Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:226, BRE - 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:226, BRE - 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 21 januari 2026
- Datum publicatie
- 28 januari 2026
- Zaaknummer
- BRE - 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020, aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en 2020, omkering en verzwaring bewijslast, redelijke schatting, boete, ISV
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 januari 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 5 juli 2024, 18 juli 2024, 30 oktober 2024 en 31 oktober 2024.
De inspecteur heeft over de tijdvakken gelegen in de perioden 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (2019) en 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (2020) naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) aan belanghebbende opgelegd. De inspecteur heeft voor de jaren 2019 en 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd. Bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 en de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 heeft de inspecteur ook boetes aan belanghebbende opgelegd (de boetebeschikkingen). Verder heeft de inspecteur bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 en de aanslag IB/PVV 2019 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht en bij de aanslag IB/PVV 2020 belastingrente aan belanghebbende vergoed (de belastingrentebeschikkingen). Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:
|
Zaaknr. |
Jaar |
Soort |
Dagtekening |
Aanslagnummer |
Belasting |
Boete |
Rente |
|
24/5731 |
2019 |
OB |
26-10-2023 |
[BSN] .F.02.9501 |
€ 28.870 |
€ 14.435 |
€ 4.278 |
|
24/7689 |
2019 |
IB/PVV |
13-10-2023 |
[BSN] .H.96.01 |
€ 67.115 |
€ 23.424 |
€ 6.278 |
|
24/7701 |
2019 |
Zvw |
13-10-2023 |
[BSN] .W.96.01.4 |
€ 3.187 |
- |
- |
|
24/5730 |
2020 |
OB |
26-10-2023 |
[BSN] .F.02.0501 |
€ 25.868 |
€ 12.934 |
€ 3.142 |
|
24/7690 |
2020 |
IB/PVV |
17-11-2023 |
[BSN] .H.06.01 |
€ 40.759 |
- |
€ 50 ontv. |
|
24/7702 |
2020 |
Zvw |
17-11-2023 |
[BSN] .W.06.01.4 |
€ 712 |
- |
- |
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag OB 2019, de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020, en de aanslag Zvw 2020 en alle bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag Zvw 2019 niet-ontvankelijk verklaard vanwege gebrek aan belang.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag OB 2020 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikking gegrond verklaard, de naheffingsaanslag OB 2020 verminderd tot € 25.437, de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boete bij de naheffingsaanslag OB 2020 verminderd tot € 12.718.
De rechtbank heeft de zaken op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Gelijktijdig zijn ook de zaken van belanghebbende met 22/1764, 22/2096, 22/5536, 23/1899 tot en met 23/1903, 25/1402 en 25/1403, en de zaken van [persoon 1] , de echtgenote van belanghebbende, met nummers 23/11555 tot en met 23/11558 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] . Van hetgeen ter zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden.
Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft op 11 augustus 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaken is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 11 augustus 2025 heeft ontvangen.1 De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank leidt overigens uit het verdagingsverzoek van belanghebbende (zie 4.1) af dat belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat hij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende.