Rechtbank Den Haag, 28-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:931, 23_3417
Rechtbank Den Haag, 28-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:931, 23_3417
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 januari 2025
- Datum publicatie
- 7 mei 2025
- Zaaknummer
- 23_3417
- Relevante informatie
- Art. 3.145 Wet IB 2001, Art. 3.67 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
De rechtbank beschikt niet over voldoende stukken om te kunnen beoordelen of de aanslag IB/PVV te hoog is vastgesteld, zodat het niet mogelijk is het voorgelegde geschil te beslechten. De rechtbank wijst de zaak terug. Beroep gegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/3417
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (IB/PVV). Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaarschrift is op 26 december 2022 door verweerder ontvangen.
Verweerder heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar van 5 april 2023 verminderd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2024.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .
Het onderzoek is ter zitting gesloten waarbij 23 december 2024 als uitspraakdatum is aangekondigd.
De rechtbank heeft partijen bij bericht van 19 december 2024 geïnformeerd over zijn beslissing om de uitspraaktermijn te verlengen tot uiterlijk 3 februari 2025.
Eiser heeft op 20 december 2024 verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] Finance & Insurance Consultancy.
2. Eiser heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 11.850, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.674 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. In de aangifte is een bedrag onttrokken aan de Fiscale Oudedagsreserve (FOR). Tevens is zelfstandigenaftrek in aanmerking genomen.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangifte bij brief van 6 april 2022 om informatie verzocht over onder meer het urencriterium, de afname van de FOR en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Voorts heeft verweerder opgenomen dat hij over gegevens beschikt waaruit volgt dat eiser per 1 januari 2019 € 2.518.738 aan spaartegoeden bezit en een beleggingsproduct van € 775.500.
4. Eiser heeft bij brief van 28 april 2022 gereageerd.
5. Verweerder heeft op 24 juni 2022 vervolgvragen gesteld. Daarop is op 22 juli 2022 door eiser gereageerd.
6. Met dagtekening 27 oktober 2022 heeft verweerder eiser geïnformeerd over zijn voornemen om bij de aanslagoplegging van de aangifte af te wijken. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“De informatie waar ik u om heb verzocht had als doel om het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen te controleren. Uw vermogen is verdeeld over de onderneming, het Fonds voor Gemene Rekening (hierna: FGR, box 2) en box 3. Om te beoordelen welk vermogen tot uw box 3 vermogen behoort heb ik aan u een specificatie gevraagd van alle bezittingen. Op de ontvangen specificatie van 28 april 2022 ontbreken van de participaties in box 2 onder andere de rekeningnummers. Een eenvoudige controle op de bezittingen is om deze reden niet mogelijk. U heeft aangegeven dat de buitenlandse bankrekeningen (waar een deel van mijn informatieverzoek op ziet) niet bij u bekend zijn. Om deze reden heb ik de diverse banken in Duitsland, België, Italië, Estland en Tsjechië om informatie verzocht. Van de banken in Duitsland en België heb ik op dit moment nog geen informatie ontvangen, in verband met de dreigende verjaring van de aanslag zal ik de aangifte vaststellen op basis van de gegevens die mij ter beschikking staan.
De totale waarde van uw bezittingen volgens uw informatie is in totaal € 3.368.779:
- Privé bezittingen (box 3): € 29.250
- Financiële vaste activa in eenmanszaak (box 1): € 324.500
- Liquide middelen eenmanszaak (box 1): € 126.550
- Bezittingen FGR op 1 januari 2019 € 2.888.479
Volgens mijn informatie is de totale waarde van uw bezittingen inclusief de buitenlandse bankrekeningen € 3.785.088. Dit bedrag bestaat uit:
- Waarde van de in Nederland aangehouden bank-, giro- en spaartegoeden van
€ 2.518.738
- Waarde beleggingen Oikocredit Nederlands Fonds € 775.500
- Waarde bankrekeningen België € 100.000
- Waarde bankrekeningen Estland € 200.850
- Waarde bankrekeningen Tsjechië € 90.000
- Waarde bankrekeningen Duitsland € 100.000 (geschat).
In welke box voornoemde bezittingen thuishoren is niet geheel duidelijk geworden. De waarde van de bankrekening in Italië is niet door mij opgenomen omdat uit de informatie uit Italië is gebleken dat de transacties hebben plaatsgevonden na 1 januari 2019. De informatie uit Duitsland is nog niet ontvangen en stel ik mij op het standpunt dat de waarde van de bankrekeningen in Duitsland tenminste 100.000 is.
In uw aangifte is een bedrag van € 29.250 vermeld. Het verschil tussen de door u aangegeven waarde en de bij ons bekende waarde is € 416.309 (€ 3.785.088 - € 3.368.779). De financiële vast activa van de eenmanszak van € 324.500 horen niet tot het ondernemingsvermogen en heb ik toegevoegd aan de waarde van uw bezittingen in box 3. De totale waarde van uw bezittingen komt daarmee uit op minstens € 740.809 (€ 416.309 + € 324.500). Na aftrek van het heffingsvrije vermogen van € 30.360 is het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend € 710.449. Ik heb besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van totaal € 710.449.”
7. Met dagtekening 18 november 2022 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.769, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.674 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.930. De grondslag sparen en beleggen is bepaald op € 710.449. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 350.
8. Deze rechtbank heeft op 19 december 2022 uitspraak1 gedaan in de procedure die ziet op een voor het jaar 2018 aan eiser opgelegde aanslag IB/PVV. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het werkkapitaal van de onderneming niet meer bedraagt dan € 165.000, hetgeen door gerechtshof Den Haag bij uitspraak van 18 september 20232 is bevestigd.
9. Op 4 april 2023 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Tot de stukken van het geding behoort een naar aanleiding van dit gesprek door verweerder opgesteld hoorverslag.
10. Bij uitspraak op bezwaar zijn het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gehandhaafd op € 2.769, respectievelijk € 16.674. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot € 12.758. De grondslag sparen en beleggen is bepaald op € 610.449. Daarbij is de geschatte waarde van de bankrekeningen in Duitsland (van € 100.000) niet langer meegerekend. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Geschil
11. In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 naar een juist bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of terecht voorbij is gegaan aan de onttrekking aan de FOR, of eiser aan het urencriterium voldoet en of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een juist bedrag is vastgesteld.
12. Eiser stelt primair dat de zaak moet worden teruggewezen. Subsidiair stelt eiser dat in 2019 een onttrekking aan de FOR heeft plaatsgevonden en dat hij voldoet aan het urencriterium. Daarnaast is volgens eiser het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een te hoog bedrag vastgesteld. Verweerder is volgens eiser uitgegaan van een onjuiste rendementsgrondslag en een te hoog rendement.
13. Verweerder stelt dat voor terugwijzing geen aanleiding bestaat. Volgens verweerder zijn het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet naar te hoge bedragen vastgesteld.
Beoordeling van het geschil
14. In de uitspraak op bezwaar is uitgegaan van een grondslag sparen en beleggen van € 610.449. Deze grondslag is, voor zover hier van belang, als volgt berekend:
|
Totaal vermogen (box 1, 2 en 3) |
€ 3.685.088 |
|
|
Vermogen volgens aangifte |
||
|
Box 1 vaste activa eenmanszaak |
€ 324.500 |
|
|
Box 1 liquide middelen |
€ 126.550 |
|
|
Box 2 |
€ 2.888.479 |
|
|
Box 3 |
€ 29.250 |
|
|
€ 3.368.779 |
€ 3.368.779 |
|
|
Verschil |
€ 316.309 |
|
|
Correctie van box 1 naar box 3 |
€ 324.500 |
|
|
Vermogen box 3 |
€ 640.809 |
|
|
Heffingvrij vermogen |
€ 30.360 -/- |
|
|
€ 610.449 |
15. Tussen partijen is niet in geschil dat moet worden uitgegaan van een totaalvermogen van € 3.685.088. Wél is in geschil of dit bedrag bij het bepalen van het box 3-vermogen terecht is afgezet tegen het bovengenoemde bedrag van € 3.368.779. Volgens eiser is dat ten onrechte gebeurd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in de onderhavige aangifte een totaalvermogen op 1 januari 2019 van € 3.685.088 is opgenomen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat verweerder bij de berekening van de correctie ten onrechte is uitgegaan van € 3.368.779 als in de aangifte opgenomen vermogen op 1 januari 2019. Verweerder heeft bij de berekening van dit bedrag namelijk de box-1 bedragen van ultimo 2019 in aanmerking genomen. Zodoende heeft hij ten onrechte een verschil geconstateerd van € 316.309, welk bedrag als box 3-vermogen is bijgeteld. Volgens eiser heeft dit ertoe geleid dat verweerder van een te hoge grondslag sparen en beleggen is uitgegaan.
16. Volgens verweerder had, met inachtneming van de procedure die voor het jaar 2018 is gevoerd, van het totaalvermogen een bedrag van € 165.000 tot het werkkapitaal in box 1 moeten worden gerekend, een bedrag van € 2.888.479 tot box 2 en de rest tot box 3. Volgens verweerder is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 eerder te laag dan te hoog vastgesteld omdat te weinig vermogen in box 3 is belast.
17. Eiser heeft terecht aangevoerd, zoals overigens ook is vermeld in 7.18 van het verweerschrift, dat de onder 14 genoemde box 1-bedragen de bedragen van ultimo 2019 zijn. Verweerder heeft daardoor ten onrechte een verschil van € 316.309 geconstateerd en als box 3-vermogen in aanmerking genomen. De rechtbank beschikt niet over voldoende stukken om te kunnen beoordelen of de aanslag daardoor te hoog of te laag is vastgesteld. Het is voor de rechtbank dan ook niet mogelijk om het voorgelegde geschil definitief te beslechten. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder daarom opdragen om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.
18. Met de terugwijzing naar verweerder start geen nieuwe behandelingsfase voor het vaststellen van de redelijke termijn in eerste aanleg. Er geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop, dus de opstelsom van het tijdsverloop van de fase vóór terugwijzing en van de fase na terugwijzing langer dan twee jaar heeft geduurd.3 Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak nog niet kan worden beoordeeld in hoeverre recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
19. Het is niet aan de belastingrechter om te oordelen over een het verzoek van eiser om schadevergoeding vanwege reputatieschade.
Proceskosten
20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vast op € 267,50 (€ 10 reiskosten en € 257,50 verletkosten). Het Besluit voorziet, behoudens de reeds toegekende vergoeding van verletkosten, niet in een vergoeding voor de tijd die eiser aan de procedure heeft besteed. Dergelijke kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;
- wijst het verzoek van eiser om een schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: