Home

Rechtbank Noord-Nederland, 14-11-2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4616, 23/643, 23/644 en 23/2132

Rechtbank Noord-Nederland, 14-11-2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4616, 23/643, 23/644 en 23/2132

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14 november 2023
Datum publicatie
17 november 2023
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:4616
Zaaknummer
23/643, 23/644 en 23/2132
Relevante informatie
Art. 3.124 Wet IB 2001, Art. 3.126 Wet IB 2001, Art. 14 Uitv besl IB 2001

Inhoudsindicatie

Eiser heeft bij zijn aangiftes IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 de premies die hij heeft betaald voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) in aftrek gebracht. Het betreft een AOV die is afgesloten bij een Duitse verzekeraar. Eiser heeft de Duitse nationaliteit, maar woont al sinds 2007 in Nederland. De AOV heeft hij pas afgesloten nadat hij in Nederland is komen wonen. De inspecteur heeft de aftrek geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat dit terecht is. De Duitse verzekeraar is geen aangewezen verzekeraar. Er is geen sprake van discriminatie, want er is geen verschil met andere binnenlands belastingplichtigen. Ook de voorwaarden voor aanwijzing zijn niet belemmerend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 23/643, 23/644 en 23/2132


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 november 2023 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: H. Menger),

en

de inspecteur van de Belastingdienst / kantoor Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 9 december 2022 en 24 maart 2023.

1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2017 en 2018 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 70.324 (2017) en € 65.373 (2018). Voor het jaar 2019 heeft verweerder een definitieve aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.190. In de navorderingsaanslag 2017 was ook inkomen uit sparen en beleggen begrepen. Ter zake daarvan heeft verweerder op 28 januari 2023 die navorderingsaanslag ambtshalve verminderd, maar dat speelt in deze zaak verder geen rol.

1.2.

Gelijktijdig met de vaststelling van de (navorderings)aanslagen heeft verweerder eiser de volgende bedragen aan belastingrente in rekening gebracht: € 137 (2017), € 88 (2018) en € 56 (2019). De beschikking belastingrente over 2017 is naar aanleiding van de ambtshalve vermindering (zie 1.1.) verlaagd naar € 27.

1.3.

Verweerder heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de (navorderings)aanslagen gehandhaafd.

1.4.

Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft de beroepen op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [medewerker Belastingdienst] .

Feiten

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving