Home

Rechtbank Noord-Nederland, 17-08-2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3017, 18/750012-20

Rechtbank Noord-Nederland, 17-08-2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3017, 18/750012-20

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17 augustus 2022
Datum publicatie
23 augustus 2022
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2022:3017
Formele relaties
Zaaknummer
18/750012-20
Relevante informatie
Wetboek van Strafrecht [Tekst geldig vanaf 15-05-2025 tot 01-07-2025] art. 57, Wetboek van Strafrecht [Tekst geldig vanaf 15-05-2025 tot 01-07-2025] art. 63

Inhoudsindicatie

Mega-zaak Vidar. Inzet criminele burgerinfiltrant. De rechtbank heeft 15 verdachten veroordeeld voor feiten die verband houden met de uitvoer van forse hoeveelheden harddrugs, witwassen, deelname aan een criminele organisatie en wapenbezit. Vijf verdachten zijn vrijgesproken. De straffen die rechtbank heeft opgelegd variëren van 7 jaar gevangenisstraf tot 80 uur taakstraf.

Zie ook ontneming ECLI:NL:RBNNE:2022:3325.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie

Leeuwarden

parketnummer 18/750012-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 augustus 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam]

A. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2022, 10 februari 2022, 7 maart 2022, 25 maart 2022, 13 april 2022, 26 april 2022 en 12 mei 2022. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 17 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.S. Kappeyne van de Coppello en H.J. Mous en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mrs. J-H.L.C.M Kuijpers en A.A. Boersma, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Inleidende opmerkingen

De strafzaak tegen verdachte is een onderdeel van het resultaat van een grootschalig onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast , in Harlingen bij de internationale handel in harddrugs. Het resultaat van het onderzoek is mede bereikt door de inzet van de criminele burger A-4110 als pseudokoper/-dienstverlener, informant en infiltrant.

Van het dwangmiddel criminele burgerinfiltratie is sinds de IRT-affaire in de jaren '90 geen gebruik meer gemaakt. In aanloop naar deze affaire zijn ter bestrijding van de georganiseerde misdaad bewust tonnen drugs doorgelaten onder regie van politie en justitie. Hierbij zijn gestuurde burgerinfiltranten behulpzaam geweest, waaronder ook criminele burgerinfiltranten.12 Naar aanleiding hiervan is een parlementaire enquête gehouden.3 De Parlementaire enquête opsporingsmethoden, IRT (1994-1996) concludeert in haar rapport van 1 februari 1996 dat van criminele burgerinfiltranten die onder regie van politie en justitie strafbare feiten plegen - geen gebruik moet worden gemaakt.4

Op 19 november 1998 wordt de motie-Kalsbeek-Jasperse ingediend. In deze motie is een algemeen verbod tot de inzet van criminele burgerinfiltranten door de politie en het openbaar ministerie opgenomen.5 In de motie wordt overwogen dat het werken met een criminele burgerinfiltrant een hoog processueel afbreukrisico kent. Het handelen van de criminele burgerinfiltrant is daarnaast in het algemeen slecht controleerbaar. Door de vaak voorkomende zogenaamde "dubbele agenda" bij een criminele burgerinfiltrant is slecht te controleren of zijn handelen voldoet aan het Tallon-criterium.6 De motie is op 26 november 1998 door de Tweede Kamer aanvaard.7

Op 25 maart 2014 heeft de Tweede Kamer haar verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen. Op die datum wordt door de Tweede Kamer namelijk de motie-Recourt c.s. aanvaard.8 In deze motie wordt overwogen dat er zware criminelen en criminele organisaties zijn die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. Bij deze vorm van zware criminaliteit kan de inzet van buitengewone opsporingsbevoegdheden, waaronder de inzet van de criminele burgerinfiltrant, noodzakelijk zijn, De inzet van een criminele burgerinfiltrant moet zeer zorgvuldig plaatsvinden vanwege de hoge processuele afbreukrisico’s. Alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen moet gewerkt kunnen worden met inzet van de criminele burgerinfiltrant. De Tweede Kamer verzoekt de regering dan ook om een criminele burgerinfiltrant alleen in te zetten:

-

als voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit;

-

onder een zeer streng regime van waarborgen;

-

bij zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit;

-

in korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van groei-infiltranten;

-

na toestemming van de minister van Veiligheid en Justitie.9

De rechtmatigheid van de inzet van de criminele burger A-4110 als burgerinfiltrant is één van de centrale thema's in deze zogenoemde megazaak met de naam "Vidar".

Binnen het onderzoek Vidar zijn meerdere personen als verdachte aangemerkt. In totaal staan 23 verdachten terecht. Drie zaken zijn al afgedaan. De verdenkingen tegen de verdachten variëren van betrokkenheid bij de internationale handel in harddrugs tot het witwassen van (aanzienlijke) geldbedragen en het bezit van vuurwapens of harddrugs. Aan de acht hoofdverdachten wordt verweten dat zij deel hebben genomen aan een criminele organisatie die zich onder meer bezig heeft gehouden met de internationale handel in harddrugs.

Het politiedossier van het onderzoek Vidar (NNRAA18011) is opgemaakt door de Nationale Politie, Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Generieke Opsporing. De ordners van het politiedossier zijn als volgt onderverdeeld en doorgenummerd:

-

algemeen dossier, pagina 1 tot en met 17449;

-

algemeen dossier nazending februari 2021, pagina 9368 tot en met 9556;

-

algemeen dossier nazending oktober 2021, pagina 9557 tot en met 9975;

-

algemeen dossier nazending december 2021, pagina 9976 tot en met 10007;

-

beslag dossier, pagina 1 tot en met 1005;

-

beslag dossier nazending oktober 2021, pagina 1006 tot en met 1091;

-

beslag dossier nazending december 2021, pagina 1092 tot en met 1114;

-

methodieken dossier, pagina 1 tot en met 7663;

-

methodieken dossier nazending februari 2021, pagina 7087 tot en met 7098; - methodieken dossier nazending oktober 2021, pagina 7099 tot en met 7106.

Het politiedossier is opgebouwd uit 33 zaaksdossiers. In deze zaaksdossiers staan de onderzoeksbevindingen beschreven die geleid hebben tot de verdenkingen tegen de verdachten. Thans zijn 28 zaaksdossiers van belang. In deze zaaksdossiers draait het, kort en zakelijk weergegeven, om het volgende:

  1. poging tot uitvoer van één kilogram cocaïne naar Noord-Ierland;

  2. uitvoer van 987,41 gram amfetamine en 99,75 gram cocaïne naar Noord-Ierland;

  3. uitvoer van 4.980,60 gram amfetamine naar Noord-Ierland; 4. uitvoer van 8.315,88 gram amfetamine naar Noord-Ierland;

5. uitvoer van 9.893,10 gram amfetamine naar Noord-Ierland;

6. uitvoer van 12.227,58 gram amfetamine en 964,29 gram MDMA naar Noord-Ierland;

7. voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van 140 kilogram amfetamine naar Finland;

8. voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van 300 kilogram harddrugs naar Australië;

9. uitvoer van 86 kilogram amfetamine naar Finland;

10. voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van 30 kilogram amfetamine naar Denemarken;

11. deelneming aan een criminele organisatie;

12. witwassen van € 100.000,00;

13. witwassen van € 4.000,00;

14. witwassen van € 78.000,00 uit Finland;

15. witwassen van € 300,00;

16. witwassen van € 35.000,00, € 5.000,00, € 20.000,00, € 11.000,00 en € 15.000,00 uit Finland;

17. witwassen van € 140.000,00 uit Finland;

18. witwassen van € 200.000,00, een BMW en € 75.000,00;

19. witwassen van € 20.000,00;

20. witwassen van € 29.225,00 en 32.800,00 NOK;

21. witwassen van 20.300,00 DKK;

22. witwassen van € 15.085,00, € 18.650,00, € 25.120,00, € 28.510,00 en € 4.950,00;

23. voorhanden hebben van een pistool, twee patroonmagazijnen en 19 kogelpatronen;

25. voorhanden hebben van drie pistolen, twee patroonmagazijnen en 105 kogelpatronen;

25. voorhanden hebben van een pistool, een patroonmagazijn en 33 kogelpatronen;

28. aanwezig hebben van 3,42 gram MDMA, 4,68 gram amfetamine en 23,43 gram GHB;

28. aanwezig hebben van 1.113,50 gram amfetamine en 275 xtc-pillen;

33. aanwezig hebben van 10.032,23 gram amfetamine en 1.927,16 gram cocaïne.

Daar waar de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van één of meer ten laste gelegde feiten, zal zij - om redenen van efficiëntie - de bewijsmiddelen uit het betreffende zaaksdossier voor de betrokken verdachten op gelijke wijze beschrijven. De rechtbank onderkent dat als gevolg hiervan niet alle bewijsmiddelen voor de betreffende verdachte in gelijke mate van belang zijn.

C. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1:

(zaaksdossier 1) hij op of omstreeks 4 september 2018 in Leeuwarden en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, ongeveer één kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tezamen en in vereniging met die mededader(s):

-

naar Van der Valk Hotel Leeuwarden is gereden en/of

-

naar Amsterdam is gereden (in de buurt van winkelcentrum De Kameleon (voorheen Kraaiennest)) en/of

-

met één of meer personen contact heeft gezocht/gehad om één kilogram cocaïne aante schaffen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

(zaaksdossiers 2, 3, 4, 5 en 6)

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2018 tot en met 1 april 2019 in Leeuwarden en/of [plaats] en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk, meermalen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten

(zaaksdossier 2)

- op of omstreeks 14/15 oktober 2018, ongeveer 987,41 gram van een materiaal bevattendeamfetamine en/of ongeveer 99,75 gram van een materiaal bevattende cocaïne en/of

(zaaksdossier 3)

- op of omstreeks 12 november 2018, ongeveer 4.980,6 gram van een materiaal bevattendeamfetamine en/of

(zaaksdossier 4)

- op of omstreeks 11 december 2018, ongeveer 8.315,88 gram van een materiaal bevattendeamfetamine en/of

(zaaksdossier 5)

- op of omstreeks 14 februari 2019, ongeveer 9.893,1 gram van een materiaal bevattende amfetamineen/of

(zaaksdossier 6)

- in de periode van 24 maart 2019 tot en met 1 april 2019, ongeveer 12.227,58 gram van eenmateriaal bevattende amfetamine en/of 964,29 gram van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3:

(zaaksdossier 9)

dat verdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] , in of omstreeks de periode van 24 januari 2020 tot en met 2 maart 2020 in Leeuwarden en/of Peins en/of Ried, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland hebben gebracht als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, ongeveer 86 kilo speed/amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij welk feit hij, verdachte, op 1 maart 2020 in Leeuwarden opzettelijk behulpzaam is geweest door

-

naar een bespreking in [bedrijf 5] te gaan en/of

-

( vervolgens) mee te gaan in de auto naar de woning van A-4110 om het geld voor de aanbetalingvan bovenvermelde drugstransactie te helpen tellen en/of

-

( aldaar) de elastiekjes van de bundeltjes geld te verwijderen in verband metmogelijk aanwezige DNA-sporen op die elastiekjes;

feit 4:

(zaaksdossier 11)

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2018 tot en met 2 maart 2020 in Leeuwarden en/of Zurich, in de gemeente Súdwest-Fryslân, en/of Noardburgum en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, en in Finland en in Thailand, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] en

[medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven namelijk:

-

het buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden en/of bewerkenen/of verwerken en/of vervaardigen en/of vervoeren en/of leveren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, strafbaar gesteld in artikel 2, aanhef en onder A en/of B en/of D van de Opiumwet en/of

-

het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumweten/of

-

witwassen als bedoeld in artikel 420bis en/of artikel 420ter en/of artikel 420quater van het Wetboekvan Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

D. Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

1 Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Door deze verzuimen kan geen sprake zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Het openbaar ministerie is daarom niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte. De raadslieden hebben daartoe het volgende aangevoerd:

a. Het opsporingsonderzoek tegen verdachte is gestart zonder dat ten aanzien van verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Dit levert een vormverzuim op.

De tegen verdachte ingezette opsporingsbevoegdheden waren niet gericht op verdachte, maar op het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast , bij de internationale handel in harddrugs. De opsporingsbevoegdheden zijn daarmee voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze zijn gegeven. Dit levert strijd op met het verbod van détournement de pouvoir (het beginsel van zuiverheid van oogmerk).

Het openbaar ministerie heeft gebruik gemaakt van de verdenking tegen verdachte om zicht te krijgen op de betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast , bij de internationale handel in harddrugs. De beslissing om vervolgens met dit doel een opsporingsonderzoek tegen verdachte in te stellen getuigt niet van een redelijke en billijke belangenafweging en laat zich als willekeur aanmerken. Dit levert een vormverzuim op.

A-4110 heeft in de periode van 3 januari 2018 tot en met 4 september 2018 (tijdens nietgeverbaliseerde en niet-opgenomen contactmomenten) verdachte door middel van (ontoelaatbare) druk bewogen tot het plegen van strafbare feiten en hem daarbij gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Hierdoor is het instigatieverbod (Tallon-criterium) geschonden. Dit levert een vormverzuim op.

De controle op de inzet van A-4110 in de periode van 3 januari 2018 tot en met 4 september 2018 is gebrekkig geweest. Hierdoor is - naar de rechtbank begrijpt - de controle op het handelen van A4110, in het bijzonder ten aanzien van de vraag of door zijn optreden het instigatieverbod is geschonden, onmogelijk gemaakt. Dit levert een vormverzuim op.

2 Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat bij het voorbereidend onderzoek zich geen vormverzuimen hebben voorgedaan die moeten leiden tot één van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen.

3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging van verdachte. De rechtbank is niet gebleken dat de gestelde vormverzuimen zich hebben voorgedaan. Het verweer van de raadslieden wordt dan ook verworpen. Met betrekking tot de hiervoor onder a tot en met e weergegeven verweren van de raadslieden overweegt de rechtbank het volgende: a. De verdenking

Ingevolge artikel 27, eerste lid, Sv dient vóórdat de vervolging is aangevangen als verdachte aangemerkt te worden degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.10

Uit een verdachte betreffend proces-verbaal van verdenking komt naar voren dat de verdenking tegen verdachte - het (medeplegen) van (voorbereidingshandelingen voor) de opzettelijke uitvoer van harddrugs - in de kern is gebaseerd op de verklaringen van A-4110 over de ontmoetingen met verdachte op 3 januari 2018 en 12 januari 2018.11 Deze verklaringen zijn hieronder, onder het kopje "Bewijs", weergegeven. Uit die verklaringen - in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen in het proces-verbaal van verdenking is gerelateerd – hebben de met opsporing belaste autoriteiten ten aanzien van verdachte in redelijkheid een vermoeden van schuld kunnen afleiden ten aanzien van een strafbaar feit dat nog niet heeft plaatsgevonden.12 Voor zover in het betoog van de raadslieden besloten ligt dat de verdenking tegen verdachte pas kon worden aangenomen op het moment dat de verklaringen van A-4110 over de drugshandel van verdachte waren getoetst en onderbouwd met nadere onderzoeksgegevens, merkt de rechtbank op dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat een verdenking is gebaseerd op slechts één getuigenverklaring. Waar het om gaat is dat de verdenking is gebaseerd op voldoende objectieve, concrete en controleerbare feiten en omstandigheden.13 Daarvan is in het onderhavige geval sprake geweest.

Schending van het verbod van détournement de pouvoir

Het gebruik van opsporingsbevoegdheden dient altijd plaats te vinden binnen en ten behoeve van de doeleinden waartoe de wet de bevoegdheden toekent. Gebeurt dit niet dan is sprake van misbruik van bevoegdheden. Toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid is altijd uitsluitend toegestaan in het belang van het onderzoek en dient gericht te zijn op het nemen van strafvorderlijke beslissingen (zie ook artikel 132a Sv). Het is niet toegestaan opsporingsbevoegdheden in te zetten die hieraan geen bijdrage (meer) kunnen leveren.

Dit neemt niet weg dat de inzet van opsporingsbevoegdheden tegen een bepaalde verdachte in veel gevallen tevens bijdraagt aan een verbeterde informatiepositie van politie en justitie ten aanzien van anderen, organisaties of personen. Zeker bij een onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband zal dikwijls veel informatie omtrent een organisatie ingewonnen worden, alvorens ook deze organisatie effectief strafrechtelijk kan worden aangepakt. Het verbeteren van de informatiepositie wordt in het Eerste Boek, Titel V, Sv dan ook als tussengelegen doel erkend:

het in kaart brengen van een georganiseerd verband, om uiteindelijk de feiten en verdachten te kunnen selecteren waarvan vervolging moet plaatsvinden. Zeker in de aanvang van dergelijk onderzoek kan dat einddoel nog ver verwijderd zijn. De grens van het toelaatbare wordt echter pas overschreden als de afdoening van strafbare feiten niet het achterliggende doel is, maar wanneer het opbouwen van een informatiepositie doel in zichzelf is.14

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de tegen verdachte ingezette opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt om zicht te krijgen op de mogelijke betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast , bij de internationale handel in harddrugs. Het verbod van détournement de pouvoir verzet zich - in het licht van het vorenstaande in beginsel niet tegen een dergelijk gebruik van opsporingsbevoegdheden. Dit zou anders kunnen zijn indien de opsporingsbevoegdheden uitsluitend waren ingezet met het oog op het opbouwen van een informatiepositie inzake de betrokkenheid van leden van de Hells Angels bij de internationale handel in harddrugs. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat daarvan sprake is geweest. Het verbod van détournement de pouvoir is dan ook niet geschonden.

Schending van het verbod van willekeur?

Ten aanzien van de beslissing om tegen verdachte een opsporingsonderzoek in te stellen geniet het openbaar ministerie beleidsvrijheid. De rechtbank dient deze beleidsvrijheid te respecteren en kan de beslissing daarom slechts marginaal toetsen.15 Het optreden van politie en justitie laat zich slechts als willekeur aanmerken indien een aan een beslissing ten grondslag liggende belangenafweging apert onredelijk is.1617

In het requisitoir van de officieren van justitie wordt de volgende toelichting gegeven op de beslissing om tegen verdachte een opsporingsonderzoek in te stellen:

De Hells Angels zijn een internationale 1%-MC en sinds 1975 in Nederland aanwezig. De Red Devils

MC is in 2001 opgericht en een wereldwijde supportclub voor de Hells Angels en sinds 2013 in Nederland gevestigd. Supportclubs zijn van een lager niveau dan de Hells Angels maar scharen zich wel achter de doelstellingen en ideeën van de Hells Angels. Voor belangrijke besluiten moet een supportclub goedkeuring krijgen van de Hells Angels. Beide clubs scharen zich onder de 1% motorclubs; de leden daarvan beschouwen zich als outsiders. Waar 99% van alle motorrijders wetten en regels respecteren, kenmerken deze 1%-ers zich juist door structureel wetten en normen te overtreden en alleen eigen clubregels na te leven.

Voor dit onderzoek is relevant dat in Noord-Nederland sprake is van een charter van de Hells Angels in

Harlingen, de Hells Angels, charter North Coast , en een charter van de Red Devils in onder meer Leeuwarden. De hiërarchie tussen de Hells Angels en de Red Devils heeft een rol gespeeld bij strategische keuzes in het opsporingsonderzoek Vidar. Als doelstelling is aan het begin van het onderzoek geformuleerd: vaststellen of uitsluiten dat leden van de Hells Angels, charter North Coast , betrokken zijn bij de internationale handel in harddrugs. Op dat moment bestond er geen verdenking jegens een lid van de Hells Angels, maar wel een verdenking jegens de Red Devil [verdachte] . Er is gebruik gemaakt van die verdenking om zicht te krijgen op de handel in harddrugs in de verwachting en veronderstelling dat deze internationale handel in harddrugs plaats zal vinden onder goedkeuring of instemming van de Hells Angels, charter North Coast , juist omdat [verdachte] een Red Devil is. Mogelijk zou dus zicht kunnen ontstaan op leden van de Hells Angels, charter North Coast , die wetenschap hebben van die handel en op hun mogelijke betrokkenheid bij de internationale handel in harddrugs.

Gelet op deze toelichting, de tegen verdachte bestaande verdenking, en de omstandigheid dat verdachte (goede) contacten heeft (met kaderleden van) de Hells Angels in Harlingen,1819 kan niet gezegd worden dat de beslissing om een opsporingsonderzoek tegen verdachte in te stellen teneinde zicht te krijgen op de mogelijke betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast , bij de internationale handel in harddrugs apert onredelijk is en zich als willekeur laat aanmerken. Het verbod van willekeur is dan ook niet geschonden. Het verweer van de raadslieden wordt verworpen.

Schending van het Tallon-criterium?

De burger die op grond van artikel 126ij en/of artikel 126z Sv (burgerpseudokoop of -dienstverlening) bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.20 Uitlokking door een burger hoeft niet in de weg te staan aan het oordeel dat een verdachte door dergelijk optreden niet is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht.21 De opvatting dat de inzet van de burger uitsluitend toelaatbaar is als verdachte reeds een begin heeft gemaakt met de gedragingen die hem (uiteindelijk) worden verweten is in haar algemeenheid onjuist.22

De omstandigheid dat niet de verdachte maar zijn medeverdachte contact had met een

opsporingsambtenaar, dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie

verantwoordelijk is, sluit niet uit de mogelijkheid dat (ook) de verdachte door die

opsporingsambtenaar of deze andere persoon is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd.23

Uit de hierna, onder het kopje "Bewijs", genoemde bewijsmiddelen kan afgeleid worden dat verdachte reeds in januari 2018 de wil had om opzettelijk harddrugs buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Verdachte heeft deze wil nadien - in de gesprekken met A-4110 en/of A-4133 en/of

verdachte in de periode van mei 2018 tot en met oktober 2018 - meermalen tot uitdrukking gebracht. Verdachte heeft in de aanloop naar het onder 1 ten laste gelegde feit bovendien op geen enkel moment aangegeven zich te willen distantiëren van de handel in verdovende middelen. De bewijsmiddelen geven daarentegen blijk van een zekere gretigheid aan de zijde van verdachte om verdovende middelen te leveren en om zaken te doen op de langere termijn. Verdachte wilde geld verdienen. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de wil van verdachte ten tijde van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten nog onverkort aanwezig was.

De bewijsmiddelen geven er verder blijk van dat verdachte zich voor het eerste contact met A-4110 ook al bezig hield met de (internationale) handel in harddrugs. Dit blijkt expliciet uit verdachte zijn eigen woorden, maar eveneens uit de volgende feiten en omstandigheden, die indicatief zijn voor voornoemde vaststelling:

-

Verdachte bedient zich in de communicatie met A-4110 en/of A-4133 en/of verdachte, daar waar hetgaat over de handel in verdovende middelen, van versluierend taalgebruik, kennelijk met de bedoeling om over dit onderwerp te spreken zonder dat dit concreet uit de communicatie blijkt. Voor de deelnemers aan de communicatie is het immers duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per definitie het geval. Het is een feit van algemene bekendheid dat betrokkenen bij de handel in verdovende middelen zich niet zelden bedienen van dergelijk versluierend taalgebruik om identificatie en crimineel handelen te verbergen, om uit het zich van politie en justitie te blijven, de opsporing te bemoeilijken en om eventueel "meeluisterende" opsporingsinstanties zand in de ogen te strooien.24252627282930 Verdachte hield daarnaast rekening met de mogelijkheid dat hij afgeluisterd of gevolgd of betrapt zou kunnen worden en richtte zijn gedrag daarop in. Dit duidt op een geraffineerde en professionele manier van handelen;

-

Verdachte is bekend met de actuele prijzen voor cocaïne en speed en de beschikbaarheid van deze middelen;

-

Verdachte heeft kennis van de kwaliteitseisen van cocaïne en amfetamine;

-

Verdachte heeft kennis van de handel in verdovende middelen en de daarmee gepaard gaande risico's;

-

Verdachte beschikt over het vermogen en de relaties om op relatief korte termijn aan een handelshoeveelheid cocaïne te komen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande een objectieve verdenking kan worden gedestilleerd dat verdachte zich reeds eerder bezighield met criminele activiteiten op het gebied van de Opiumwet en dat hij de predispositie had om soortgelijke strafbare feiten te plegen.3132 De rechtbank acht het in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden dan ook niet aannemelijk geworden dat A-4110 verdachte heeft gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk geworden dat A-4110 verdachte in de periode van 3 januari 2018 tot en met 4 september 2018 (tijdens niet-geverbaliseerde en niet-opgenomen contactmomenten) door middel van bedreiging/intimidatie/dwang/(ontoelaatbare) druk heeft bewogen tot het plegen van de strafbare feiten. Het procesdossier bevat onvoldoende (concrete en objectieve) aanknopingspunten voor (verificatie van) de juistheid van dit scenario.

De in dit verband door getuige [naam 1] afgelegde verklaringen over diens eigen ervaringen met A4110 kunnen niet als dergelijke aanknopingspunten worden beschouwd. [naam 1] heeft immers niet zélf waargenomen of ondervonden op welke wijze A-4110 zich tegenover verdachte heeft gedragen, maar baseert zich slechts op zijn eigen ervaringen (‘op een slinkse manier onder druk gezet’). Die eigen ervaringen wenst hij kennelijk te extrapoleren richting de verhouding tussen A-4110 en verdachte. Dat levert echter niet meer op dan een gissing waaraan de rechtbank voorbij zal gaan. Daar komt nog bij dat voor de inhoud van [naam 1] ’s verklaringen geen enkele ondersteuning is te vinden in het dossier.

Controle op (de inzet van) A-4110

Periode 3 januari 2018 tot 22 mei 2018

De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij "het voorbereidend onderzoek" tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die

vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

De gedragingen van A-4110 in de periode vóór diens eerste (feitelijke) inzet als burgerpseudokoper/dienstverlener op 22 mei 2018, betreffen gedragingen die buiten het voorbereidend onderzoek hebben plaatsgevonden. Deze gedragingen van A4110 - in de hoedanigheid van burger - vonden niet plaats op initiatief en onder regie van politie en justitie. Het gestelde gebrek aan controle op het handelen van A-4110 in die periode kan dan ook geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv opleveren.

Periode 22 mei 2018 tot en met 4 september 2018

De rechtbank heeft zich op basis van de processen-verbaal van begeleiding, de processen-verbaal van verhoor van A-4110, de woordelijke uitwerking van de opnames van de gesprekken die tussen verdachte en A-4110 hebben plaatsgevonden, in voldoende mate een algemeen beeld kunnen vormen over het optreden van A-4110 ten opzichte van verdachte in relatie tot het instigatieverbod. De omstandigheid dat tijdens een beperkt aantal (spontane/niet-geplande) ontmoetingen geen opnames zijn gemaakt van de gesprekken tussen A-4110 en verdachte, is, mede in het licht van de wél ter tafel gekomen gegevens (zie hierna onder kopje "Bewijs"), niet van zodanige aard dat daardoor de belangen van de verdachte ten aanzien van zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak op grove wijze zijn veronachtzaamd.33

E. Rechtmatigheid van het verkregen bewijs

1 Standpunt van de verdediging

2 Standpunt van de officieren van justitie

3 Oordeel van de rechtbank

1 Standpunt van de officieren van justitie

2 Standpunt van de verdediging

3 Oordeel van de rechtbank

1 Vaststelling van de feiten

2 Standpunt van de officieren van justitie

3 Standpunt van de verdediging

4 Oordeel van de rechtbank

1 Standpunt van de officieren van justitie

2 Standpunt van de verdediging

3 Oordeel van de rechtbank

1 Inbeslaggenomen voorwerpen

2 Standpunt van de officieren van justitie

3 Standpunt van de verdediging

4 Oordeel van de rechtbank

1 Standpunt van de officieren van justitie

2 Standpunt van de verdediging

3 Oordeel van de rechtbank