Home

Rechtbank Noord-Nederland, 10-03-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:668, AWB_LEE 25/462

Rechtbank Noord-Nederland, 10-03-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:668, AWB_LEE 25/462

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10 maart 2026
Datum publicatie
13 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:668
Zaaknummer
AWB_LEE 25/462
Relevante informatie
Art. 16 Wet WOZ, Art. 17 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ, BPB, Wet WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ – Tussen partijen is onder meer in geschil of de heffingsambtenaar een juiste objectafbakening heeft gehanteerd en of hij ten onrechte in de WOZ-waarde van het melkveebedrijf geen waardedruk als gevolg van het PAS-melderschap heeft verdisconteerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de objectafbakening correct. Wel oordeelt de rechtbank dat het PAS-melderschap van invloed is op de waarde. Daartoe overweegt de rechtbank dat de heffingsambtenaar niet heeft betwist dat de onzekerheid bij PAS-melders over onder meer legalisatie ook op de waardepeildatum in algemene zin een waardeverminderend effect heeft op hun agrarische bedrijf. Verder is de PAS-problematiek het gevolg van publiekrechtelijke voorschriften: die problematiek geldt ongeacht de persoon van de exploitant van het melkveebedrijf. De rechtbank is van oordeel dat het waardeverminderend effect, anders dan de heffingsambtenaar stelt, zich ook in het individuele geval van eiser voordoet. Tussen partijen staat vast dat de in de toegepaste taxatiewijzer gebruikte kengetallen zijn gebaseerd op marktgegevens van agrarische objecten die over de benodigde vergunningen beschikken. De rechtbank acht die taxatiewijzer daarom niet zonder meer toepasbaar op het melkveebedrijf. De rechtbank stelt de waarde in goede justitie vast.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/462


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: J. van der Leij RT),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerwolde, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 december 2024.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft in een beschikking ten aanzien van eiser de waarde van de onroerende zaak aan [X-weg] [999a] in [woonplaats] (nr. [999a] ) per waardepeildatum 1 januari 2023 (de waardepeildatum) voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 553.000. Op hetzelfde aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak aan [X-weg] [999] BEDR in [woonplaats] (nr. [999] BEDR) per de waardepeildatum voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 1.091.000.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser tegen de WOZ-waarde van nr. [999a] gegrond verklaard en de vastgestelde waarde van nr. [999a] verlaagd naar € 462.000. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser tegen de WOZ-waarde van nr. [999] BEDR ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van nr. [999] BEDR gehandhaafd.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

Eiser heeft op de zitting nadere stukken overgelegd.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep tegelijk met het beroep in de zaak met nummer LEE 25/463 op 17 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen.

Feiten

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep