Home

Rechtbank Noord-Holland, 13-11-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:10074, AWB - 18 _ 3334

Rechtbank Noord-Holland, 13-11-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:10074, AWB - 18 _ 3334

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13 november 2019
Datum publicatie
17 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2019:10074
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3334

Inhoudsindicatie

Erflaatster was door huwelijksvermogensrecht gerechtigd tot een aanmerkelijk belang. In de aangifte IB werd geen melding gemaakt van (inkomen uit) een aanmerkelijk belang. De kans was niet onwaarschijnlijk dat de aangifte juist was. Immers, inkomensbestanddelen uit aanmerkelijk belang zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen die vrijelijk tussen partners kunnen worden verdeeld. Verweerder hoefde niet te twijfelen aan de juistheid van de aangifte. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte verweerder over een nieuw feit. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3334

(gemachtigde: mr. M. Roggeveen),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eisers voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 896.000. Bij afzonderlijke beschikking is € 39.038 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019 te Haarlem.

Namens eisers is [A] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. J.M. Geerdes. Tot bijstand zijn verschenen mr. [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.E.T. Nijssen en mr. O.C.W. Pos.

Overwegingen

Feiten

1. Mevrouw [X] (hierna: erflaatster) is op [# 1] geboren en op [# 2] 2012 overleden. Zij was ten tijde van haar overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [A] .

2. De huwelijksgemeenschap is door het overlijden van erflaatster ontbonden. Zij heeft als haar enige en algemene erfgenamen achtergelaten haar echtgenoot [A] en hun beide kinderen [D] en [E] .

3. Tot de wettelijke gemeenschap van goederen behoorden op [# 2] 2012 het 100% aanmerkelijk belang in [F] B.V. en het 100% aanmerkelijk belang in [G] B.V.. [A] was 100% aandeelhouder van deze beide vennootschappen. De verkrijgingsprijs van deze aandelen bedroeg € 18.000 ( [F] B.V.) respectievelijk € 36.102 ( [G] B.V.).

4. Op 22 januari 2013 is de aangifte erfbelasting inzake de nalatenschap van erflaatster ingediend bij de Belastingdienst/Schenk- & Erfbelasting te Rotterdam. In een meegezonden vermogensoverzicht is 50% van de intrinsieke waarde per 31 december 2011 van de aandelen [F] B.V. en [G] B.V. opgenomen, onder aftrek van een latente belastingschuld voor box 2 van 6,25% daarvan.

5. Op 29 mei 2013 is ten name van erflaatster aangifte ib/pvv 2012 gedaan. Er is niet vermeld dat erflaatster een aanmerkelijk belang had, en er zijn geen vervreemdingsvoordelen uit aanmerkelijk belang aangegeven. In de aangifte werd vermeld:

- dat de periode van samenwonen in 2012 eindigde op [# 2] 2012;

- dat erflaatster op [# 2] 2012 is overleden;

- het BSN van de fiscale partner [A] ;

- dat voldaan werd aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskortingen;

- het verzamelinkomen van de fiscale partner ad € 23.900.

6. Op 28 juni 2013 is geautomatiseerd een voorlopige aanslag ib/pvv 2012 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Vervolgens is de (primitieve) aanslag ib/pvv 2012 op 13 februari 2015 met een verzamelinkomen van € nihil geautomatiseerd vastgesteld.

7. De aangifte ib/pvv 2012 van de heer [A] is op 17 april 2014 ingediend. Op 30 januari 2015 is de aanslag ib/pvv 2012 van de heer [A] geautomatiseerd vastgesteld.

8. Naar aanleiding van een landelijk onderzoek naar de omvang en samenstelling van vermogen in de aangiften vennootschapsbelasting 2012 in relatie tot aangegeven/vastgesteld vervreemdingsvoordeel aanmerkelijk belang in de aanslagen ib/pvv 2012 van overleden (partners van) aanmerkelijk-belanghouders ontving de Belastingdienst MKB Hoorn signalen met betrekking tot te onderzoeken aanslagen ib/pvv 2012 van overleden aanmerkelijk-belanghouders of partners van die aanmerkelijk-belanghouders, waaronder die met betrekking tot de aanslag van eisers.

9. Na met adviseurs van eisers gevoerde correspondentie, heeft verweerder een navorderingsaanslag vastgesteld naar een berekend inkomen uit aanmerkelijk belang van € 896.000 (overdrachtsprijs 50% [F] B.V. € 730.000 minus verkrijgingsprijs € 9.000, zijnde € 721.000, en overdrachtsprijs 50% [G] B.V. € 194.021 minus verkrijgingsprijs € 18.052, afgerond € 175.000).

Geschil

10. In geschil is of:

- er sprake is van een nieuw feit en verweerder op grond daarvan een navorderingsaanslag mocht opleggen;

- het bedrag van de navorderingsaanslag juist is vastgesteld.

11. Eisers stellen primair dat er geen sprake is van een nieuw feit, waardoor verweerder

onterecht heeft nagevorderd. Subsidiair stellen eisers dat de navorderingsaanslag voor een te hoog bedrag is opgelegd omdat de aanslag verminderd zou moeten worden vanwege toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 4:17a Wet IB 2001 dan wel het opnemen van een voorziening wegens oninbaarheid voor vorderingen van de genoemde vennootschappen op [A] . Eisers concluderen tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de belastingaanslag, en subsidiair tot vermindering van de aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 245.014 dan wel € 288.769 dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

12. Verweerder stelt dat er sprake is van een nieuw feit, en dat het bedrag van de navorderingsaanslag tot een juist bedrag is berekend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit/ambtelijk verzuim

14. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet over een nieuw feit beschikte ten tijde van de navorderingsaanslag omdat hij de aanslag ib/pvv 2012 zonder nader onderzoek van de aangifte heeft opgelegd. Omdat namens erflaatster in haar aangifte ib/pvv 2011 inkomen uit aanmerkelijk belang was aangegeven en uit de ingediende aangifte 2012 blijkt dat erflaatster op [# 2] 2012 is overleden, had dit reden voor verweerder moeten zijn om nader onderzoek naar de aangifte in te stellen.

15. Verweerder stelt dat hij mocht uitgaan van de juistheid van de ingediende aangifte ib/pvv 2012. Immers, in deze aangifte, die een verzorgde indruk maakte, was niet vermeld dat erflaatster over een aanmerkelijk belang beschikte. Bij het opleggen van de aanslag wist verweerder ook niet welk huwelijksgoederenregime van toepassing was. Het feit dat erflaatster in 2011 inkomen uit aanmerkelijk belang had aangegeven zegt niets over het feit of zij ook aanmerkelijk-belanghoudster was of gerechtigd was tot een aanmerkelijk belang nu de toerekening van inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte kan plaatsvinden ongeacht wie aanmerkelijk-belanghouder is en ongeacht het huwelijksgoederenregime. De omstandigheid dat verweerder bij het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2012 wist dat erflaatster was overleden, verplichtte verweerder niet tot het instellen van een nader onderzoek.

16. Navordering op basis van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is mogelijk indien “enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag (…) tot een te laag bedrag is vastgesteld (…). Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is”.

17. Volgens vaste rechtspraak mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag ib/pvv uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Navordering is evenwel niet mogelijk als de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan. Bij de beoordeling van de vraag of de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er in een geval als het onderhavige op aan of die inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03456 en 11/03452, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, HR 22 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165 en HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082).

18. Vaststaat dat erflaatster zelf geen aandeelhouder was van [F] B.V. of [G] B.V., de vennootschappen van haar echtgenoot, maar dat de huwelijksgoederengemeenschap voor haar resulteerde in het gerechtigd zijn tot een aanmerkelijk belang in deze beide vennootschappen. In de aangifte ib/pvv 2012 van erflaatster is geen melding gemaakt van een aanmerkelijk belang, en geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. Onder de hiervoor vermelde omstandigheden was de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid aanwezig dat de in de aangifte vermelde gegevens juist waren, en behoefde verweerder daaraan niet te twijfelen. Ook het feit dat in de aangifte ib/pvv 2011 van erflaatster sprake is van voordeel uit aanmerkelijk belang, maakt dit niet anders nu, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, inkomen uit aanmerkelijk belang voor personen die gedurende een geheel jaar elkaars fiscale partners zijn een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is, hetgeen tussen hen vrijelijk kan worden verdeeld op grond van artikel 2:17 Wet IB 2001. Dat er in 2011 inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte vermeld was, betekende daarom niet dat verweerder, vanwege het overlijden van erflaatster in 2012, voor het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2012 had moeten onderzoeken of erflaatster aanmerkelijk-belanghouder was, of krachtens huwelijksvermogensrecht tot een aanmerkelijk belang gerechtigd was.

19. Daarbij overweegt de rechtbank dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag ib/pvv in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier van de betreffende belastingplichtige. Er is niet een verplichting voor de inspecteur tot het raadplegen van op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen, die voor het regelen van de bedoelde aanslag van belang zijn. Dit houdt in dat verweerder geen ambtelijk verzuim heeft begaan doordat hij geen kennis heeft genomen van de aangifte erfbelasting en de aangifte ib/pvv 2012 van de echtgenoot alvorens de aanslag ib/pvv 2012 van erflaatster vast te stellen. Verweerder is slechts dan tot een nader onderzoek buiten het bedoelde dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. HR 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249). Naar het oordeel van de rechtbank was die aanleiding er in dit geval niet omdat er voor verweerder, zoals hiervoor is overwogen, geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de in de aangifte ib/pvv 2012 ten name van erflaatster vermelde gegevens.

20. Gelet op het voorgaande beschikte verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslag over een nieuw feit, en wordt de primaire grief van eisers verworpen.

Hoogte navorderingsaanslag

21. Subsidiair hebben eisers betoogd dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd, omdat voor een bedrag van € 151.200 sprake zou zijn van ondernemingsvermogen dat zou kwalificeren voor de doorschuiffaciliteit van artikel 4:17a Wet IB 2001. Verweerder heeft gesteld dat geen sprake is van kwalificerend ondernemingsvermogen.

22. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de bewijslast dat sprake is van ondernemingsvermogen op eisers rust. Eisers hebben in dit verband niet meer aangevoerd dan dat uit de aangiften van [H] B.V., een deelneming gehouden door [F] B.V., en de wijze van financieren van de vastgoedactiviteiten van [H] B.V. met hoofdzakelijk vreemd vermogen, zou blijken dat deze vennootschap zich bezig hield met projectontwikkeling, althans met meer dan normaal vermogensbeheer. Ter zitting hebben eisers nog gesteld dat sprake was van het aankopen, opknappen en verkopen van panden, hetgeen een ondernemingsactiviteit zou zijn.

23. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat [H] B.V. op 19 januari 2011 is opgericht en op 27 juni 2017 is ontbonden en dat deze vennootschap in 2011 een aantal appartementsrechten heeft aangekocht en deze vervolgens de daarop volgende jaren weer verkocht heeft, over deze gehele periode van zes jaar slechts een resultaat van € 31.589 heeft gerealiseerd, en dat in de overgelegde aangiften vennootschapsbelasting van [H] B.V. geen grote bedragen aan onderhouds- en verbeteringskosten zijn verwerkt. Verweerder concludeert dat door eisers niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van enige activiteit in deze vennootschap die verder gaat dan normaal vermogensbeheer.

24. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers, met hetgeen zij hebben aangevoerd, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de deelneming van [F] B.V. in [H] B.V. en de door [I] B.V. aan deze deelneming verstrekte lening kwalificeren als ondernemingsvermogen in de zin van artikel 4:17a Wet IB 2001. Genoemde doorschuiffaciliteit is niet van toepassing. Er is daarom geen reden de navorderingsaanslag op deze grond te verlagen.

25. Verder hebben eisers aangevoerd dat de waarde in het economisch verkeer van de aandelen [F] B.V. en [G] B.V. op [# 2] 2012 aanzienlijk lager was dan de intrinsieke waarde volgens de balansen per 31 december 2011. Zij voeren aan dat – afgezien van de aandelen in deze beide genoemde vennootschappen – het netto vermogen van de huwelijksgemeenschap waartoe erflaatster gerechtigd was, € 197.845 bedroeg. Volgens eisers zou dit reden zou moeten zijn de vorderingen die deze beide vennootschappen op hun aandeelhouder hadden ten bedrage van € 1.155.742, wegens oninbaarheid af te waarderen, hetgeen in mindering zou moeten komen op de in aanmerking te nemen waarde van de aandelen.

26. Verweerder heeft deze stelling van eisers gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat voor de terugbetalingscapaciteit van [A] naast zijn vrij beschikbare vermogen ook rekening moet worden gehouden met te verwachten inkomsten, zoals zijn beloning voor werkzaamheden voor [F] B.V. (€ 27.500 in 2015, € 22.500 in 2016 en € 30.000 in 2017), te ontvangen dividend van zijn vennootschappen (€ 150.000 in 2012), zijn pensioeninkomsten (waaronder in 2017 € 39.060 van het [J] ). Tevens heeft verweerder gesteld dat [A] in een bespreking op 3 april 2018 over de aangiften vennootschapsbelasting 2014 en 2015 van [F] B.V. heeft medegedeeld dat hij voornemens is zijn gehele schuld aan [F] B.V. van ongeveer € 1.300.000 met de opbrengst van de verkoop van twee woningen en door middel van dividenduitkeringen af te lossen. Verweerder heeft ter zitting een verslag van mevrouw [K] van de belastingdienst van 3 april 2018 overgelegd, waarin deze mededeling van de heer [A] is opgenomen.

27. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers, op wie in dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de waarde in het economisch verkeer van de aandelen [F] B.V. en [G] B.V. op [# 2] 2012 op een lager bedrag dan de intrinsieke waarde daarvan per 31 december 2011 zou moeten worden vastgesteld vanwege een voorziening wegens oninbaarheid van de vorderingen van deze vennootschappen op hun aandeelhouder. De rechtbank is met eisers van oordeel dat in dit verband bepalend is wat de waarde van de aandelen is op [# 2] 2012, maar naar het oordeel van de rechtbank dient bij het bepalen van de betalingscapaciteit van [A] op die datum wel rekening te worden gehouden met in de nabije toekomst door hem in redelijkheid te genereren inkomsten, waaronder ook dividenden uit (toekomstige) winsten van de vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in de jaarrekeningen van 2012 en volgende jaren, en in de aangiften vennootschapsbelasting voor 2012 en volgende jaren, zoals ter zitting is komen vast te staan, geen voorziening voor oninbaarheid van deze vorderingen is opgenomen. Ook op deze grond is er daarom geen reden de navorderingsaanslag te verlagen.

Slotsom

28. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel