Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26384, AWB - 22 _ 7894
Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26384, AWB - 22 _ 7894
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 19 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26384
- Zaaknummer
- AWB - 22 _ 7894
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de door haar geclaimde aftrek van voorbelasting niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft verweerder terecht correcties voor privégebruik auto aangebracht en heeft hij terecht de omzet voor 2018 en 2019 gecorrigeerd. De verzuimboete voor 2015 wordt ambtshalve verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De verzuimboete voor 2016-2019 vervalt op grond van het nader standpunt vanverweerder.
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 22/78941, SGR 22/7895, SGR 22/7896, SGR 22/7897, SGR 22/7899, SGR 22/7904 en SGR 22/7905
en
en
Procesverloop
Met dagtekening 30 december 2020 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 (naheffingsaanslag 2015) opgelegd, alsmede een verzuimboete van 10% van de nageheven belasting. Ook is aan eiseres belastingrente in rekening gebracht.
Met dagtekening 26 juni 2021 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 (naheffingsaanslag 2016 - 2019) opgelegd, alsmede een verzuimboete van 10% van de nageheven belasting. Ook bij deze naheffingsaanslag is belastingrente aan eiseres in rekening gebracht.
Verder heeft verweerder bij beschikkingen van 25 juni 2021 de verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting voor het tweede en derde kwartaal van 2018 en het eerste tot en met derde kwartaal van 2019 afgewezen (de beschikkingen).
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 november 2022 de beschikkingen gehandhaafd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 december 2022 de naheffingsaanslag 2015, de daarbij opgelegde verzuimboete en de in rekening gebrachte belastingrente gehandhaafd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 december 2022 de naheffingsaanslag
2016 - 2019 en de daarbij opgelegde verzuimboete en de in rekening gebrachte belastingrente verminderd.
Eiseres heeft tegen alle uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Eiseres heeft bij brief van 17 oktober 2025 verzocht om uitstel van de zitting. Zij heeft als reden opgegeven dat zij pas door middel van een brief van de rechtbank van 15 oktober 2025, waarin wordt verzocht om toezending van uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK), en telefonisch contact met de griffie van de rechtbank bekend is geworden met de geplande zittingsdatum van 28 oktober 2025.
De rechtbank heeft het verzoek om uitstel bij brief van 21 oktober 2025 afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat met dagtekening van 5 september 2025 schriftelijke vooraankondiging van de zitting aan eiseres aan het adres [adres 1] te [plaats] is verzonden. [adres 1] te [plaats] is het adres dat eiseres heeft opgegeven bij het indienen van het beroepschrift en het adres waar eiseres volgens de inschrijving bij de KvK is gevestigd. Eiseres is derhalve tijdig op de hoogte gesteld van de zittingsdatum. Dat de uitnodiging voor de zitting - die op 19 september 2025 per aangetekende post is verzonden - niet op de afhaallocatie is afgehaald en daarom op 9 oktober 2025 door de rechtbank retour is ontvangen, maakt dat niet anders. Bovendien is deze uitnodiging nog diezelfde dag per gewone post verzonden naar eiseres op voormeld adres.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025.
Namens eiseres is [naam 1] verschenen. Namens verweerder zijn mr. [naam 2] en mr. [naam 3] verschenen.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Haar activiteiten bestaan volgens het handelsregister van de KvK uit: ‘Groot- en kleinhandel in elektronische en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen, winkels in telecommunicatieapparatuur en overige specialistische zakelijke dienstverlening.’. [bedrijfsnaam] B.V. (O) is de 100% aandeelhouder van eiseres.
2. Eiseres heeft in de onderhavige jaren per kwartaal aangifte gedaan voor de omzetbelasting.
3. Op 18 december 2018 is een boekenonderzoek aangekondigd. Aanvankelijk zag het boekenonderzoek op de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018. Het boekenonderzoek is later uitgebreid tot en met 31 december 2019.
4. Ter voorbereiding van het boekenonderzoek is eiseres verzocht om de jaarstukken, auditfile en bankbescheiden over de betreffende jaren te verstrekken. De gegevens over de jaren 2015 tot en met 2017 en de bankafschriften van het jaar 2018 zijn ontvangen door verweerder op 1 maart 2019. De overige gegevens over het jaar 2018 konden toen nog niet worden verstrekt omdat de boekhouding over dat jaar nog niet was verwerkt. De jaarstukken 2018 zijn op 21 februari 2020 ontvangen en de auditfile over het jaar 2018 is ontvangen op 9 maart 2020. Op 20 januari 2020 zijn de bankafschriften van het jaar 2019 ontvangen De auditfile en jaarstukken voor het jaar 2019 zijn nooit ontvangen.
5. Het rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 19 april 2021. Voor zover van belang is in het rapport het volgende vermeld:
“3 Omzetbelasting
Ontvangen cijfers aangiften, boekhouding en jaarstukken
Over het tijdvak 1 januari 2015 t/m 31 december 2019 zijn kwartaalaangiften omzetbelasting ingediend.
De ontvangen boekhouding sluit niet aan bij de opgemaakte en ingediende aangiften
omzetbelasting. Tijdens het onderzoek, op 1 maart 2019, heeft mevrouw (...) suppletie aangiften ingediend over de jaren 2015 t/m 2017. Deze suppletie aangiften zijn, gelet op het ontvangen tijdstip, niet meer te kwalificeren als vrijwillige verbetering in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De suppletieberekeningen over de jaren 2015 en 2017 wijken af van de cijfers in de auditfile over die jaren. De suppletieberekening over het jaar 2016 sluit aan bij de boekhouding over dat jaar.
De suppletie aangifte over het jaar 2016, een terug te vragen bedrag van € 294, is administratief door de Belastingdienst afgedaan en terugbetaald.
De boekhouding en jaarstukken over het jaar 2019 heb ik niet ontvangen. In de (op 9 februari 2021 ingediende) aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2019 wordt een omzet aangeven van € 20.000.
(...)
Over het jaar 2015 is eerder tijdens dit onderzoek al een naheffingsaanslag opgelegd.
Over de jaren 2017 en 2018 is er een verschil tussen het bedrag dat op aangiften is voldaan en het bedrag dat volgens de auditfile op aangifte had moeten worden voldaan.
Omdat ik uit ga van de cijfers in de auditfile zal ik deze verschillen corrigeren.
(...)
De negatieve aangiften omzetbelasting over het 2e (- € 670) en 3e kwartaal (-€ 856) van 2018, samen een bedrag van - € 1.526 zijn nog in behandeling bij de Belastingdienst. Deze bedragen zijn echter al opgenomen in de auditfile. Door bovenstaande negatieve aansluit-correctie over 2018 houd ik al rekening met deze aangiften.
Om dubbeltelling te voorkomen zal inzake de negatieve aangiften omzetbelasting over het 2e en 3e kwartaal van 2018 een afwijzende beschikking worden verzonden.
De negatieve aangiften omzetbelasting over het 1e (-€ 317), 2e (- € 1.311) en 3e kwartaal (-€ 14) van 2019, samen een bedrag van - € 1.642 zijn nog in behandeling bij de Belastingdienst.
Omdat over het jaar 2019 geen informatie is ontvangen wordt op deze negatieve aangiften afwijzend beschikt.
(...)
Activiteiten, aangegeven omzet en verschuldigde omzetbelasting
Uit de ontvangen auditfiles blijkt dat de omzet voornamelijk wordt behaald met het doorberekenen van kosten aan een andere groepsmaatschappij. Hierover heb ik op 29 april 2020 de volgende vragen gesteld waarbij ik ook het antwoord van belastingplichtige van 19 augustus 2020 zal vermelden:
Vraag: "Uit de auditfiles blijkt dat er kosten worden doorberekend (omzet doorbelaste kosten)
- Aan wie zijn deze kosten doorberekend?
- Hoe is de hoogte van deze doorberekening bepaald ? is er rekening gehouden
met een winstopslag ?
- Graag ontvang ik de betreffende omzetfacturen over 2014 t/m 2019 met de
onderliggende specificaties (welke kosten zijn doorberekend).”
Antwoord: "Deze vragen zijn niet relevant voorde aanvaardbaarheid van de aangiftes omzetbelasting. Deze vragen zullen we daarom ook niet beantwoorden. ”
Gang van zaken geldstromen en boekingen hiervan
Vanaf de start van de onderneming in 2014 worden er geregeld (ongeveer maandelijks) geldbedragen gestort op de bankrekening van [eiseres] door [O] , de 100% aandeelhouder. De omschrijving hierbij is "Lening" waarbij de datum van betaling wordt vermeld. Volgens de jaarrekening 2017 wordt er 5% rente berekend.
[Eiseres] heeft zelf geen startkapitaal. Het gestorte aandelenkapitaal bedraagt € 1.
Vanaf het jaar 2014 zijn de volgende bedragen ontvangen van [O]:
Betaald Ontvangen Berekende rente Eindsaldo
Jaar
2014 €2.400
2015 16.700 € 537 €19.637
2016 16.400 1.391 37.428
2017 42.300 2.929 82.657
2018 € 17 60.800 4.532 € 147.972
Totaal rente € 9.389
Er zijn nooit bedragen terugbetaald.
In de jaarstukken wordt het eindsaldo van deze geldlening als volgt vermeld:
2015 geen vermelding
2016 geen vermelding
2017 € 82.657
2018 € 147.972
In de jaarstukken 2015 en 2016 zijn de saldi van de rekening-courant schuld aan[O] verrekend met de "vordering op handelsdebiteuren” die in de jaarstukken staat vermeld.
Omzet doorbelaste kosten en debiteuren
[O] is dus ook een debiteur aan wie kosten worden doorberekend.
[O] betaalt maandelijks een voorschot van deze kosten.
In 2015 en 2016 zijn de volgende bedragen doorberekend en geboekt:
2015 € 25.000 omzet plus € 5.250 BTW is € 30.250
2016 € 25.000 omzet plus € 5.250 BTW is € 30.250
Omdat deze doorberekening per jaar slechts 1 boeking is ga ik ervan uit dat er alleen aan [O] kosten worden doorberekend.
In 2017 is een bedrag van € 35.000 omzet plus € 7.350 BTW is € 42.350 doorberekend en geboekt.
In de jaarstukken 2017 staat het volgende vermeld over het saldo debiteuren:
Saldo 2017 € 102.812
Saldo 2016 € 22.996
"Het saldo debiteuren omvat een saldo van € 102.850 (2016: € 23.072) te vorderen van groepsmaatschappijen."
Het saldo in 2017 van € 102.850 bestaat uit de doorberekende kosten en omzetbelasting aan [O] over de jaren 2015 t/m 2017:
2015 € 30.250
2016 30.250
2017 42.350
Totaal € 102.850
Dit debiteurensaldo is niet juist. De van [O] ontvangen bedragen zijn geen leningen maar vooruitbetalingen.
[O] heeft in voorgaande jaren t/m 2018 al voorschotten betaald van in totaal € 147.972. De in 2017 en 2018 ontvangen bedragen hadden in de jaarstukken 2017 en 2018 (net als in de jaarstukken 2015 en 2016) met elkaar verrekend moeten worden.
In 2018 is er een bedrag van € 50.000 aan omzet doorbelaste kosten geboekt. Hierbij is GEEN verschuldigde omzetbelasting geboekt. Het bedrag van € 50.000 is NIET op debiteuren geboekt maar op grootboekrekeningnummer 1420 "Nog te ontvangen posten". In de jaarstukken is dit bedrag omschreven als "nog te factureren".
Deze gang van zaken is niet juist.
Bij vooruitbetaling is de omzetbelasting verschuldigd in het tijdvak van ontvangst van de vooruitbetaling. In 2018 zijn er, net als in de voorgaande jaren, maandelijks bedragen als voorschot ontvangen van [O] Zoals onder punt 3.2.1. vermeld is er gedurende het jaar 2018 in totaal een bedrag van € 60.800 ontvangen.
Dit bedrag moet gezien worden als vooruitbetaling en had op het moment van ontvangst (maandelijks) gefactureerd moeten worden. De verschuldigde omzetbelasting over deze ontvangst bereken ik op
€ 60.800 x 21/121 = € 10.552.
De correctie journaalpost 2018 is:
Debiteuren € 60.800
Aan: grbknr 1420 Nog te ontvangen posten € 50.000
Aan: omzet doorbelaste kosten 248
Aan: verschuldigde omzetbelasting € 10.552
Correctie omzetbelasting:
Meer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 10.552
(...)
Over het jaar 2019 heb ik alleen bankafschriften van de SNS bank, rekening (...) ontvangen. Verder is op 9 februari 2021 de aangifte vennootschapsbelasting van het jaar 2019 ingediend.
De in deze aangifte vermelde jaarcijfers lijken te zijn geschat. Er wordt een omzet aangegeven van € 20.000.
Vanaf het jaar 2015 worden er namelijk steeds twee aangiften vennootschapsbelasting per jaar ingediend. De eerste wordt door belastingplichtige zelf opgemaakt en ingediend en is een schatting en/of is gebaseerd op de boekhouding vóór controle door de externe boekhouder die daarna pas de jaarstukken opmaakt. De tweede aangifte wordt door de externe boekhouder opgemaakt en ingediend als de jaarstukken zijn opgemaakt.
Deze gang van zaken is niet toegestaan. Een aangifte moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden opgemaakt en ingediend (artikel 8 AWR).
Op de betreffende SNS bankrekening zijn in 2019 de volgende geldbedragen ontvangen, afkomstig van bankrekening [...] op naam van (...) (dit is de oude naam van [O]):
Datum Omschrijving Bedrag
7-3-2019 Lening 07-03-2019 €1.000
(...) (...) (...)
Totaal €58.700
De terugbetalingen op 2 augustus en 31 oktober zijn gedaan op dezelfde dag dat er dergelijke bedragen ontvangen zijn voor derden. Zo is er op 2 augustus 2019 een bedrag van € 15.644 ontvangen inzake een teruggaaf omzetbelasting over het 3e kwartaal 2018 t.n.v. [2] B.V. en op 31 oktober 2019 een bedrag van € 6.325,50 inzake "waarborgsom [adres 2] ". Deze bedragen zijn zo te zien voor andere lichamen binnen het concern ontvangen maar zijn overgemaakt naar [O] onder de vermelding "terugbetaling lening". Hoe een en ander in de boekhouding is verwerkt is mij niet bekend.
Of ik dus moet uitgaan van een ontvangen bedrag van € 58.700 of 78.700 is niet helemaal duidelijk geworden.
Voorzichtigheidshalve zal ik bij het opleggen van de correctie uitgaan van het laagste bedrag van € 58.700.
Dit bedrag moet gezien worden als vooruitbetaling en had op het moment van ontvangst (maandelijks) gefactureerd moeten worden.
De omzet doorbelaste kosten over het jaar 2019 bedraagt € 58.700 x 100/121 = € 48.512.
De verschuldigde omzetbelasting bedraagt € 48.512 x 21% = € 10.188
In de aangiften omzetbelasting over het jaar 2019 is per saldo een bedrag aan
verschuldigde omzetbelasting aangegeven van € 882.
Correctie omzetbelasting:
Meer verschuldigde omzetbelasting 2019 €10.188 min € 882 is € 9.306.
(...)
Crediteuren
In mijn brief van 29 april 2020 heb ik de crediteurenlijst over het jaar 2018 en 2019 opgevraagd. Ik heb deze stukken niet ontvangen.
Uit het grootboek Crediteuren in de audtifile 2018 blijkt dat er eind 2018 een aantal facturen niet binnen maximaal 1 jaar (tot 1 januari 2017 was dit 2 jaar) na de uiterste betaaldatum van de factuur zijn betaald. Het betreft de volgende boekingen:
l) Aankoop domeinnamen 2014
(...)
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij de betreffende facturen toe te sturen. Deze heb ik niet ontvangen. Verder kan de voorbelasting van een factuur uit 2014 niet in de aangifte omzetbelasting over het jaar 2015 worden geclaimd. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2015 is het bedrag aan voorbelasting van € 5.250 van deze boeking dan ook niet verleend. Indien de voorbelasting wel was verleend had het bedrag in 2016 (maximaal 2 jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur) weer als verschuldigd aangegeven moeten worden omdat het bedrag niet is betaald.
2) Aankoop en financiering Mercedes-Benz 2016
(...)
3) Investering in domeinnamen 2016
(...)
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij de betreffende factuur toe te sturen. Deze heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik deze voorbelasting in het jaar 2016 corrigeren (zie hierna onder punt 3.3.3)
Indien de aftrek van voorbelasting in het jaar 2016 wel terecht zou zijn geclaimd, is er in 2017 sprake van het niet, binnen maximaal 1 jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur, betalen van de factuur en zou de geclaimde voorbelasting weer verschuldigd zijn geworden.
4) Crediteur [H] B.V.
Diverse factureren inzake de geactiveerde verbouwingskosten in 2017 zijn eind 2018 nog niet betaald. Dit is een bedrag van in totaal € 34.261,59 plus BTW € 7.194,93, per saldo een crediteurenbedrag van € 41.456,52.
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij alle facturen inzake de in 2017 geactiveerde verbouwingskosten van € 46.588 toe te sturen. Deze heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik de geclaimde voorbelasting op de verbouwingskosten in het jaar 2017 corrigeren (zie hierna onder punt 3.3.1).
Indien de aftrek van voorbelasting in het jaar 2017 wel terecht zou zijn geclaimd, is er in 2018 sprake van het niet, binnen maximaal 1 jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur, betalen van de facturen en zou de geclaimde voorbelasting weer verschuldigd zijn geworden.
5) factuur accountantskosten
(...)
In 2018 is er sprake van het niet, binnen maximaal 1 jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur, betalen van deze factuur en is de geclaimde voorbelasting weer verschuldigd.
Correctie omzetbelasting:
Meer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 504
6) factuur huurkosten
(...)
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij het huurcontract toe te sturen. Dit heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik de geboekte voorbelasting van € 3.780 in het jaar 2017 corrigeren (zie hierna onder punt 3.3.4).
Indien de aftrek van voorbelasting in het jaar 2017 wel terecht zou zijn geclaimd, is er in 2018 sprake van het niet, binnen maximaal 1 jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur, betalen van de factuur en zou de geclaimde voorbelasting weer verschuldigd zijn geworden.
Voorbelasting
Over een aantal investeringen en kosten heb ik in mijn brief van 29 april 2020 de facturen opgevraagd. Voor zover ik deze niet heb ontvangen, corrigeer ik de geboekte voorbelasting.
Bij de beoordeling van deze voorbelasting houd ik de volgorde van de Saldibalans aan.
Grootboekrekening 0030 Verbouwingen
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij alle facturen inzake de geactiveerde verbouwingskosten in 2017 van € 46.588 toe te sturen. Deze heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik de geclaimde voorbelasting op de verbouwingskosten in het jaar 2017 corrigeren
Correctie omzetbelasting:
Minder voorbelasting 2017 € 46.588 x 21% = € 9.783
Grootboekrekening 0125 Computers
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij de facturen inzake de in 2017 gedane investering in computers van € 1.064 toe te sturen. Deze heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik de geclaimde voorbelasting op deze aanschaffingen in het jaar 2017 corrigeren.
Correctie omzetbelasting:
Minder voorbelasting 2017 € 1.064 x 21% = € 223
Grootboekrekening 0315 Domeinnamen
Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij de facturen inzake de in 2016 gedane investering in domeinnamen toe te sturen. Deze heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik de geclaimde voorbelasting op deze aanschaffingen in het jaar 2016 corrigeren.
Correctie Omzetbelasting:
Minder voorbelasting 2016 € 3.150
Grootboekrekening 4100 betaalde huur
In het jaar 2017 is een bedrag van € 18.000 aan huurkosten geboekt. Hierbij is een bedrag van € 3.780 als voorbelasting geboekt. Op 29 april 2020 heb ik belastingplichtige gevraagd mij het huurcontract toe te sturen. Dit contract heb ik niet ontvangen. Omdat ik zo niet kan nagaan of er terecht voorbelasting is geclaimd zal ik de geclaimde voorbelasting op de huurkosten in het jaar 2017 corrigeren.
Correctie Omzetbelasting:
Minder voorbelasting 2017 € 3.780
Privé gebruik auto
Op 29 april 2020 heb ik over het jaar 2016 belastingplichtige de volgende vragen gesteld waar ik geen antwoord op heb ontvangen:
"Er is een personenauto van het merk Mercedes aangeschaft. De voorbelasting over de aanschaf is teruggevraagd. Graag ontvang ik de betreffende aankoopfactuur. Aan wie staat deze auto ter beschikking en waar wordt de auto voor gebruikt ? Graag ontvang ik de kilometeradministratie. Deze vragen ook graag beantwoorden voor de jaren 2017, 2018 en 2019."
Het betreft de aanschaf op 30 december 2016 van de personenauto Mercedes A 160 met kenteken
[kenteken] .
Omdat ik geen antwoord op mijn vragen heb ontvangen ga ik ervan uit dat er sprake is van privé gebruik. Belastingplichtige heeft door het niet verstrekken van de gevraagde informatie niet aannemelijk gemaakt dat de aangeschafte personenauto uitsluitend is aangewend voor het verrichten van belaste handelingen. Het privé gebruik van de Mercedes bereken ik op 2,7% x de cataloguswaarde van € 34.726 is € 937 per jaar.
De volgende correcties worden opgelegd:
Meer verschuldigde omzetbelasting:
2017 € 937
2018 937
2019 937
Totaal €2.811
Op te leggen correcties
Correcties 2015
Omzetbelasting:
De naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2015 is tijdens het onderzoek reeds opgelegd. De alsnog verschuldigde belasting van € 4.362 bestaat uit het aansluitverschil van € 4.312 (zie punt 3.1) en een correctie van € 50 (zie punt 1.3.1).
Vennootschapsbelasting
(...)
Correcties 2016
Omzetbelasting:
Punt 3.3.3 minder voorbelasting domeinnamen € 3.150
Vennootschapsbelasting
(...)
Correcties 2017
Omzetbelasting:
Punt 3.1 aansluitverschil -€7.323
Punt 3.3.1 minder voorbelasting verbouwingskosten 9.783
Punt 3.3.2 minder voorbelasting computers 223
Punt 3.3.4 minder voorbelasting huurkosten 3.780
Punt 3.3.5 correctie privé gebruik auto 937
Totaal € 7.400
Vennootschapsbelasting
(...)
Correcties 2018
Omzetbelasting:
Punt 3.1 aansluitverschil -€ 2.020
Punt 3.2.2 meer verschuldigde OB (over omzet) 10.552
Punt 3.2.5 meer verschuldigde OB (oude crediteur) 504
Punt 3.3.5 correctie privé gebruik auto 937
Totaal € 9.973
Afwijzende beschikkingen (punt 3.1):
2e kwartaal 2018 € 670
3e kwartaal 2018 856
Totaal € 1.526
Vennootschapsbelasting
(...)
Correcties 2019
Omzetbelasting:
Punt 3.2.2 meer verschuldigde OB (over omzet) € 9.306
Punt 3.3.5 correctie privé gebruik auto 937
Totaal € 10.243
Afwijzende beschikkingen (punt 3.1):
1e kwartaal 2019 € 317
2e kwartaal 2019 1.311
3e kwartaal 2019 14
Totaal € 1.642
Vennootschapsbelasting
(...)
Totaalbedrag correcties omzetbelasting
Het totaalbedrag van de naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 2016 tot en
met 2019 bedraagt:
2016 € 3.150
2017 7.400
2018 9.973
2019 10.243
Totaal € 30.766
Ook zullen er afwijzende beschikkingen worden verzonden inzake de aangiften over
het 2e en 3e kwartaal 2018 en het 1e t/m het 3e kwartaal 2019.
4 Naheffing omzetbelasting en boete
Naheffing omzetbelasting
Over het jaar 2016, 2017, 2018 en 2019 wordt een naheffingsaanslag van € 30.766
opgelegd.
De naheffing is gebaseerd op artikel 20, lid 1 van de AWR.
De berekening van de belastingrente is gebaseerd op de uitsplitsing per jaar
genoemd onder punt 3.4.6.
Boete en kennisgeving artikel 5:48 en 5:53 van de Algemene wet
bestuursrecht
Naast de gevolgen voor de belastingheffing leg ik ook een vergrijpboete op. Dit op basis van artikel 67f van de AWR en de bepalingen van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
(...)
Het bovenstaande heeft ertoe geleid dat er te weinig omzetbelasting is aangegeven en betaald.
Van de directie mocht worden verwacht dat zij zich zou overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de bovenbedoelde feiten. Dit heeft zij kennelijk nagelaten.
De vergrijpboete bedraagt voor de omzetbelasting 25 % en heeft als grondslag het bedrag van de naheffingsaanslag een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald.”
6. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag 2016 - 2019 heeft verweerder (in plaats van een vergrijpboete) een verzuimboete van 10% opgelegd wegens het niet of niet tijdig betalen van de verschuldigde omzetbelasting.
Geschil 7. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld, of de verzuimboete voor 2015 terecht is opgelegd en of terecht belastingrente in rekening is gebracht. Daarnaast is zijn de beschikkingen, waarin verweerder geen teruggaaf van omzetbelasting heeft verleend, in geschil.
8. Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend en tevens verzoekt zij om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Zij voert daartoe aan:
- -
-
De bezwaren zijn niet deugdelijk en binnen een redelijke termijn behandeld;
- -
-
Het hoorrecht is geschonden;
- -
-
Het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden;
- -
-
Verweerder heeft ten onrechte geen rekening heeft gehouden met aftrek van voorbelasting uit 2014;
- -
-
Verweerder heeft voor 2016 ten onrechte de aftrek van voorbelasting op de kosten van een domeinnaam gecorrigeerd;
- -
-
Verweerder heeft voor 2017 ten onrechte de aftrek van voorbelasting op de verbouwingskosten, de computerkosten en de huurkosten gecorrigeerd;
- -
-
Verweerder heeft voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ten onrechte privégebruik auto gecorrigeerd;
- -
-
Verweerder heeft voor 2018 en 2019 ten onrechte leningen aangemerkt als omzet;
- -
-
Verweerder had de verzoeken om teruggaaf moeten toewijzen;
- -
-
Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de suppletieaangifte voor 2018;
- -
-
Het is aan verweerder is te wijten dat er moet worden geprocedeerd over de afwijzende teruggaafbeschikkingen.
9. Verweerder stelt dat de verzuimboete die tegelijk met de naheffingsaanslag
2016 - 2019 is opgelegd, dient te vervallen. Voor het overige betwist verweerder de stellingen van eiseres en stelt verweerder dat de uitspraken op bezwaar juist zijn en in stand moeten blijven.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om aanhouding van de zitting
10. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij zich niet kan verweren, omdat zij niet de beschikking heeft over de stukken van het geding. Zij heeft van de griffie van de rechtbank vernomen dat alle stukken in een digitaal dossier zitten. Eiseres is echter niet bekend met een digitale procedure. Verder is zij veel te laat op de hoogte gesteld van de zittingsdatum.
11. De rechtbank heeft het betoog van eiseres opgevat als een nieuw verzoek om aanhouding van de zitting. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. Zoals de rechtbank hiervoor onder het procesverloop al heeft overwogen, is eiseres tijdig op de hoogte gesteld van de zittingsdatum. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat eiseres in deze zaken niet digitaal procedeert en dat alle stukken van verweerder en alle brieven van de rechtbank per post aan eiseres zijn toegezonden op het adres [adres 1] te [plaats] .
Dat de gemachtigde van eiseres niet of niet meer de beschikking heeft over de stukken van het geding komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. De rechtbank heeft in de door eiseres aangevoerde redenen dan ook geen aanleiding gezien om de zitting alsnog aan te houden.
Schending hoorrecht?
12. Eiseres stelt dat het hoorrecht is geschonden, doordat verweerder te weinig tijd heeft genomen voor het hoorgesprek.
13. De rechtbank stelt vast dat er twee keer een hoorgesprek heeft plaats gevonden. Op 6 april 2022 is onder andere de organisatiestructuur is besproken en op 28 april 2022 zijn onder andere meer specifiek de onderhavige zaken besproken.
Uit de opgestelde hoorverslagen volgt niet dat er te weinig tijd was om alles te bespreken. Ook anderszins is niet gebleken dat eiseres heeft verzocht om het hoorgesprek op een andere dag voort te zetten of dat zij heeft aangegeven dat zij niet alles heeft kunnen bespreken. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het hoorrecht is geschonden.
Schending zorgvuldigheidsbeginsel/motiveringsbeginsel?
14. Eiseres stelt dat in de naheffingsaanslagen en de uitspraken op bezwaar geen wettelijke gronden worden aangevoerd en dat de berekening van de naheffingsaanslag
2016 - 2019 in de uitspraak op bezwaar onbegrijpelijk is. Volgens eiseres is hiermee het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel geschonden.
15. Bij brief van 11 november 2020 is eiseres geïnformeerd over de voorgenomen correcties over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015. Verder worden in het rapport van het boekenonderzoek de correcties over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 vermeld en de redenen waarom deze correcties worden aangebracht. Ook staat in dat rapport toegelicht waarom de verzoeken om teruggaaf worden afgewezen. Eiseres is aldus voldoende geïnformeerd. Ook heeft verweerder bij brief van 28 oktober 2022 de uitspraken op bezwaar uitvoerig gemotiveerd. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het motiveringsbeginsel is derhalve geen sprake.
Aftrek voorbelasting 2014
16. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met aftrek van voorbelasting voor 2014. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij op 1 maart 2019, en dus tijdig, een suppletieaangifte heeft ingediend voor het verlengde boekjaar 2014 - 2015. Verweerder heeft nooit duidelijk gemaakt dat geen (suppletie)aangifte omzetbelasting kan worden gedaan voor een verlengd boekjaar. Door hierover onduidelijk te blijven, dient het subsidiariteitsbeginsel te gelden. Namelijk dat bij twijfel de belastingplichtige het voordeel van de twijfel gegund moet worden. Verder stelt eiseres dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir heeft geschonden door eiseres niet eerder te informeren over het feit dat suppletieaangiften per kalenderjaar moeten worden ingediend. Ook heeft eiseres in dit verband een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Tot slot heeft zij gesteld dat de verjaring van het jaar 2014 is gestuit door de indiening van de suppletieaangifte.
17. Eiseres heeft op 1 maart 2019 een suppletieaangifte ingediend. Bij de vraag op welk tijdvak de suppletie betrekking heeft, is ingevuld: 1 januari 2015 tot en met
31 december 2015. Pas tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat in die suppletieaangifte ook een aftrek van voorbelasting voor 2014 was begrepen. Verweerder heeft eiseres verzocht om de facturen die op die voorbelasting betrekking hebben te overleggen. Eiseres heeft die facturen tot op heden niet verstrekt. Reeds daarom is terecht geen rekening gehouden met de in die suppletieaangifte begrepen voorbelasting uit 2014.
18. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Door in de suppletieaangifte in te vullen dat deze ziet op het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 was het verweerder niet aanstonds duidelijk dat daarin ook voorbelasting uit 2014 was begrepen. Reeds daarom kan verweerder niet worden verweten dat hij niet eerder heeft laten weten dat voor de omzetbelasting geen verlengd boekjaar geldt. Bovendien heeft te gelden dat het op de weg van eiseres ligt om zich op de hoogte te stellen van de wijze waarop zij voor de verschillende belastingmiddelen aangifte dient te doen. Dat in de vennootschapsbelasting rekening wordt gehouden met een verlengd boekjaar brengt niet mee dat eiseres ervan mag uitgaan dat dat ook geldt voor de omzetbelasting. Het beroep op het subsidiariteitsbeginsel faalt derhalve.
19. Eiseres heeft gesteld dat verweerder heeft toegezegd om het probleem van de aftrek van voorbelasting voor 2014 praktisch op te lossen. Zij heeft dit evenwel niet aannemelijk gemaakt. In het verslag van het hoorgesprek wordt daarover het volgende vermeld:
“[De advocaat van eiseres] vraagt de Belastingdienst de problematiek rond het verlengde boekjaar bij de naheffingsaanslag praktisch op te lossen. De Belastingdienst gaat zich hierover beraden.”
Hiermee heeft verweerder niet toegezegd ten aanzien van de aftrek voorbelasting 2014 een andere beslissing te nemen en ook overigens is van een toezegging is niet gebleken. Er is dan ook geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
20. Ook het beroep van eiseres op stuiting van de verjaringstermijn faalt. De bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek over stuiting zijn niet van toepassing op de termijn voor het indienen van een suppletieaangifte.
De correcties aftrek van voorbelasting op kosten voor domeinnamen, verbouwingkosten, computerkosten en huurkosten
21. Voor het jaar 2016 heeft verweerder de aftrek van voorbelasting op een investering in domeinnamen gecorrigeerd. Voor het jaar 2017 heeft verweerder de aftrek van voorbelasting op verbouwingskosten, computerkosten en huurkosten gecorrigeerd.
22. Eiseres heeft voor de investering in domeinnamen, de verbouwingskosten en de computerkosten geen facturen overgelegd. Reeds daarom is de aftrek van voorbelasting op deze kosten terecht gecorrigeerd.
23. Voor de aftrek van voorbelasting op de huurkosten heeft het volgende te gelden.
Op grond van artikel 11, aanhef en eerste lid, letter b, ten vijfde, van de Wet OB in samenhang met artikel 6a, vierde en vijfde lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 kan een ondernemer onder bepaalde voorwaarden opteren voor btw belaste verhuur van onroerende zaken andere dan gebouwen of gedeelten daarvan die als woning worden gebruikt. Daarvoor geldt als voorwaarde dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de Wet OB bestaat. In de bezwaarprocedure is gebleken dat eiseres in het pand, op de huurkosten waarvan eiseres aftrek van voorbelasting claimt, een demowinkel wilde beginnen, maar dat dit is mislukt wegens een gebrek aan financiële middelen. Klaarblijkelijk heeft eiseres het pand dus niet gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting bestaat. Partijen bij de huurovereenkomst konden dan niet opteren voor btw belaste verhuur. Alsdan is de verhuur van het pand vrijgesteld van omzetbelasting en heeft eiseres ook geen recht op aftrek van voorbelasting op de huurkosten. De aftrek van voorbelasting op de huurkosten is daarom terecht gecorrigeerd.
Correcties privégebruik auto
24. Eiseres heeft op 30 december 2016 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] aangeschaft. De catalogusprijs bedraagt volgens de financiële leaseovereenkomst € 27.499,99. Tijdens het boekenonderzoek is geen kilometeradministratie overgelegd. Daarom zijn de correcties privégebruik auto vastgesteld. Tijdens de bezwaarprocedure is alsnog een kilometeradministratie voor 2017, 2018 en 2019 overgelegd. Uit deze kilometeradministraties, die op zich sluitend zijn, blijkt dat de auto ook voor privédoeleinden is gebruikt. De auto is immers ook voor woon-werkverkeer gebruikt. Bij een sluitende kilometeradministratie dient eiseres over het werkelijk privégebruik omzetbelasting te betalen. Het werkelijk privégebruik kan echter niet worden berekend, omdat in de kilometeradministraties de adresgegevens ontbreken en er ook geen administratie van de autokosten is overgelegd.
25. De Staatssecretaris van Financiën heeft voor het geval dat uit de administratie niet blijkt in hoeverre de auto voor privédoeleinden is gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe
te rekenen, goedgekeurd dat de bijtelling voor privégebruik forfaitair wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm).2
26. Nu de kosten van het privégebruik van de auto niet uit de administratie van eiseres blijkt, is verweerder terecht uitgegaan van het forfait. Wel heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de bijtelling verminderd in verband met de lagere cataloguswaarde zoals deze blijkt uit de overgelegde leaseovereenkomst. Eiseres heeft in beroep niets gesteld of overgelegd op grond waarvan de bijtelling privégebruik zou moeten worden verminderd of achterwege zou moeten blijven. De enkele stelling dat de kilometeradministraties sluitend zijn, is daartoe onvoldoende.
Omzetcorrecties 2018 en 2019
27. Uit de administratie en de jaarstukken voor 2015 en 2016 blijkt dat eiseres in die jaren aan O kosten heeft doorbelast met omzetbelasting. In 2018 en 2019 zouden de van O ontvangen bedragen een lening zijn (geworden). Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit een lening is. Zij heeft daarvan ook geen stukken overgelegd. Gelet op voorgaande jaren heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de aanname van verweerder dat er in wezen sprake is van doorbelaste kosten. Verweerder heeft de omzet voor 2018 en 2019 daarom terecht gecorrigeerd.
De verzoeken om teruggaaf
28. Verweerder heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag 2016 - 2019 rekening gehouden met de verzoeken om teruggaaf om zo een dubbeltelling te voorkomen. Verweerder heeft dat kunnen en mogen doen. Eiseres is hierdoor niet benadeeld. Zij hoeft hierdoor ook niet, zoals zij stelt, een andere administratie te voeren. Dit staat immers volledig los van de administratieplicht en de aangifteplicht van eiseres. Ook valt niet in te zien dat het feit dat er wel afzonderlijke beschikkingen zijn genomen en eiseres daardoor meer beroepsprocedures heeft lopen per saldo meebrengt dat zij meer tijd en geld kwijt is. Het gaat immers, zoals zij zelf al stelt, om dezelfde problematiek en ook is er maar één keer griffierecht geheven vanwege de samenhang van de zaken.
De suppletieaangifte voor 2018
29. Eiseres heeft een suppletie ingediend voor het jaar 2018. Eiseres verzoekt in deze suppletie om een aanvullende teruggaaf van € 1.947.
30. Uit de stukken van het geding volgt dat eiseres voor 2018 een teruggaaf heeft gehad van € 687. Bij het boekenonderzoek heeft de controleur voor 2018 voorts rekening gehouden een negatieve aansluitcorrectie van - € 2.020. Per saldo heeft eiseres voor 2018 dan een teruggaaf gehad van € 2.707. Dit is conform de auditfile voor 2018. Nu dit bedrag hoger is dan de teruggaaf waar eiseres om verzoekt in de suppletieaangifte (te weten: € 687 + € 1.947 = € 2.634), is er geen reden om voor 2018 nog een aanvullende teruggaaf te verlenen.
Verzuimboete 2015
31. Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in samenhang met het bepaalde in paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is aan eiseres een verzuimboete van 10% van de verschuldigde belasting opgelegd, omdat op aangiften te weinig omzetbelasting is betaald.
32. Vaststaat dat eiseres voor 2015 te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. De verzuimboete is dan terecht aan eiseres opgelegd. Dat zou slechts anders zijn als sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas). De bewijslast dat dit het geval is, rust op eiseres. Eiseres heeft in dit verband geen feiten of omstandigheden gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van een pleitbaar standpunt of van avas. De rechtbank acht een verzuimboete van 10% van de na te heffen omzetbelasting passend en geboden.
33. Wel overweegt de rechtbank ambtshalve dat de boete dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Uit de stukken van het geding blijkt dat de boete aan eiseres bekend is gemaakt in de brief van 11 november 2020, zodat de redelijke termijn op die dag is aangevangen. De behandelingstermijn is geëindigd met deze uitspraak van de rechtbank. De totale behandelingsduur bedraagt dus vijf jaar en, naar boven afgerond, één maand. De redelijke termijn is dan in beginsel overschreden met drie jaar en één maand. De rechtbank ziet in de vele uitstelverzoeken en de proceshouding van eiseres echter aanleiding om de redelijke termijn van twee jaar te verlengen met zes maanden.3
De redelijke termijn is dan overschreden met twee jaar en zeven maanden. De boete dient daarom gematigd te worden met 20%4 tot een bedrag van € 348 (€ 436 -/- 20%).
Verzuimboete 2016 - 2019
34. Verweerder heeft zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat deze verzuimboete dient te vervallen. Het beroep is derhalve gegrond voor zover het is gericht tegen de verzuimboete behorende bij de naheffingsaanslag 2016 - 2019.
Belastingrente
35. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. De belastingrente is berekend conform de wettelijke bepalingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding kunnen geven om de belastingrente te matigen.
Immateriële schadevergoeding
36. Eiseres heeft in beroep gesteld dat de bezwaren niet deugdelijk en binnen een redelijke termijn zijn behandeld. De rechtbank heeft dit beroep opgevat als een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedures.
37. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
38. De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als samenhangende zaken waarvoor één maal recht bestaat op schadevergoeding en zal daarom uitgaan van het eerste bezwaarschrift. Vanaf de ontvangst van dat bezwaarschrift op 11 februari 2021 tot de uitspraak van de rechtbank op 9 december 2025 zijn, afgerond naar boven, vier jaar en tien maanden verstreken. In beginsel is er dan een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en tien maanden. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, ziet de rechtbank evenwel aanleiding om de termijn van twee jaar die als uitgangspunt dient voor de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase te verlengen met zes maanden als gevolg van de vele uitstelverzoeken en de proceshouding van eiseres. De redelijke termijn is dan overschreden met twee jaar en vier maanden. De rechtbank rekent deze overschrijding voor één jaar toe aan de bezwaarfase en voor één jaar en vier maanden aan de beroepsfase.
39. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep tegen de verzuimboete behorende bij de naheffingsaanslag 2016 - 2019 gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 647 (1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire regeling zou moeten worden afgeweken. Van ernstig onzorgvuldig handelen door verweerder of procederen tegen beter weten in, is geen sprake.
41. Nu het beroep inzake de verzuimboete behorende bij de naheffingsaanslag
2016 - 2019 gegrond is verklaard, ziet de rechtbank voorts aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.