekening gebracht.
14. Op 25 juni 2021 is eiser door gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf ter zake van, voor zover hier van belang, het medeplegen van overtreding van de Opiumwet. Hij is door gerechtshof Amsterdam op diezelfde datum tevens veroordeeld tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Beide arresten1 zijn niet gepubliceerd, maar behoren wel tot de stukken van het geding. In het arrest dat ziet op de ontnemingszaak is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Het hof heeft in de strafzaak bewezen verklaard dat [eiser] en [naam derde] in de periode van 22 december 2015 tot en met 19 april 201[6], tezamen en in vereniging, kiloblokken cocaïne hebben verkocht. (…).
Hoeveelheid
[Eiser] en [naam derde] verkochten vanuit de woonwagen van [eiser] kiloblokken cocaïne. In de ten laste gelegde periode hadden zij de beschikking over een partij, (…), van 201 kilo cocaïne. Dit volgt uit een OVC-gesprek van 16 februari 2016 (…) en de notitie in de PGP-telefoon van [eiser] (…). Als gezegd is bewezen verklaard dat (naar moet worden aangenomen) van deze partij 41 kilo cocaïne is verkocht aan de afnemers zoals bewezen verklaard in feit 1 van de onderliggende strafzaak. Uit genoemde OVC-gesprek en PGP-administratie , die in dat opzicht goed op elkaar aansluiten, volgt echter dat van deze partij in totaal 55 kilo cocaïne is verkocht. Het hof gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover het de verkoop betreft, daarom van die hoeveelheid uit.
(…)
Winst per kilo
Uit het OVC-gesprek van 16 februari 2016 kan ook worden afgeleid (…) dat de partij moeilijk verkoopbaar was en de prijs misschien moest worden verlaagd, maar dat [eiser], die kennelijk op een soort commissiebasis werkte, in elk geval € 2.000,00 (per kilo) verdiende. [Eiser] maakte blijkens het gesprek echter ook kosten, te weten € 250,00 (per kilo) voor het rijden (transport) en € 250,00 (per kilo) voor het liggen in huis (opslag). Dit houdt in dat de winst voor [eiser] en [naam derde], gelet op hun samenwerking, per kilo verkochte cocaïne kan worden geschat op (€ 2.000,00 - € 500,00=) € 1.500,00.”
15. Eiser heeft tegen beide arresten van Hof Amsterdam cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 april 20232 de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met een maand verminderd. Bij arrest van eveneens 18 april 20233 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof in de ontnemingszaak vernietigd en de zaak teruggewezen. In dit arrest van de Hoge Raad is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“2.3.1 Het cassatiemiddel bevat allereerst de klacht dat het hof in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gedragingen heeft betrokken waarvan de betrokkene in de strafzaak is vrijgesproken.
Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het bewezenverklaarde feit en op ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene dit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit onder meer verkoop van cocaïne in de periode van 22 december 2015 tot en met 19 april 2016. Daarmee is het hof uitgegaan van de in de strafzaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode. Het hof is er bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel verder van uitgegaan dat de betrokkene en zijn mededader in die periode de beschikking hadden over een partij van 201 kilo cocaïne. Het hof heeft, op grond van een OVC-gesprek en de PGP-administratie, vastgesteld dat de betrokkene en zijn mededader van deze partij in totaal 55 kilo cocaïne hebben verkocht. In de strafzaak is echter ten aanzien van dezelfde partij (het medeplegen van) de verkoop van een hoeveelheid van in totaal 41 kilo bewezenverklaard, waarbij de betrokkene is vrijgesproken van verkoop van de overige in de tenlastelegging aangeduide hoeveelheden, voor zover die het genoemde totaal van 41 kilo te boven gaan. In zoverre heeft het hof bij de beoordeling van de ontnemingsvordering ten onrechte gedragingen betrokken waarvan de betrokkene – partieel – is vrijgesproken (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03
(Geerings/Nederland)). De klacht hierover slaagt.
Het cassatiemiddel klaagt verder dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd voor zover dat voordeel zou zijn verkregen uit (het medeplegen van) het aanwezig hebben van cocaïne.
Het hof heeft op grond van dezelfde bewezenverklaring in de strafzaak geoordeeld dat de betrokkene, tezamen met een ander, een hoeveelheid van 146 kilo cocaïne aanwezig heeft gehad en dat de betrokkene daarmee wederrechtelijk voordeel heeft verkregen omdat deze een bepaalde waarde vertegenwoordigde. Dat oordeel is echter niet begrijpelijk, nu uit de enkele omstandigheid dat de betrokkene is veroordeeld voor (het medeplegen van) het aanwezig hebben van cocaïne niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij uit dat feit
wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De klacht hierover slaagt.”
Geschil
16. In geschil is of de aanslagen naar juiste bedragen zijn opgelegd.
17. Eiser stelt dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Volgens eiser dienen voor de jaren 2014 en 2015 de aangiften IB/PVV te worden gevolgd en moet voor 2016 worden aangesloten bij het bewezenverklaarde.
18. Verweerder stelt dat voor de jaren 2014 en 2015 niet de vereiste aangifte zijn gedaan, dat het daarom aan eiser is om te bewijzen dat de aanslagen te hoog zijn en dat eiser daarin niet is geslaagd. Voor het jaar 2016 stelt verweerder de aanslag niet naar een te hoog bedrag te hebben opgelegd.
Beoordeling van het geschil
De jaren 2014 en 2015
19. Op grond van artikel 27e, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust had moeten zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.4
20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar de strafrechtelijke veroordeling van eiser en naar bovengenoemde kasopstellingen waaruit volgt dat eiser in 2014 en 2015 meer uitgaven heeft gedaan dan dat hij aan aangegeven inkomsten heeft genoten.
Eiser betwist dat de gecorrigeerde bedragen door hem zijn genoten. Subsidiair stelt hij dat de voor omkering en verzwaring van de bewijslast vereiste bewustheid van het doen van een onjuiste aangifte ontbreekt nu hij zich niet realiseerde dat ook crimineel verkregen voordeel als inkomsten belast zijn.
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de kasopstellingen en de verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 en 2015 een zodanig inkomen heeft genoten dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting absoluut en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de belasting die ten minste werkelijk verschuldigd is. Ook als de in het proces-verbaal opgenomen vermoedens buiten beschouwing worden gelaten is sprake van zodanige uitgaven van eiser dat zij niet uit het door hem verantwoorde inkomen kunnen worden verklaard. Dat is reeds het geval als alleen al de uit het proces-verbaal van bevindingen blijkende woonlasten van eiser in Spanje en de uitgaven die eiser moet hebben gedaan ten behoeve van de voertuigen die hij in gebruik had in aanmerking worden genomen. De stelling van eiser dat een derde zijn woonlasten in Spanje heeft voldaan, vraagt om een onderbouwing maar die is door eiser niet gegeven. De rechtbank gaat daarom aan die stelling voorbij als onaannemelijk. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van eiser, als ongeloofwaardig, dat hij zich niet ervan bewust was dat het voordeel uit de handel in cocaïne een belastbare bate vormt.
22. Gelet op het voorgaande heeft eiser voor de jaren 2014 en 2015 niet de vereiste aangifte gedaan. Dit betekent dat de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar in stand blijven, tenzij eiser doet blijken dat die aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd.
23. Eiser heeft niets naar voren gebracht ten bewijze dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd, maar heeft zich beperkt tot de blote ontkenning de daarin begrepen inkomsten te hebben genoten. Daarmee heeft hij niet doen blijken dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd.
24. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat aanslagen niet naar willekeur mogen worden vastgesteld, maar moeten berusten op een redelijke schatting. Bij die beoordeling dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een belastingaanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.5 De inspecteur moet daarom op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de belastingaanslagen redelijk en dus niet willekeurig is.
25. Verweerder heeft zich gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen, waaraan hij heeft ontleend welke uitgaven eiser moet hebben gehad. Door daarbij aan te sluiten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank een redelijke schatting van het inkomen gemaakt. Bij dit oordeel weegt de rechtbank mee dat de beoordeling of een schatting redelijk is, een minder strenge toets behelst dan of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag niet in zijn aangifte heeft verantwoord.6 Hier komt bij dat de door verweerder geschatte inkomens ruim beneden de bedragen liggen die worden verkregen bij extrapolatie van de inkomsten die eiser in het eerste kwartaal van 2016 uit de handel in cocaïne heeft behaald (zie r.o. 29 hierna).
26. Uit het voorgaande volgt dat aan de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 en 2015 niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd.
Het jaar 2016
27. Aangezien eiser niet is uitgenodigd voor het jaar 2016 aangifte te doen, is ter zake van de aanslag voor dat jaar omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde. Daarmee is het aan verweerder om het door hem in de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 begrepen inkomen aannemelijk te maken.
27. Verweerder heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 gebaseerd op een kasopstelling. Anders dan bij de kasopstellingen die verweerder voor de jaren 2014 en 2015 heeft opgesteld, heeft hij zich daarbij niet beperkt tot de bedragen waarvan aannemelijk is dat eiser ze in 2016 heeft uitgeven. Verweerder heeft namelijk ook alle contanten en de waarde van de zaken die bij eiser zijn aangetroffen tot het inkomen van 2016 gerekend. Nu er geen basis is voor de veronderstelling dat eiser die contanten en zaken in 2016 en niet eerder heeft verworven, heeft verweerder niet het door hem gestelde inkomen aannemelijk gemaakt.
29. In de in r.o. 15 hiervoor genoemde arresten heeft het gerechtshof Amsterdam vastgesteld, welke vaststelling in cassatie niet is aangetast, dat eiser in de eerste drie maanden van 2016 met zijn medepleger 41 kilo cocaïne heeft verkocht en dat hen dat, na aftrek van kosten, € 61.500 heeft opgeleverd. Daarnaar ter zitting gevraagd heeft de gemachtigde verklaard niet te betwisten dat eiser in het eerste kwartaal van 2016 de helft van dat bedrag, ofwel € 30.750, aan inkomen uit de handel in cocaïne genoten heeft. De rechtbank zal de aanslag Zvw voor het jaar 2016 dienovereenkomstig verminderen.
30. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dienen de bij de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 gegeven rentebeschikkingen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen.
31. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen die zien op de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 en 2015 ongegrond te worden verklaard en dienen de beroepen die zien op 2016 gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten waarbij de beroepen SGR 24/4857 en SGR 24/4858 worden aangemerkt als samenhangende zaken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1 omdat sprake is van minder dan vier samenhangende zaken).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen SGR 24/4853, SGR 24/4854, SGR 24/4855 en SGR 24/4856 ongegrond;
- verklaart het beroepen SGR 24/4857 en SGR 24/4858 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar die zien op de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016;
- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen ut werk en woning van € 30.750 en vermindert de aanslag Zvw voor het jaar 2016 dienovereenkomstig;
- vermindert de aan eiser bij de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.461;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: