Rechtbank Den Haag, 05-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:569, 25/4867
Rechtbank Den Haag, 05-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:569, 25/4867
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 januari 2026
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Zaaknummer
- 25/4867
- Relevante informatie
- Art. 3.112 Wet IB 2001, Art. 1 EP EVRM, Art. 14 EVRM
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting voor het jaar 2023. Eigenwoningforfait van 2,35 procent. De rechtbank is van oordel dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM. Beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/4867
(gemachtigde: drs. R. Ekhart – van der Laan),
en
Procesverloop
Verweerder heeft voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen IB/PVV (de aanslag) opgelegd aan eiser, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.889.
Bij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2025 heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend vóór de zitting.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025.
Namens eiser zijn verschenen diens gemachtigde en mr. M. Budding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.V. Delacourt en mr. A.H van Leeuwen.
De zaak van eiser is gelijktijdig behandeld met die van [naam] (zaaknummer SGR 25/4874).
Overwegingen
Feiten
1. Eiser beschikte in het jaar 2023 samen met zijn fiscaal partner [naam] (de fiscaal partner) over een eigen woning aan de [adres] in [plaats] (de eigen woning). De op grond van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van de eigen woning voor het jaar 2023 bedraagt € 1.683.000.
2. De aanslag is overeenkomstig de aangifte van eiser vastgesteld. Het vastgestelde saldo inkomsten en aftrekposten uit de eigen woning bedraagt € 8.983 negatief. Dit saldo, dat volledig is toegerekend aan de fiscaal partner, is als volgt samengesteld:
|
Eigenwoningforfait |
€ 15.550 |
|
Aftrekbare rente (op basis van een eigenwoningschuld van € 1.170.834) |
€ 24.533 -/- |
|
Saldo (belastbare inkomsten uit eigen woning) |
€ 8.983 (negatief) |
Bij de berekening van het eigenwoningforfait is 0,35% toegepast op de eigenwoningwaarde tot € 1.200.000 en 2,35% op de waarde daarboven, dus € 483.000.
Geschil
3. In geschil is of het eigenwoningforfait bij een eigenwoningwaarde van (in het onderhavige jaar) meer dan € 1.200.000 (het verhoogde eigenwoningforfait) op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 14 EVRM (artikel 1 EP).
4. Eiser stelt dat het percentage 0,35 (in de vijfde schijf) voor de berekening van het eigenwoningforfait moet worden toegepast op de gehele eigenwoningwaarde van € 1.683.000. Het verhoogde eigenwoningforfait is volgens eiser op regelniveau in strijd met artikel 1 EP. Hij voert daartoe aan dat de regeling niet past binnen het doel van de Wet IB 2001 om te heffen naar draagkracht en over daadwerkelijk genoten inkomen en bovendien niet voldoet aan de vereiste voorzichtigheid. Het miskent voorts dat sprake is van een afnemend grensnut bij een eigen woning met een hogere WOZ-waarde. Verder voert eiser aan dat de redelijke verhouding tussen het doel van de regeling en de ongelijkheid die door de gekozen vormgeving wordt veroorzaakt, zoek is. Eiser verwijst hierbij onder meer naar het zogenoemde Kerstarrest1 en de arresten over de Wet rechtsherstel box 3 van de Hoge Raad2. Tot slot voert eiser aan dat het verhoogde forfait als ‘totaalplaatje’ beoordeeld moet worden en niet losstaat van de overige componenten in de eigenwoningregeling.
5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Volgens verweerder kan het beroep van eiser niet leiden tot een lagere aanslag, gelet op de gekozen onderlinge verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Verder geldt dat het verhoogde eigenwoningforfait niet in strijd is met artikel 1 EP, waarbij verweerder heeft gewezen op de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 21 oktober 20253.
Beoordeling van het geschil
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser een procesbelang heeft, omdat hij een verlaging van het eigenwoningforfait bepleit en daarmee een hoger negatief saldo van de inkomsten uit eigen woning, terwijl de gekozen onderlinge verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van eiser en de fiscaal partner nog kan worden gewijzigd totdat de aanslagen van eiser en de fiscaal partner onherroepelijk vaststaan (artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001).
7. Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt als volgt (tekst 2023):
“De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van:
|
meer dan |
maar niet meer dan |
op jaarbasis |
|
- |
€ 12.500 |
nihil |
|
€ 12.500 |
€ 25.000 |
0,10% van deze waarde |
|
€ 25.000 |
€ 50.000 |
0,20% van deze waarde |
|
€ 50.000 |
€ 75.000 |
0,25% van deze waarde |
|
€ 75.000 |
€ 1.200.000 |
0,35% van deze waarde |
|
€ 1.200.000 |
- |
€ 4.200 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.200.000. |
8. De regeling van het eigenwoningforfait berust op het uitgangspunt dat de eigen woning voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen geldt. Van oudsher strekte deze regeling ertoe het woongenot te belasten alsof de belastingplichtige zijn eigen woning verhuurt aan een derde. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), het Besluit IB 1941 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kenden een bepaling met dezelfde strekking. De tot het inkomen te rekenen huurwaarde werd vanaf 1963 afgeleid van de huurwaarde voor de personele belasting. Met ingang van 1971 is (met artikel 42a van de Wet IB 1964) voor een eenvoudige forfaitaire benadering gekozen. Uit de wetsgeschiedenis van het laatstgenoemde artikel volgt:
“(…) De grondgedachte daarachter is een simpele methodiek, waarbij de bruto-huurwaarde het uitgangspunt is. Deze is gerelateerd aan de huurontwikkeling. Vervolgens komen de hiervoor genoemde kosten op genormeerde en geforfaiteerde wijze in mindering, terwijl voorts de bijzondere positie van de eigen woning als bron van inkomen verwerkt wordt door een aftrek. Aldus resulteert een netto forfait.”.4
9. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) staat - voor zover hier van belang - het volgende over het eigenwoningforfait van 2,35%:
“In het kader van evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen is ook gekeken naar de huidige vormgeving van het eigenwoningforfait. De hoogte van het destijds nog als huurwaardeforfait aangeduide eigenwoningforfait werd vóór de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald door de eigen woning te beschouwen als een mix van een belegging (wat een heffing in de inkomstenbelasting rechtvaardigt) en een besteding (wat niet leidt tot een heffing in de inkomstenbelasting). Van een directe koppeling van de hoogte van het eigenwoningforfait aan deze twee aspecten is echter onder de sinds 1 januari 2001 geldende regeling geen sprake meer. Wij wijzen in dit verband op de wijze van indexering van het eigenwoningforfait met de huurindex en de waardeontwikkeling. Wel kan worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. Het eigenwoningforfait heeft in dat opzicht de laatste jaren de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende gevolgd. (…)
Daarnaast wordt in dit kader voorgesteld een hoger percentage (2,35) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 miljoen of meer, maar alleen voor het deel van de eigenwoningwaarde dat uitkomt boven € 1 miljoen. De grens is bij € 1 miljoen gelegd, aangezien naar onze mening vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. De verhoudingswijze grotere rol van het beleggingsaspect rechtvaardigt ook een hoger percentage, dat op grond van dit voorstel op 2,35 is gesteld. De hiervoor genoemde grens van € 1 miljoen wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie via indexatie. (…).
Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt de hoogte van het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait. Momenteel wordt vanaf een waarde van € 75 000 eenzelfde percentage van 0,55% als voordeel uit eigen woning in aanmerking genomen, zij het dat er wel een absoluut maximum geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de verschillende waarden van woningen in dit segment. Zo wordt bijvoorbeeld voor een woning met een waarde van € 80 000 eenzelfde procentueel voordeel in aanmerking genomen als voor een woning met een waarde van € 400 000 en een woning met een waarde van € 800 000. Vanaf een waarde van € 1 mln achten wij dit niet langer gewenst en daarom wordt – mede ingegeven door budgettaire overwegingen – voorgesteld per 1 januari 2009 een hoger percentage (2,35%) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 mln of meer. Deze verhoging geldt echter alleen voor het deel van de waarde dat uitgaat boven € 1 mln.”. 5
10. De Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) bevat de volgende nadere toelichting op het inmiddels in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35%:
“De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het percentage van 2,35% in het voorstel tot aanpassing van het eigenwoningforfait nader kan motiveren vanuit de «mix van beleggen en besteden». Hierop kan ik genoemde leden antwoorden dat in het algemeen geldt dat aan een eigen woning economisch gezien zowel een bestedingsaspect te onderkennen valt (verkrijging van woongenot) als een beleggingsaspect. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning. In het kader van een evenwichtig pakket aan maatregelen is gekeken of hele dure woningen op basis van de huidige regeling rond het eigenwoningforfait fiscaal reëel worden behandeld. Dat is niet het geval. In 2007 geldt een bijtelling (eigenwoningforfait) van 0,55% van de WOZ-waarde. Die bijtelling heeft een maximum van € 9 150. Dat betekent dat iemand met een woning van € 2 miljoen in 2007 een bijtelling krijgt van € 9 150 maar iemand met een woning van € 5 miljoen ook. Dure woningen worden op deze manier niet op een reële manier in de heffing betrokken. De eventuele extra renteaftrek wordt wel verleend, maar de bijtelling wordt niet hoger. Het kabinet stelt daarom twee maatregelen voor: vanaf 2009 vervalt het plafond in het eigenwoningforfait. Verder geldt dan voor het deel van de waarde van een woning boven € 1 miljoen een eigenwoningforfait van 2,35% van de WOZ-waarde.”.6
11. De rechtbank stelt voorop dat het heffen van belasting een inmenging is in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd, aangezien de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren.7 Bij de beoordeling of de heffing over inkomsten uit de eigen woning op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.8
12. Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Artikel 14 EVRM verbiedt een als discriminatie aan te merken ongelijke behandeling. Van discriminatie is sprake indien personen die in gelijke situaties verkeren zonder objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond anders worden behandeld.9 Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de zojuist genoemde ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.10 Indien het - zoals in onderhavig geval - niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is.11
13. De rechtbank ziet – mede gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd – geen aanleiding voor het oordeel dat bij het verhoogde eigenwoningforfait sprake is van strijdigheid met artikel 1 EP of artikel 14 EVRM. Uit de wettekst en de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het eigenwoningforfait van 2,35% voor woningen vanaf een bepaalde waarde. De wetgever heeft, in het kader van zijn streven naar evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen, de afweging gemaakt om bij duurdere woningen meer gewicht toe te kennen aan het beleggingsaspect (de waardeontwikkeling) en in zoverre dus een verschil te maken tussen belastingplichtigen met een eigen woning met een eigenwoningwaarde onder of juist boven een bepaald grensbedrag. De wetgever heeft de hem toekomende ruime beoordelingsmarge hierbij niet overschreden. In het bijzonder acht de rechtbank hierbij van belang dat het percentage van 2,35 alleen geldt voor dat gedeelte van de eigenwoningwaarde waarmee die waarde het grensbedrag (in 2023: € 1.200.000) overtreft. Dat de wetgever ook budgettaire aspecten in zijn beoordeling heeft betrokken maakt een en ander niet anders. Budgettaire aspecten zijn immers inherent aan (vrijwel) elke maatregel op het gebied van belastingheffing. Anders dan eiser meent, brengt ook de omstandigheid dat geheven wordt over inkomsten die niet feitelijk zijn gerealiseerd, naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de heffing in strijd is met artikel 1 EP.12
14. Gelet op het voorgaande, is het beroep ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. J.J. Arts en mr. K.G. Scholten, leden, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: