Rechtbank Noord-Holland, 04-07-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544, HAA 22/975 t/m HAA 22/985
Rechtbank Noord-Holland, 04-07-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544, HAA 22/975 t/m HAA 22/985
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 4 juli 2024
- Datum publicatie
- 14 januari 2025
- Zaaknummer
- HAA 22/975 t/m HAA 22/985
- Relevante informatie
- Art. 5.1 Wet IB 2001, Art. 5:9 Awb, Art. 8:42 Awb, Art. 16 AWR, Art. 47 AWR, Art. 67d AWR, Art. 67g AWR, Art. 67e AWR
Inhoudsindicatie
Aanslagen inkomstenbelasting 2008 t/m 2011 en 2013 t/m 2019. Verweerder heeft (navorderings)aanslagen en boetes opgelegd naar aanleiding van ontvangen informatie over buitenlandse spaarrekeningen. Tussen partijen is (onder andere) in geschil of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen, of het onderzoek naar buitenlandse bankrekeningen onrechtmatig was, of de boetebeschikkingen aan de formele vereisten voldoen en of de boetes terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd.
De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder met het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2015 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de verlengde navorderingstermijn daarom niet toegepast kan worden. Dit heeft als gevolg dat de navorderingsaanslagen en vergrijpboetes vernietigd worden.
De rechtbank is van oordeel dat de informatieverzoeken niet onrechtmatig waren omdat verweerder op grond van art. 47 AWR een ruimte bevoegdheid heeft. Volgens de rechtbank voldoen de boetebeschikkingen bovendien aan de formele vereisten en is (voor de overige jaren) voldoende overtuigend aangetoond dat het aan de opzet van eiser te wijten is dat te weinig belasting is geheven. De opgelegde boetes worden wel verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 22/975 tot en met HAA 22/985
(gemachtigde: mr. A.W. van Dalen),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en heffings-/belastingrentebeschikkingen en boetebeschikkingen vastgesteld. Hieronder zijn per jaar de IB/PVV over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vermeld (IB/PVV box 3), de rente- en boetebedragen en het door eiser verschuldigde totaalbedrag per aanslagbiljet:
|
Jaar |
Aanslagnummer |
Dagteke-ning |
IB/PVV box 3 |
Rente |
Vergrijpboete (75%) |
Te betalen |
Zaak-nr. |
|
2008 |
[aanslagnummer 2] |
11-12-2020 |
€ 1.448 |
€ 621 |
Geen |
€ 2.069 |
22/975 |
|
2009 |
[aanslagnummer 3] |
27-03-2021 |
€ 1.443 |
€ 571 |
€ 1.082 |
€ 3.096 |
22/976 |
|
2010 |
[aanslagnummer 4] |
27-03-2021 |
€ 2.542 |
€ 911 |
€ 1.906 |
€ 5.359 |
22/977 |
|
2011 |
[aanslagnummer 5] |
27-03-2021 |
€ 3.639 |
€ 1.245 |
€ 2.729 |
€ 7.613 |
22/978 |
|
2013 |
[aanslagnummer 6] |
07-04-2021 |
€ 3.927 |
€ 1.031 |
€ 2.928 |
€ 7.865 |
22/979 |
|
2014 |
[aanslagnummer 7] |
07-04-2021 |
€ 3.957 |
€ 874 |
€ 2.925 |
€ 7.701 |
22/980 |
|
2015 |
[aanslagnummer 8] |
07-04-2021 |
€ 3.953 |
€ 719 |
€ 2.928 |
€ 7.552 |
22/981 |
|
2016 |
[aanslagnummer 9] |
07-04-2021 |
€ 3.984 |
€ 563 |
€ 2.907 |
€ 7.379 |
22/982 |
|
2017 |
[aanslagnummer 10] |
07-04-2021 |
€ 4.200 |
€ 427 |
€ 3.042 |
€ 7.577 |
22/983 |
|
2018 |
[aanslagnummer 1] |
07-04-2021 |
€ 3.824 |
€ 241 |
€ 2.800 |
€ 6.809 |
22/984 |
|
2019 |
[aanslagnummer 11] |
13-04-2021 |
€ 3.160 |
€ 15 |
€ 449 |
€ 1.053 |
22/985 |
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 17 december 2021 de hierboven vermelde (navorderings)aanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen 2009 tot en met 2018 gehandhaafd. De boetebeschikking over het jaar 2019 is bij uitspraak op bezwaar vernietigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2024 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019 geen melding gemaakt van de door hem aangehouden bankrekeningen bij de Duitse bank [bank] (hierna: de [bank] ).
2. Voor het jaar 2012 heeft eiser geen aangifte gedaan en heeft verweerder geen (navorderings)aanslag opgelegd.
3. De Duitse autoriteiten hebben via het Central Liaison Office (hierna: CLO) op grond van de Common Reporting Standard gegevens van eiser gerenseigneerd over de door hem aangehouden bankrekeningen bij de [bank] . De gegevens van eiser die werden gerenseigneerd, waren onder meer het burgerservicenummer, de bankrekeningnummers en de banksaldi per einde kalenderjaar.
4. Over het jaar 2016 zijn de gegevens van eiser door de Duitse autoriteiten gerenseigneerd op 11 oktober 2017 en ontvangen door verweerder op 26 oktober 2017. Over het jaar 2017 zijn de gegevens van eiser gerenseigneerd op 28 augustus 2018 en ontvangen door verweerder op 7 september 2018. Over het jaar 2018 zijn de gegevens van eiser gerenseigneerd op 15 augustus 2019 en ontvangen door verweerder op 4 februari 2020.
5. Op basis van de gegevens van het CLO over het jaar 2018 heeft verweerder eiser opgenomen in het project Common Reporting Standard natuurlijke personen (hierna: project CRS NP).
6. Op 12 februari 2020 heeft verweerder een vragenbrief aan eiser gestuurd met het verzoek informatie te geven over zijn buitenlandse vermogen bij de [bank] .
7. Op 16 april 2020 heeft eiser verzocht om uitstel voor het aanleveren van de stukken naar aanleiding van de brief van 12 februari 2020.
8. Op 10 juli 2020 heeft verweerder nadere informatie ontvangen van eiser.
9. In de periode september 2020 tot en met november 2020 hebben eiser en verweerder enige malen gecorrespondeerd.
10. Op 28 november 2020 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij over het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV heeft opgelegd. Bij het opleggen van deze navorderingsaanslag heeft verweerder het gemiddelde saldo van de bankrekeningen bij de [bank] aan de hand van de saldi per 31 december 2009 en 31 december 2010 geschat op € 141.000, omdat geen bankafschriften over het jaar 2008 meer beschikbaar waren. Voor het jaar 2008 is geen boete opgelegd.
11. In diezelfde brief van 28 november 2020 heeft verweerder zijn voornemen medegedeeld tot het opleggen van (navorderings)aanslagen IB/PVV en vergrijpboetes van 150% vanwege het (voorwaardelijk) opzettelijk doen van onjuiste aangiften over de jaren 2009 tot en met 2019.
12. In januari 2021 hebben eiser en verweerder gecorrespondeerd over de vergrijpboetes.
13. Op 12 maart 2021 heeft een gesprek via Webex plaatsgevonden tussen eiser en zijn gemachtigde en verweerder.
14. Op 15 maart 2021 heeft verweerder aan eiser aangekondigd dat hij voor de jaren 2009 tot en met 2019 (navorderings)aanslagen IB/PVV en een vergrijpboete van 75% voor het met grove schuld doen van onjuiste aangiften zal opleggen. Ten aanzien van de vergrijpboete is – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“Mededeling opleggen vergrijpboete IH 2009 tot en met 2019
Naast de gevolgen voor de belastingheffing heb ik besloten om aan u een vergrijpboete op te leggen ingevolge art. 67d, eerste en/of vijfde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of art. 67e, eerste en/of zesde lid, AWR.