Home

Rechtbank Noord-Holland, 18-10-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:8821, AWB - 16 _ 4488

Rechtbank Noord-Holland, 18-10-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:8821, AWB - 16 _ 4488

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18 oktober 2019
Datum publicatie
1 november 2019
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2019:8821
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4488

Inhoudsindicatie

In geschil is of terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV. De rechtbank bevestigt deze vraag. Met het toestaan van beëindiging van de huur en het rechtstreeks verhuren van het pand hebben de aandeelhouders zich een voordeel laten ontgaan. Dit moet worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. Er is sprake van een winstuitdeling. De bevoordeling is terecht in de onderhavige jaren in aanmerking genomen. Eiser heeft recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding wijst de rechtbank af.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/4488 en HAA 18/2653

(gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers),

en

Procesverloop

HAA 16/4488

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 31.393, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 288.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.132.268. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 31.393, waarvan € 0 ondernemingsverlies, en is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 15.052.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 31.393, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 288.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 712.049. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

HAA 18/2653

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 14.010, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 388.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 462.440. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 11.680.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld.

Verweerder heeft voor beide zaken tezamen een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2018 te Haarlem. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van [A] met zaaknummers HAA 16/4802, HAA 16/4921, HAA 18/2522 en HAA 18/3696.

Namens eiser is verschenen mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma, kantoorgenoot van de gemachtigde, bijgestaan door mr. [B] en [C] , boekhouder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.W.G. Sweerts en T.C. Zuiddam.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen in de onderhavige zaken. Deze stukken zijn door de rechtbank ontvangen op 27 december 2018. Partijen zijn bij brief van 14 januari 2019 verzocht om aan te geven of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Eiser heeft bij brief van 24 januari 2019 laten weten geen bezwaar ertegen te hebben dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doet. Door verweerder is niet binnen de gestelde termijn gereageerd op de brief van de rechtbank, waarmee ook hij te kennen heeft gegeven geen bezwaar ertegen te hebben dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doet. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en [A] (hierna tezamen: de aandeelhouders) hielden in de onderhavige jaren ieder 50% van de aandelen in [D] BV (hierna: [D] ). Tot 30 december 2008 hield [D] 100% van de aandelen in [E] BV. Deze vennootschappen vormden tot die datum een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2. [E] BV exploiteerde in het onderhavige jaar een paaldansclub met bar in Amsterdam (hierna: de onderneming).

3. De aandeelhouders zijn in privé elk voor de onverdeelde helft eigenaar van een bedrijfspand aan de [F] (hierna: het pand).

4. Tot en met 2010 verhuurden de aandeelhouders het pand waarin de onderneming werd uitgeoefend aan [E] BV. In 2007 bedroeg de huurprijs € 72.822 per jaar. In een tussen eiser en verweerder gesloten vaststellingsovereenkomst van september 2015 is deze huurprijs als zakelijk aangemerkt.

5. Bij overeenkomst van 28 september 2006 heeft [E] BV de onderneming voor € 500.000 verkocht aan [G] BV. Daarin is onder meer overeengekomen dat [E] BV het pand aan [G] BV zal (onder)verhuren.

6. Op grond van een op 27 september 2006 tussen [E] BV en [G] BV gesloten huurovereenkomst wordt het pand voor een periode van tien jaar door [E] BV (onder)verhuurd aan [G] BV met de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging. De huurovereenkomst is ingegaan in mei 2007. De huurprijs bedraagt € 54.167 per maand (ongeveer € 650.000 per jaar).

7. Op 1 juni 2008 heeft [D] de aandelen in [E] BV verkocht aan [H] BV voor een bedrag van € 30.000 te vermeerderen met een jaarlijkse ‘earn out’ ter grootte van 94 percent van de door [E] BV over tien boekjaren gerealiseerde nettowinst.

8. Op 16 december 2009 hebben de aandeelhouders de verhuur van het pand aan [E] BV opgezegd per 1 januari 2011. Per laatstvermelde datum hebben de aandeelhouders de huurovereenkomst tussen [E] BV en [G] BV overgenomen en verhuren zij het pand rechtstreeks aan [G] BV.

2011

9. Eiser heeft op 29 april 2013 aangifte IB/PVV 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 31.393 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 397.686.

10. Verweerder heeft per brief met dagtekening 15 december 2014 zijn voornemen tot afwijking van de aangifte kenbaar gemaakt aan eiser. In de brief is, kort gezegd, aangekondigd dat inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking zal worden genomen ten bedrage van € 288.589 betreffende een winstuitdeling door [D] . Deze winstuitdeling ziet op het deel van de jaarhuur van € 650.000 dat uitgaat boven de zakelijk geachte jaarhuur van € 72.822. Dit bedrag, zijnde € 577.178, is door verweerder als een vermomde uitdeling aangemerkt, namelijk de winst die [D] zich laat ontgaan waardoor zij verarmt en welke onder de noemer van huur ten goede komt aan haar beide aandeelhouders, eiser en [A] , die daardoor zijn verrijkt. De helft van het bedrag is bij [A] in aanmerking genomen (€ 288.589) en de andere helft is bij eiser in aanmerking genomen (€ 288.589). Voorts heeft verweerder aangekondigd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te corrigeren in verband met de waarde van panden en toename van het vermogen met het zogenoemde U-rendement van 2,73%.

11. Met dagtekening 31 december 2014 is de onderhavige aanslag opgelegd.

12. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 15 januari 2015.

13. Op 31 maart 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar. Voorts heeft eiser verweerder verzocht alsnog binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen. Eiser heeft daarbij gewezen op de eventuele verbeurte van een dwangsom indien niet binnen twee weken uitspraak wordt gedaan.

14. Op 29 mei 2015 heeft eiser een aanvulling op zijn bezwaarschrift gegeven.

15. Eiser heeft op 16 maart 2016 verweerder nogmaals verzocht alsnog binnen twee weken uitspraak te doen op het bezwaarschrift en daarbij verzocht de reeds verbeurde dwangsom van € 1.260 aan eiser te betalen.

16. Op 4 april 2016 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar door verweerder. De rechtbank heeft hierop op 12 mei 2016

(HAA 16/1314, ECLI:NL:RBNHO:2016:4588) bij op diezelfde dag verzonden uitspraak als volgt beslist:

“Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

- stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar vast op € 1.260;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 124;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

17. Op 9 augustus 2016 heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin is het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot op € 712.049. Verder is aan eiser op grond van genoemde beslissing van de rechtbank een dwangsom toegekend van in totaal € 8.760 (€ 1.260 + € 7.500).

18. Tegen de uitspraak op bezwaar is door eiser op 13 september 2016 (tevens op die datum per fax ontvangen door de rechtbank) beroep ingesteld. Het beroep richt zich niet tegen de toegekende dwangsom.

2012

19. Eiser heeft op 25 april 2014 aangifte IB/PVV 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 14.040, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 100.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 426.240.

20. Verweerder heeft per brief met dagtekening 11 januari 2017 zijn voornemen tot afwijking van de aangifte kenbaar gemaakt aan eiser. In de brief is, kort gezegd, aangekondigd dat inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking zal worden genomen ten bedrage van € 288.589 betreffende een winstuitdeling door [D] . Deze winstuitdeling ziet op het deel van de jaarhuur van € 650.000 dat uitgaat boven de zakelijk geachte jaarhuur van € 72.822. Dit bedrag, zijnde € 577.178, is door verweerder als een vermomde uitdeling aangemerkt, namelijk de winst die [D] zich laat ontgaan waardoor zij verarmt en welke onder de noemer van huur ten goede komt aan haar beide aandeelhouders, eiser en [A] , die daardoor zijn verrijkt. De helft van het bedrag is bij [A] in aanmerking genomen (€ 288.589) en de andere helft is bij eiser in aanmerking genomen (€ 288.589). Voorts heeft verweerder aangekondigd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te corrigeren in verband met de waarde van panden.

21. Met dagtekening 31 januari 2017 is de onderhavige aanslag opgelegd.

22. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 28 februari 2017.

23. Op 14 juni 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard.

24. Hiertegen is door eiser op 21 juni 2018 (ontvangen door de rechtbank op 22 juni 2018) beroep ingesteld.

Geschil 25. In geschil is of verweerder terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij het opleggen van de onderhavige aanslagen IB/PVV.

Beslissing

Rechtsmiddel