Home

Rechtbank Noord-Holland, 02-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14987, AWB - 24 _ 855

Rechtbank Noord-Holland, 02-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14987, AWB - 24 _ 855

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
2 december 2025
Datum publicatie
20 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:14987
Zaaknummer
AWB - 24 _ 855
Relevante informatie
Art. 6 Wvad, Art. 9 Wvad, Art. 26 Wvad, Art. 1:1 Adw, Art. 7:6 Adw, Art. 4:84 Awb

Inhoudsindicatie

Douanerecht. Artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelasting van alsholvrije dranken. Producten kwalificeren als limonade.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 24/855 en HAA 24/856

(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma),

en

Dit beroep gaat over de vraag of de door eiseres ingevoerde producten kwalificeren als limonade in de zin van artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (hierna: WVAD).

Procesverloop

Op 22 juli 2023 heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ter hoogte van € 30.725,70 aan verbruiksbelasting en € 1.783,25 aan rente op achterstallen (hierna: utb 1) en een utb ter hoogte van € 69.753,87 aan verbruiksbelasting en € 4.166,88 aan rente op achterstallen (hierna: utb 2).

Eiseres heeft daartegen bezwaar ingediend.

Verweerder heeft met dagtekening 19 januari 2024 in elke zaak uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin zijn de bezwaren ongegrond verklaard en utb 1 en utb 2 gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen utb 1 in behandeling genomen onder kenmerk HAA 24/855 en het beroep tegen utb 2 onder kenmerk HAA 24/856.

Verweerder heeft met betrekking tot beide zaken één verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025.

Namens eiseres zijn verschenen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door mr. B.J.B. Boersma, mr. [naam 5] en [naam 6] BBA.

Namens verweerder zijn verschenen: mr. [naam 7] en MSc [naam 8] .

Feiten

1. In de periode van 8 maart 2021 tot en met 14 april 2022 dient [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) als direct vertegenwoordiger via het geautomatiseerde aangiftesysteem in naam en voor rekening van eiseres 100 aangiften in voor het plaatsen onder de regeling “in het vrije verkeer brengen” van producten die in de aangiften worden omschreven als voedingssupplementen voor spiergroei dan wel als voedingspreparaten (hierna ook: de producten). In de aangiften is niet de nationale aanvullende goederencode voor de verbruiksbelasting vermeld.

2. Verweerder legt telkens utb’s op conform de gegevens in de aangiften. In die utb’s zijn geen bedragen aan verbruiksbelasting begrepen.

3. Bij e-mail van 17 augustus 2022 met bijlagen kondigt verweerder bij [bedrijf] twee administratieve controles aan. De ene controle heeft betrekking op aangiften met een aanvaardingsdatum in de periode van 19 februari 2021 tot en met 19 oktober 2021 en de andere controle op aangiften met een aanvaardingsdatum gelegen in de periode van
21 oktober 2021 tot en met 14 april 2022. De controles zien op de juistheid van de vermelde goederencodes in de betreffende aangiften, meer specifiek of verbruiksbelasting is verschuldigd over de ingevoerde producten. Van deze controles zijn controlerapporten opgesteld, die eerst in conceptversie en vervolgens in definitieve versie aan eiseres zijn verstrekt.

4. Bij brieven van 16 januari 2023 kondigt verweerder aan dat hij voornemens is om twee utb’s op te leggen, een voor een bedrag van € 32.188 aan verbruiksbelasting en een tweede voor een bedrag van € 70.741 aan verbruiksbelasting.

5. Na de reactie van eiseres op deze voornemens kondigt verweerder bij brieven van
4 april 2023 aan dat hij voornemens is om twee - lagere - utb’s op te leggen, een voor een bedrag van € 30.725 en een tweede voor een bedrag van € 69.753 aan verbruiksbelasting.

6. Met dagtekening 22 juli 2023 legt verweerder, overeenkomstig zijn onder overweging 5 opgenomen voornemens, utb 1 en utb 2 op aan eiseres zoals vermeld in het procesverloop.

Geschil

7. In deze zaken is tussen partijen in geschil of verweerder terecht utb 1 en utb 2 heeft opgelegd en rente op achterstallen in rekening heeft gebracht. Meer in het bijzonder is in geschil of de producten als limonade in de zin van artikel 9, eerste lid, van de WVAD dienen te worden aangemerkt.

In de zaak met nummer HAA 24/856 is verder in geschil of het recht op verdediging en/of het vertrouwensbeginsel zijn geschonden. Eiseres heeft ter zitting deze formele gronden in de zaak met nummer HAA 24/855 ingetrokken.

8.1

Eiseres stelt in beide zaken dat de producten niet kwalificeren als limonade en dat utb 1 en utb 2 daarom ten onrechte zijn opgelegd. Eiseres voert daartoe onder meer aan dat verweerder, op wie de bewijslast rust, onvoldoende kennis heeft van de relevante eigenschappen van de producten. Het feit dat verweerder enkel verwijst naar screenshots en labels is onvoldoende om te kunnen vaststellen of de producten kwalificeren als limonade. Er zijn verschillen tussen de producten en daarom is extrapolatie niet mogelijk. In sommige producten zit meer dan 0,02%mas soja-eiwit en geen wei. Uit diverse bronnen, zoals filmpjes op YouTube, blijkt dat de producten juist niet worden aangelengd met water om er een drank van te maken, maar worden toegepast in heel andere bereidingen in vaste vorm. Voor hetzelfde product, waarop een etiket is geplakt met de toepassing ‘aanlengen met melk’, wordt geen verbruiksbelasting in rekening gebracht.

Eiseres wijst op de uitspraak van deze rechtbank van 11 mei 2010 (ECLI:NL:RBHAA:2010:BM8061, hierna ook: de 2010-uitspraak) waarin is geoordeeld dat producten als de onderhavige niet kwalificeren als limonade. Deze uitspraak heeft formele rechtskracht en is niet achterhaald door latere uitspraken.

Voorts stelt eiseres dat over verbruiksbelasting geen rente op achterstallen kan worden berekend omdat hiervoor een wettelijke bepaling ontbreekt.

8.2

Eiseres stelt verder in de zaak met nummer HAA 24/856 dat het recht op verdediging is geschonden omdat verweerder in de voornemen- en bezwaarfase essentiële stukken niet heeft overgelegd ondanks herhaalde verzoeken. Ook in de beroepsfase zijn nog steeds niet alle stukken overgelegd. Eiseres stelt dat de primaire besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en daarom een effectief verweer in de controle- en bezwaarfase niet mogelijk was.

Voorts stelt eiseres dat een in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat geen verbruiksbelasting zou worden geheven over de producten, gelet op de 2010-uitspraak en het feit dat verweerder nooit enige uitlating heeft gedaan waaruit volgt dat de kwalificatie moest plaatsvinden in afwijking van de 2010-uitspraak.

8.3

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de utb’s. Eiseres verzoekt voorts om vergoeding van de proceskosten en om vergoeding van immateriële schade.

9. Verweerder stelt dat de producten wel als limonade kwalificeren en dat de utb’s daarom terecht zijn opgelegd. Er is ook terecht rente op achterstallen in rekening gebracht. Het beroep op het verdedigingsbeginsel kan niet slagen omdat verweerder alle relevante stukken die nodig zijn voor de beslechting van het geschil, heeft ingebracht. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan evenmin slagen. Er is geen sprake van een nauwkeurige toezegging dat producten met een hoog eiwitgehalte niet zouden worden belast omdat ze niet bestemd zijn om de dorst te lessen. Als er wel sprake zou zijn van een nauwkeurige toezegging, dan is die toezegging in strijd met het recht. Bovendien heeft de Douane met de publicatie op 27 oktober 2020 in het Handboek verbruiksbelasting duidelijk gesteld dat het “dorstlessende karakter” van een alcoholvrije drank geen zelfstandig criterium is bij de beantwoording van de vraag of een drank een limonade is. Daarmee had het voor eiseres duidelijk moeten zijn dat haar producten onderhevig zijn aan verbruiksbelasting en dat de 2010-uitspraak niet juist was.
In het Handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken van de Douane (hierna: het handboek verbruiksbelasting) is vanaf 27 oktober 2020 onder meer de volgende passage opgenomen:

“6.1 Producten aangemerkt als limonade

De volgende producten worden aangemerkt als limonade (artikel 9, WVAD):

(…)

Bepaalde alcoholvrije vloeibare voedingssupplementen, die als zodanig gereed zijn om als dranken te worden gebruikt (mits deze dranken geen van melk afkomstige vetstoffen bevatten met een gehalte aan melkvetten van 0,02%mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden)

(…).

Het dorstlessend karakter van een alcoholvrije drank is geen zelfstandig criterium voor de vaststelling of het om ‘limonade’ gaat. In de Memorie van Toelichting op artikel 9 WVAD is deze term enkel gebruikt om een afbakening te maken tussen limonade en medicinale dranken.”

9.1

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Relevante regelgeving

Beoordeling door de rechtbank

Conclusies en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep