Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-10-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5966, 21/863

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-10-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5966, 21/863

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 oktober 2022
Datum publicatie
24 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:5966
Zaaknummer
21/863
Relevante informatie
Art. 10ei Uitv besl LB

Inhoudsindicatie

Beschikking 30%-bewijsregel, abbb, werkafspraken belastingdienst.

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 21/863

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: drs. J.J.M. Hereijgers),

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 januari 2021.

1.2.

De inspecteur heeft bij beschikking van 22 juli 2020 de 30%-bewijsregeling toegekend met een looptijd van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2024 (hierna: de beschikking).

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben via digitale beeldverbinding deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is vanaf 1 september 2019 tewerkgesteld bij [B.V.] (hierna: [B.V.] ).

2.2.

Namens belanghebbende en [B.V.] is door de gemachtigde met dagtekening 28 mei 2020 een verzoek ingediend tot toepassing van de 30%-bewijsregeling. Het verzoek is ontvangen door de inspecteur op 2 juni 2020.

2.3.

De inspecteur heeft bij beschikking de 30%-bewijsregeling toegekend met ingang van 1 juli 2020.

2.4.

De inspecteur en de gemachtigde hebben geen werkafspraken gemaakt over het indienen van verzoeken om de toepassing van de 30%-bewijsregeling.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt de juistheid van de ingangsdatum van de 30%-bewijsregeling. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft de inspecteur de juiste ingangsdatum voor de beschikking gehanteerd?

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur de ingangsdatum van de 30%-bewijsregeling in overeenstemming met de bepalingen van artikel 10ei, lid 2, tweede volzin, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (het Uitvoeringsbesluit) heeft vastgesteld op 1 juli 2020. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de inspecteur met de gemachtigde dezelfde werkafspraken had moeten maken als hij met andere gemachtigden heeft gemaakt en of dat dan tot de ingangsdatum 1 juni 2020 had moeten leiden.

Heeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

3.4.

Belanghebbende stelt dat de ingangsdatum 1 juni 2020 moet zijn omdat dat de ingangsdatum geweest had kunnen zijn als zijn gemachtigde op grond van werkafspraken met de Belastingdienst het verzoek via e-mail had mogen indienen. Belanghebbende doet aldus een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Bij toepassing van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur gaat het er om of gevallen die overigens gelijk zijn aan het geval van belanghebbende, door de inspecteur gunstiger zijn behandeld. In het geval van belanghebbende is kenmerkend dat het verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregeling per brief is gedaan, meer dan 4 maanden na de aanvang van de tewerkstelling van belanghebbende, en dat de inspecteur de ingangsdatum heeft gesteld op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek bij hem is ingekomen. Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur in andere, overigens gelijke gevallen waarin een dergelijk verzoek per brief is ingediend, een andere ingangsdatum heeft aangehouden. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende nadeliger is behandeld dan overigens gelijke gevallen. Aan dit oordeel doet niet af dat de inspecteur, kennelijk op basis van afspraken met gemachtigden, in bepaalde gevallen ook verzoeken om toepassing van de 30%-bewijsregeling accepteert die per e-mail zijn ingediend, waarbij de datum van ontvangst van de e-mail wordt beschouwd als datum van indiening van het verzoek. Vast staat immers dat de gemachtigde het verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregeling voor belanghebbende niet via e-mail naar de inspecteur heeft verstuurd.

3.5.

Belanghebbende doet daarnaast een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens belanghebbende werd in het verleden minder formalistisch omgegaan met het in acht nemen van wettelijke termijnen en werd meer belang gehecht aan de inhoud van het verzoek. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur een concrete toezegging heeft gedaan waaraan belanghebbende in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat de ingangsdatum voor de 30%-bewijsregel niet zou worden vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 10ei, lid 2, tweede volzin, van het Uitvoeringsbesluit. De omstandigheid dat de inspecteur in het verleden bij deze gemachtigde anders heeft gehandeld, ook als deze stelling klopt, maakt immers niet dat jegens belanghebbende daardoor in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt.

3.6.

Ook het beroep van belanghebbende op het proportionaliteitsbeginsel. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De rechtbank is van oordeel dat van toepassing van de in artikel 10ei, lid 2, tweede volzin, voorziene ingangsdatum van de 30%-bewijsregel met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin het verzoek daartoe is gedaan, niet gezegd kan worden dat dat tot onevenredig nadelige gevolgen voor de verzoeker leidt. Die heeft het immers zelf in de hand of, en zo ja, wanneer, zodanig verzoek wordt gedaan.

3.7.

De weigering van de inspecteur om werkafspraken te maken met de gemachtigde van belanghebbende levert naar het oordeel van de rechtbank evenmin een schending op van enig (ander) beginsel van behoorlijk bestuur jegens belanghebbende.

3.8.

Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4 Conclusie en gevolgen

5 Beslissing