Rechtbank Den Haag, 03-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26425, AWB - 24 _ 9122
Rechtbank Den Haag, 03-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26425, AWB - 24 _ 9122
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 december 2025
- Datum publicatie
- 20 januari 2026
- Zaaknummer
- AWB - 24 _ 9122
- Relevante informatie
- Art. 3:3 Awb, Art. 16 AWR
Inhoudsindicatie
IB/PVV, Geen van schending van het protocol AAFD en geen schending van het evenredigheidsbeginsel.
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/9122, SGR 24/9124, SGR 24/9125 en SGR 24/9126
(gemachtigde: mr. F. Jagersma),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de navorderingsaanslagen). Tevens is bij de navorderingsaanslagen over de jaren 2012 tot en met 2014 bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 oktober 2024 de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift een aantal stukken aan de rechtbank toegezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij beslissing van 17 februari 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank het verzoek van verweerder toegewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [naam 1] , ing. [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
Algemeen
1. Eiser was in de periode 2009 tot en met halverwege 2014 aangesteld als penningmeester en kerkrentmeester van [organisatie 1] , [organisatie 2] en [organisatie 3] (de organisaties). Eiser was uit dien hoofde verantwoording verschuldigd aan de kerkenraad, respectievelijk het bestuur van de [organisatie 3] of de [organisatie 1] , voor de financiële zaken. Eiser was onder andere verantwoordelijk voor het inbrengen van de jaarrekeningen, het doen van betalingen en het beheren van een zestal bankrekeningen. Voor zijn werkzaamheden ontving hij een vaste vergoeding.
2. Eiser is bij uitspraak van rechtbank Den Haag van 8 oktober 2018 en bij uitspraak van gerechtshof Den Haag van 16 maart 2022 strafrechtelijk veroordeeld voor het in de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 september 2014 verduisteren van in totaal
€ 1.883.000, toebehorende aan onder meer de organisaties, welk geldbedrag eiser in zijn hoedanigheid als penningmeester en/of kerkmeester, onder zich had. Eiser is daarbij door zowel de rechtbank als het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden en tot betaling van schadevergoedingen aan de benadeelde partijen (de organisaties) van in totaal € 1.818.231,91. De Hoge Raad heeft op 19 december 2023 het daartegen door eiser ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
Navorderingsaanslagen
3. Verweerder heeft voor het jaar 2010, conform de aangifte van eiser, een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.946.
4. Verweerder heeft aan eiser over de onderhavige jaren ambtshalve aanslagen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk
€ 15.000 (2012), € 20.000 (2013), € 14.423 (2014) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van respectievelijk € 3.043 (2012) en € 2.957 (2014).
5. Eiser heeft na het opleggen van voormelde aanslagen alsnog aangiften voor de jaren 2012 tot en met 2014 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 271 negatief (2012), € 8.534 negatief (2013) en € 2.868 (2014). Verweerder heeft naar aanleiding van deze aangiften de aanslagen over de jaren 2013 en 2014 ambtshalve verminderd tot € 8.534 negatief (2013) en € 2.868 (2014). Verder heeft verweerder het verlies over het jaar 2013 van € 8.534 met het belastbare inkomen uit werk en woning over het jaar 2010 verrekend.
6. Verweerder heeft, met dagtekening 17 februari 2018 (over het jaar 2012) en
6 oktober 2018 (over de jaren 2013 en 2014), de navorderingsaanslagen opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 100.408 (2012), € 496.200 (2013) en € 992.132 (2014). Verweerder heeft bij deze navorderingsaanslagen belastingrente in rekening gebracht van respectievelijk € 8.515 (2012), € 42.790 (2013) en € 67.992 (2014). Verweerder heeft verder bij beschikking van 6 oktober 2018 het verlies over het jaar 2013 op nihil vastgesteld. Daarnaast heeft verweerder met dagtekening
6 oktober 2018 de navorderingsaanslag over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.946. Daarbij heeft verweerder de eerdere verliesverrekening naar het jaar 2010 teruggenomen.
Geschil 7. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Tussen partijen is het bedrag aan verduisterde gelden niet in geschil en ook niet dat deze als resultaat uit overige werkzaamheden worden aangemerkt.
Beoordeling van het geschil
8. Eiser beroept zich in de eerste plaats op het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen1 (het protocol AAFD). Hij stelt dat het protocol AAFD beleid is en dat dit beleid de Belastingdienst en het OM verplicht om vooraf af te stemmen of wederrechtelijk verkregen voordelen worden ontnomen, als schadevergoeding aan de benadeelde partijen moeten worden (terug)betaald of in de belastingheffing worden betrokken. Eiser betoogt dat belastingheffing achterwege dient te blijven en de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd nu deze afstemming niet heeft plaatsgevonden en hij door de rechter onvoorwaardelijk is veroordeeld om de schade van de benadeelde partijen te vergoeden (zie hiervoor onder 2.).
9. Verweerder voert daartegen aan dat in dit geval van ontneming geen sprake is en dat de schadevergoedingsmaatregel alleen relevant is voor zover hierop door eiser bedragen zijn betaald. Hij stelt dat hij voldoende heeft gedaan door bij het OM na te gaan of eiser daadwerkelijk enig bedrag aan schadevergoeding heeft betaald.
10. In het protocol AAFD staat, voor zover hier van belang, onder meer het volgende vermeld:
“4. Afstemming inzake voordeelsontneming
Dit protocol ziet primair op de afstemming tussen Belastingdienst en OM over (voorkoming van) samenloop tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Een vergelijkbare vorm van cumulatie doet zich voor bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 74 AWR is al voorzien in een eenduidige anticumulatiebepaling bij ontneming inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Voor ontneming inzake andere delicten is echter geen vergelijkbare regeling getroffen. Vandaar dat het in die gevallen noodzakelijk is dat de Belastingdienst en het OM de handhavingsinspanningen op elkaar afstemmen.
Het afpakken van crimineel vermogen is een waardevol middel in de bestrijding van criminaliteit. Het OM heeft regels vastgesteld voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten.¹
[¹ Aanwijzing afpakken, van 23 december 2013, Stcrt. 2013, nr. 35 782]
Onderdeel van die regels is onder meer dat afstemming plaatsvindt met de Belastingdienst. In het maatschappelijk verkeer genoten voordelen leiden immers in beginsel tot belastingheffing. Dat is niet anders als de voordelen wederrechtelijk zijn verkregen. Voorkomen moet worden dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Daarom is met het OM afgesproken dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert.
Om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd, of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot ontnemen af met de Belastingdienst wanneer het geschatte voordeel ten minste € 5000 bedraagt.2
[² Van dit afstemmingsvereiste kan worden afgeweken als de voorgenomen ontnemingsvordering is gebaseerd op uit het buitenland afkomstige gegevens waarop het beginsel van specialiteit van toepassing is.]”.
11. Het protocol AAFD schrijft voor dat het OM een voornemen tot ontneming (op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht) afstemt met de Belastingdienst. Uit de processtukken blijkt dat deze afstemming heeft plaatsgevonden.3 Het protocol AAFD verplicht niet tot een afstemming met betrekking tot een strafvergoedingsmaatregel (op grond van artikel 36f Wetboek van Strafrecht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel voldoende gedaan door bij het OM te informeren of eiser onder deze maatregel enig bedrag heeft betaald. De stelling van eiser dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd omdat verweerder in strijd met het protocol AAFD zou hebben gehandeld faalt alleen al om die redenen.
Voorziening
12. Eiser stelt dat hij in de jaren 2012-2014 een voorziening mag vormen ter zake van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
13. Op grond van artikel 3.14, derde lid, (tekst 2012) en artikel 3.14, vierde lid, (tekst 2013 en 2014) van de Wet IB 2001 zijn kosten en lasten die zien op voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen, ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen (onderdeel a) en vergoeding van het door misdrijf veroorzaakte schade (onderdeel b) aftrekbaar.
14. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 september 20114 als volgt geoordeeld over de toepassing van artikel 8a, vierde lid, van de Wet IB 1964 (de voorloper van vorengenoemde artikelen):
“3.2.2. Het middel faalt. Het bepaalde in artikel 8a, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in dat - voor zover hier van belang - de niet-aftrekbaarheid van kosten en lasten ingevolge het bepaalde in het eerste lid, letters d en e, van dat artikel wordt teruggenomen indien het gaat om de voldoening van een geldbedrag ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen, waarmee - mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling - tot uitdrukking is gebracht dat een dergelijk bedrag niet eerder ten laste van de winst kan worden gebracht dan op het tijdstip waarop dit het vermogen van de belastingplichtige heeft verlaten. Het in een eerder jaar dan het jaar waarin het bedrag wordt voldaan vormen van een voorziening ter zake van die voldoening is hiermee niet verenigbaar.”.
15. De Hoge Raad heeft in het Baksteenarrest5 drie voorwaarden geformuleerd waaraan moet worden voldaan om een voorziening te vormen ter zake van toekomstige uitgaven:
- de toekomstige uitgaven vinden hun oorsprong in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan;
- de toekomstige uitgaven kunnen ook overigens aan die periode worden toegerekend;
- ter zake van die toekomstige uitgaven bestaat een redelijke mate van zekerheid dat zij zich zullen voordoen (het zekerheidsvereiste).
16. Naar het oordeel van de rechtbank geldt voormeld arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011 ook voor de voor de betaling van door het misdrijf veroorzaakte schade als bedoeld in artikel 3.14, derde lid, onderdeel b (tekst 2012) dan wel vierde lid, onderdeel b (tekst 2013 en 2014), van de Wet IB 2001.6Niet in geschil is dat eiser ter zake van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel nog geen betalingen heeft verricht. Dit brengt mee dat eiser, gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, geen voorziening kan vormen, en dus ook niet in één van de in geding zijn jaren 2012, 2013 en 2014. Het is immers niet relevant aan welke jaar de schadevergoedingsmaatregel kan worden toegerekend dan wel op welk moment het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voorzienbaar was.
17. Hetgeen eiser omtrent het vormen van een voorziening heeft aangevoerd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. De stelling van eiser dat het arrest van 23 september 2011 onverenigbaar zou zijn met de wetsgeschiedenis volgt de rechtbank niet. Uit de door eiser aangehaalde wetsgeschiedenis7 kan namelijk niet worden afgeleid dat eiser een voorziening zou mogen vormen. Dit kan evenmin uit de brief van de staatssecretaris van Financiën van 10 februari 20118 worden afgeleid. Ook het Baksteenarrest brengt daar geen verandering in. Het arrest van 23 september 2011 is namelijk te beschouwen als een uitzondering op het Baksteenarrest, nu dit arrest betrekking heeft op specifieke in artikel 3.14, derde lid (tekst 2012) en vierde lid (tekst 2013 en 2014), van de Wet IB 2001 omschreven betalingen van geldbedragen. Ten aanzien van die betalingen geldt dat een dergelijk bedrag niet eerder ten laste van de winst kan worden gebracht dan op het tijdstip waarop dit het vermogen van de belastingplichtige heeft verlaten. Daar komt nog bij, dat zelfs in de situatie waarin men wel zou uitgaan van het Baksteenarrest, dit eiser niet kan baten, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in enig jaar voldaan is aan het zekerheidsvereiste. Ook de verwijzing van eiser naar een artikel in het Weekblad Fiscaal Recht (WFR 2013/152), kan niet tot een ander oordeel leiden .
Evenredigheidsbeginsel
18. Eiser stelt verder dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Het doel van de ontneming van wederrechtelijk genoten voordelen en de onderhavige schadevergoedingsmaatregel is mede om de veroordeelde financieel in dezelfde toestand te brengen als waarin hij verkeerde voordat hij de criminele inkomsten verwierf. Dat doel is inmiddels bereikt. Volgens eiser zijn de voor hem nadelige grote financiële gevolgen onevenredig in verhouding tot de met de navorderingsaanslagen te dienen doelen en had een er een belangenafweging moeten plaatsvinden.
19. De rechtbank stelt voorop dat verweerder als taak heeft om de belastingwet uit te voeren en dat hij op grond van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid heeft om navorderingsaanslagen op te leggen. Hoewel in voormeld artikel een “kan-bepaling” is opgenomen, betreft dit een gebonden bevoegdheid voor verweerder. Dit betekent dat indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid, verweerder gehouden is om een navorderingsaanslag op te leggen. Daarnaast staat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet er aan in de weg dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Aangezien de Wet IB 2001 een wet in formele zin is, kan niet getoetst worden aan het evenredigheidsbeginsel. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.9 Dergelijke bijzondere omstandigheden worden evenwel ‘slechts bij hoge uitzondering’ aangenomen.10
20. De rechtbank overweegt als volgt in verband met de vraag of deze (hoge) uitzondering in dit geval aan de orde is. De rechtbank stelt voorop dat het beginsel van fiscale neutraliteit meebrengt dat alle in het maatschappelijk verkeer verkregen voordelen in de belastingheffing worden betrokken, ook als zij een wederrechtelijk karakter hebben. Op grond van artikel 3.14, derde lid, onderdeel b (tekst 2012) en vierde lid, onderdeel b (tekst 2013 en 2014), van de Wet IB 2001 kan een vermindering op het inkomen worden verleend op het moment dat de schadevergoedingen daadwerkelijk zijn betaald. De Hoge Raad heeft immers in zijn arrest van 23 september 2011 geoordeeld dat pas in het jaar van feitelijke voldoening van een ontnemingsvordering sprake kan zijn van het in aanmerking nemen van een verliespost. Voor zover de samenloop van de betaling van de schadevergoedingsmaatregel en de betaling van de navorderingsaanslagen leidt tot financiële problemen bij eiser, maakt dit niet dat de navorderingsaanslagen niet mochten worden opgelegd. Eiser dient zich in dat geval tot de ontvanger te wenden.
21. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat de onevenredigheid ook voortkomt uit de omstandigheid dat de achterwaartse verliesverrekening beperkt is en eiser te weinig inkomen heeft om (toekomstige) verliezen te verrekenen. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiser financieel nadelig kan uitpakken. Dit is echter het gevolg van de bewuste keuze van de wetgever om de termijn voor achterwaartse verliesverrekening te beperken. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 april 201811 reeds geoordeeld dat de wetgever niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden door een termijn te stellen voor verliesverrekening.
22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die de strikte toepassing van de wet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Het evenredigheidsbeginsel is dan ook niet geschonden.
23. Ook anderszins heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aangevoerd aan de hand waarvan kan worden geconcludeerd dat verweerder in het onderhavige geval in strijd met het verbod van détournement de pouvoir als bedoeld in artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld. Verweerder heeft op goede gronden in overeenstemming met de geldende wetgeving de inkomsten in de belastingheffing betrokken en deze nagevorderd.
24. Het vorenstaande brengt mee dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
Belastingrente
25. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de rentebeschikkingen aangevoerd. Nu de beroepsgronden tegen de onderhavige navorderingsaanslagen geen doel treffen, blijven de rentebeschikkingen in stand.
Conclusie
26. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
27. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 14 november 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
28. De rechtbank zal, gelet op de overwegend gezamenlijke behandeling in bezwaar en beroep, voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het oudste bezwaarschrift op 20 februari 2018. Verweerder heeft op 20 november 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak van de rechtbank is op 3 december 2025 gedaan. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn met afgerond vijf jaar en tien maanden (70 maanden) overschreden. In dit geval zijn naar het oordeel van de rechtbank echter bijzondere omstandigheden aanwezig die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen. Uit de gedingstukken valt op te maken dat partijen op 10 december 2018 hebben afgesproken dat de bezwaren worden aangehouden in afwachting op de uitkomst van de strafzaak van eiser. De rechtbank kan uit de motivering van het bezwaar over het jaar 2012 van 26 maart 2018, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, niet afleiden dat eiser reeds eerder om aanhouding van het bezwaar over 2012 heeft verzocht. In die brief heeft eiser slechts aangegeven dat er een onderzoek bij het OM loopt. Uit die brief kan dan ook niet worden opgemaakt dat eiser destijds al om aanhouding van het bezwaar voor het jaar 2012 heeft verzocht. Nu eiser op 29 december 2023 het onder 2. genoemde arrest van de Hoge Raad aan verweerder heeft doorgezonden, gaat de rechtbank er van uit dat de bezwaren voor periode 10 december 2018 tot en met 29 december 2023 op verzoek van eiser zijn aangehouden. Dit leidt ertoe dat de redelijke termijn met vijf jaar en een halve maand dient te worden verlengd. De redelijke termijn is daarom met bijna tien maanden overschreden. Eiser heeft dan ook recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Aangezien de termijnoverschrijding geheel moet worden toegerekend aan de bezwaarfase dient verweerder deze schade te vergoeden.
Proceskosten
29. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25).
30. Nu eiser pas na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 202412 heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden.