Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-11-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4920, AWB - 17 _ 4994

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-11-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4920, AWB - 17 _ 4994

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11 november 2019
Datum publicatie
19 december 2019
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2019:4920
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4994

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting

Belanghebbende is de moedervennootschap van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna: FE). Zij is commanditaire vennoot in een CV naar Nederlands recht die een fabriek in [Land 1] exploiteert. Het geld voor de kapitaalstorting in de CV heeft belanghebbende geleend van een 100% dochtermaatschappij. Het aandeel in de CV komt als resultaat uit een vaste inrichting (hierna: v.i.) tot uitdrukking bij de FE. Partijen zijn het er over eens dat voor het resultaat uit de CV de objectvrijstelling (art. 15e Wet Vpb) geldt. In geschil is hoeveel rente is toe te rekenen aan de vaste inrichting. De rechtbank volgt de inspecteur in de allocatie – in verband met de [omstandigheden] in [Land 1] – van 75% eigen vermogen en 25% vreemd vermogen aan de v.i. Verder oordeelt de rechtbank dat de rentetoerekening moet plaatsvinden op het niveau van de FE en niet op vennootschapsniveau.

Verder heeft de FE vorderingen en schulden in USD. Deze posities worden deels afgedekt door valutatermijncontracten. Belanghebbende waardeert deze vorderingen en schulden tegen historische verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Tussen partijen is in geschil of en in hoeverre de posities samenhangend moeten worden gewaardeerd. Nar het oordeel van de rechtbank brengt de enkele omstandigheid dat vorderingen en schulden in USD luiden, niet mee dat deze in samenhang moeten worden gewaardeerd. Er kan slecht sprake zijn van samenhang voor zover beoogd is een risico af te dekken. De rechtbank heeft dit per positie beoordeeld en een deel als samenhangend aangemerkt.

Belanghebbende is een productiemaatschappij. De producten verkoopt zij aan gelieerde verkooporganisaties tegen prijzen die zijn afgeleid van marktprijzen. Na ingebruikname van een nieuwe fabriek produceert belanghebbende meer dan voorheen (hierna: het surplus). Op basis van een tweetal overeenkomsten verkoopt belanghebbende het surplus, tegen kostprijs met een opslag van 5%, aan een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij. Naar het oordeel van de rechtbank is geen reëel commercieel risico overgegaan naar de dochtermaatschappij. De inspecteur heeft het belastbaar bedrag, in verband met de winstoverheveling naar het buitenland, terecht gecorrigeerd.

Uitspraak

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/4994

uitspraak van 11 november 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer] .V.26.0112) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 162.506.660 (hierna: de aanslag). Bij gelijktijdige beschikking is € 8.152.328 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 11 juli 2017, op diezelfde dag bij de rechtbank ontvangen, beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juli 2017 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. In een brief aan de rechtbank van diezelfde datum staat dat de uitbetaling van de dwangsom van € 1.260 in gang is gezet.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2019 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

1.8.

Na de zitting hebben partijen, op verzoek van de rechtbank, een gezamenlijk stuk ingediend waarin de cijfermatige consequenties worden becijferd van diverse scenario’s van samenhangende waardering.

1.9.

Bij brief van 24 mei 2019 hebben partijen de rechtbank laten weten dat de correctie in verband met de waardering van de [ijzeren voorraad] niet langer in geschil is.

1.10.

Bij meerdere brieven heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd, tot uiteindelijk 25 november 2019.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende maakt, als moedermaatschappij, onderdeel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met diverse dochtermaatschappijen, waaronder [A BV] en [B BV] (hierna: de fiscale eenheid).

2.2.

De aangifte vennootschapsbelasting 2012 van de fiscale eenheid (hierna: de aangifte) is ingediend naar een belastbaar bedrag van € 29.430.045. Bij het opleggen van de aanslag zijn de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar bedrag

29.430.045

Toerekenen rente aan vaste inrichting [land 1] (objectvrijstelling)

14.277.000

Voorziening heffingsrente

101.000

Voorziening belastingschade

419.000

IJzeren voorraadstelsel

19.050.304

Hedging ASA

13.339.000

Samenhangend waarderen dollarposities

43.047.165

Winstoverheveling naar [C BV]

42.843.146

Vastgesteld belastbaar bedrag

162.506.660

Vaste inrichting in [land 1]

2.3.1.

Belanghebbende heeft, als commanditair vennoot, sinds 2009 een belang van 49,5% in [A CV] (hierna: [A CV] ), een commanditaire vennootschap naar Nederlands recht. Beherend vennoot, met een belang van 1%, is [D BV] , in welke vennootschap belanghebbende 50% van de aandelen houdt.

2.3.2.

[A CV] exploiteert een [fabriek] in [land 1] . Belanghebbende heeft kapitaal, tot een bedrag van $ 225.000.000 (omgerekend: € 174.701.000), en knowhow ingebracht in [A CV] . Voor de kapitaalstorting heeft belanghebbende € 175.000.000 geleend van [S.A. 1] , een 100% dochtermaatschappij van de fiscale eenheid. In 2012 heeft belanghebbende € 14.277.000 rente betaald op deze lening.

2.3.3.

Het aandeel van belanghebbende in [A CV] komt als resultaat uit een vaste inrichting (hierna: v.i.) tot uitdrukking bij de fiscale eenheid.

Hedging en samenhangend waarderen

2.4.1.

Ultimo 2012 heeft de fiscale eenheid de volgende vorderingen en schulden in Amerikaanse dollars (hierna: USD):

Vorderingen

$

Ontstaan

[S.A. 2]

60.000.000

21-04-2008

Kortlopend [land 2]

261.292.322

2011 en volgende

Valutatermijncontract

200.000.000

21-03-2004

Valutatermijncontract

225.000.000

01-03-2012

Schulden

Lening

500.000.000

21-03-2004

Lening

250.000.000

21-03-2004

Lening

479.000.000

eind 2009

Valutatermijncontract

60.000.000

30-05-2008

2.4.2.1. De vordering op [S.A. 2] is ontstaan in 2008 toen [B BV] twee deelnemingen verkocht aan een derde, die de koopsommen is schuldig gebleven. De vordering van USD 60.000.000 is een restant van de vordering van USD 193.000.000 die wordt genoemd in onderdeel 2.3 van de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 april 2017, over de aan belanghebbende over 2008 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting, opgenomen in bijlage 8 bij het beroepschrift (hierna: de uitspraak van het Hof).

2.4.2.2. Op 30 mei 2008 heeft [B BV] een valutatermijncontract gesloten met [S.A. 3] te [X] . Het contract houdt in de verkoop door [B BV] , per 3 december 2008, van USD 193.000.000, tegen een vooraf bepaalde wisselkoers (de “termijnkoers”). Het valutatermijncontract is via “cash-settlement” afgewikkeld; [B BV] heeft het verschil tussen de spotkoers (actuele prijs) op de einddatum en de termijnkoers, contant betaald. Daarna heeft [B BV] telkens aansluitende valutatermijncontracten gesloten met [S.A. 3] , steeds ter grootte van het overgebleven gedeelte van de vordering. In 2012 betrof dat het in 2.4.2.1 bedoelde bedrag van USD 60.000.000.

2.4.3.1. Op 21 maart 2004 heeft belanghebbende, voor een periode van 10 jaar, een bedrag van USD 500.000.000 geleend van [S.A. 4] . Op diezelfde dag heeft belanghebbende een bedrag van USD 250.000.000 geleend. Deze schulden worden hierna tezamen aangeduid als USD-schuld I).

2.4.3.2. Belanghebbende sluit sinds 21 maart 2004 telkens aansluitende valutatermijncontracten af met [S.A. 3] . Belanghebbende krijgt telkens, voor een periode van een half jaar, het recht van levering op termijn van USD 200.000.000, tegen een vooraf bepaalde wisselkoers. Ook deze valutatermijncontracten worden op de in 2.4.2.2 omschreven wijze afgewikkeld.

2.4.4.

Belanghebbende sluit sinds 1 maart 2012 telkens aansluitende valutatermijncontracten af met [S.A. 3] . Belanghebbende krijgt telkens, voor een periode van drie maanden, het recht van levering op termijn van USD 225.000.000, tegen een vooraf bepaalde wisselkoers. Ook deze valutatermijncontracten worden op de in 2.4.2.2 omschreven wijze afgewikkeld.

2.4.5.

Op 29 december 2009 heeft [B BV] een bedrag van USD 479.000.000 geleend van [S.A. 4] ter overname van een belang in [SAQ] (hierna: USD-schuld II).

2.4.6.

Belanghebbende heeft een groot aantal kortlopende vorderingen op een Braziliaanse deelneming, die dienen om inkopen ten behoeve van de Braziliaanse (productie)activiteiten te financieren. Deze variëren van USD 20.000 tot USD 20.000.000 per stuk. De looptijd bedraagt telkens één of enkele maanden. Per 31 december 2012 bedroeg de totale waarde van deze vorderingen USD 261.292.322.

2.4.7.

Belanghebbende waardeert de vorderingen en schulden in USD tegen historische verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Zij rekent valutawinsten tot het belastbaar bedrag indien deze gerealiseerd zijn en valutaverliezen zodra een vordering lager of een schuld hoger wordt gewaardeerd.

2.4.8.

De inspecteur voert aan dat alle vorderingen en schulden van belanghebbende in USD in samenhang moeten worden gewaardeerd en dat niet-gerealiseerde valutaverliezen slechts in aftrek mogen worden gebracht voor zover daar geen niet-gerealiseerde valutawinsten tegenover staan.

[C BV] Ltd.

2.5.1.

[A BV] produceert op grote schaal [product X] , [product Y] en [product Z] . Deze producten verkoopt zij, op basis van de [de Master Agreement] (hierna: de Master Agreement), aan gelieerde verkooporganisaties. De Master Agreement, welke volgt op eerdere dergelijke overeenkomsten, is van toepassing sinds 1 januari 2008. De gehanteerde prijzen en overige intercompany voorwaarden zijn vastgelegd in de [Transer Pricing Master File] (hierna: de TP Master File). Uit de TP Master File kan worden opgemaakt dat de prijzen zijn afgeleid van de marktprijzen.

2.5.2.

In 2008 heeft [A BV] besloten tot de investering van € 400.000.000 in een nieuwe fabriek, [product Y] 7 (hierna: [Y7] ), waarin [product X] wordt omgezet in [product Y] en [product Z] . Na ingebruikname van [Y7] , in september 2011, is [A BV] in staat om meer te produceren dan daarvoor (hierna: het surplus). Belanghebbende heeft het surplus becijferd op 39% van de totale productie van [A BV] na ingebruikname van [Y7] .

2.5.3.

In september 2011 heeft [A BV] twee nieuwe overeenkomsten gesloten. Eén met [C BV] AG (hierna: [C] ), de Supply Agreement. En één met [C] en de distributeurs binnen het [concern] , de Distribution Service Agreement. Op basis van de Supply Agreement verkoopt [A BV] het surplus aan [C] tegen de kostprijs met een opslag van 5%.

2.5.4.

De overige leveringen door [A BV] (61% van haar totale productie) en de daarvoor gehanteerde prijzen geschieden nog steeds op basis van de Master Agreement en de TP Master File.

Transfer pricing

2.6.

In een nadere motivering van het bezwaarschrift, van 8 februari 2017, staat onder meer:

Aanvulling op de aangifte

Op basis van het door [belanghebbende] samen met [kantoor Y] opgestelde benchmark rapport constateren wij dat de winst van [A BV] onzakelijk hoog is.

(…)

Om, zoals gebruikelijk, te corrigeren naar de upper quartile dient de operating margin van [A BV] met 21,09% te worden verlaagd. Dat leidt tot een vermindering van het aangegeven belastbare bedrag met EUR 203.167.984.

(…)”

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of:

  1. de inspecteur de objectvrijstelling, in verband met toerekening van rente aan [A CV] , terecht en tot het juiste bedrag heeft gecorrigeerd;

  2. de inspecteur het in de aangifte opgevoerde verlies op de valutatermijncontracten, van € 13.339.000, terecht niet in aftrek van de winst heeft toegelaten;

  3. de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een correctie heeft aangebracht in verband met samenhangende waardering van vorderingen en schulden in USD;

  4. de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een correctie heeft aangebracht in verband met overheveling van winst naar [C] ;

  5. de belastbare winst met € 203.167.984 dient te worden verlaagd omdat [A BV] onzakelijk hoge winsten heeft geboekt op transacties met groepsmaatschappijen.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vier vragen ontkennend en de vijfde vraag bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

Niet (meer) in geschil zijn de correctie voorziening heffingsrente van € 101.000, de correctie voorziening belastingschade van € 419.000, de correctie in verband met de waardering van de ijzeren voorraad van € 19.050.304, de toepassing van de objectvrijstelling met betrekking tot de v.i. in Duitsland en de door de inspecteur verschuldigde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Daarnaast staat in deze procedure de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting, gedagtekend 17 november 2018, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.962.506.660, niet ter discussie.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, van de aanslag en van de beschikking heffingsrente en tot afgifte van een verliesvaststellingsbeschikking tot een verlies € 173.217.939.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van € 151.564.026 en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing