Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-09-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5394, AWB - 21 _ 3137

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-09-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5394, AWB - 21 _ 3137

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15 september 2022
Datum publicatie
27 september 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:5394
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3137
Relevante informatie
Art. 21 SW, Art. 32 lid 1 onder 4 onderdeel b SW

Inhoudsindicatie

Aanslag erfbelasting, artikel 32, eerste lid, onder 4, onderdeel b, van de Successiewet 1956 (verhoogde kindervrijstelling).

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 21/3137

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde ] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 mei 2021.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd wegens een verkrijging in het jaar 2020 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag erfbelasting afgewezen.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde ] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op 4 juni 1967. Zij is verstandelijk beperkt. Belanghebbende werkt ongeveer twintig uur per week via Stichting Sociaal Maatschappelijke Ondersteuning in een sociale werkplaats en genoot in 2020 daaruit een inkomen van € 12.601, waarop € 942 aan loonheffing is ingehouden.

2.2.

Op 29 februari 2020 is de moeder van belanghebbende overleden. Belanghebbende is de enig erfgename van haar moeder.

2.3.

Op het moment van overlijden van de moeder woonde belanghebbende bij haar. Tijdens haar leven heeft de moeder de kosten van levensonderhoud van belanghebbende grotendeels betaald. Belanghebbende beschikt over een eigen vermogen.

2.4.

Namens belanghebbende is aangifte erfbelasting gedaan. Volgens deze aangifte bedraagt de totale verkrijging van belanghebbende € 171.598. In de aangifte wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 32, eerste lid, onder 4, onderdeel b, van de Successiewet 1956 (hierna: de verhoogde kindervrijstelling). De belaste verkrijging volgens de aangifte bedraagt € 108.876.

2.5.

De inspecteur heeft de verhoogde kindervrijstelling bij het vaststellen van de aanslag erfbelasting niet verleend en de reguliere kindervrijstelling van artikel 32, eerste lid, sub 4, onderdeel c, van de Successiewet 1956 toegepast. De aanslag erfbelasting is berekend naar een belaste verkrijging van € 150.652.

2.6.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 mei 2021 afgewezen. Op 11 juni 2021 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar opnieuw naar belanghebbende toegezonden, omdat bij eerdere toezending een verkeerd toezendadres was gebruikt.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of het beroep ontvankelijk is. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de aanslag erfbelasting tot het juiste bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.2.

De rechtbank is met partijen van oordeel dat het beroep ontvankelijk is, aangezien de uitspraak op bezwaar pas op 11 juni 2021 aan belanghebbende op het juiste adres bekend is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag erfbelasting tot een te hoog bedrag vastgesteld, omdat belanghebbende recht heeft op toepassing van de verhoogde kindervrijstelling. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.3.

In de wet is de verhoogde kindervrijstelling als volgt geformuleerd (wettekst 2020):

“1. Van erfbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:

(…)

4° door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:

(…)

b. kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 62.830;”

3.4.

Partijen hebben ter zitting het geschil beperkt, in die zin dat uitsluitend de vraag voorligt of de voorwaarde dat het kind grotendeels op kosten van de overledene werd onderhouden (de eerste voorwaarde) voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling (mede) vereist dat sprake is van behoeftigheid bij het kind. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan is tevens in geschil of sprake is van behoeftigheid aan de zijde van belanghebbende. Niet langer in geschil is dat belanghebbende feitelijk grotendeels op kosten van haar moeder werd onderhouden.

3.5.

Belanghebbende sluit aan bij de letterlijke tekst van de wet. Zij stelt dat aan de daarin opgenomen voorwaarden is voldaan en dus recht bestaat op de verhoogde kindervrijstelling. In de wet is de omvang van het vermogen van het kind niet als criterium opgenomen. Aan belanghebbende kan daarom niet worden tegengeworpen dat zij over vermogen beschikt.

3.6.

De inspecteur betwist niet dat aan de letterlijke tekst wordt voldaan, maar stelt zich op het standpunt dat de verhoogde kindervrijstelling niet kan worden toegepast omdat geen sprake is van behoeftigheid bij belanghebbende. De inspecteur betoogt dat een verzorgingsverplichting ten grondslag ligt aan de verhoogde kindervrijstelling en dat uit het civiele recht voortvloeit dat een verzorgingsverplichting ontbreekt indien geen sprake is van behoeftigheid aan de zijde van het kind. Het vereiste van behoeftigheid is volgens de inspecteur daarom onderdeel van de eerste voorwaarde voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling. Ter zitting heeft de inspecteur nog aangevoerd dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de vrijstelling in de huidige tijd niet meer zoveel effect heeft in verband met de sociale voorzieningen in Nederland1 en dat daaruit kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van behoeftigheid. Verder heeft de inspecteur ter zitting betoogt dat behoeftigheid een voorwaarde moet zijn voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling omdat tijdens leven anders onbelaste vermogensoverhevelingen kunnen worden gedaan van de ouder naar het kind die de omvang van de nalatenschap afromen.

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt. De verhoogde kindervrijstelling is volgens de wetsgeschiedenis bedoeld voor zieke of gehandicapte kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden. 2 De wetgever heeft met de in de wettekst genoemde voorwaarden (zie 3.3) invulling gegeven aan de beoordeling van deze financiële afhankelijkheid. Gezien de specifieke voorwaarden die de wetgever heeft geformuleerd, legt de rechtbank de wet zo uit dat toepassing van de vrijstelling in overeenstemming met de doel en strekking is in de gevallen waarin aan de tekst van de voorwaarden is voldaan. Behoeftigheid is niet als voorwaarde voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling opgenomen in de wet. Naar het oordeel van de rechtbank is behoeftigheid dan ook niet (mede) een vereiste om te voldoen aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling. Al hetgeen de inspecteur nog heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het gelijk is aan belanghebbende.

4 Conclusie en gevolgen

5 Beslissing