Ga verder naar content
  1. aflevering 1, 2021

NTFR 2021/1 - Vaarwel 2020 en welkom 2021

NTFR 2021/1

NTFR 2021/1 - Vaarwel 2020 en welkom 2021

prof. mr. G.T.K. MeussenProf.mr. G.T.K. Meussen is hoogleraar belastingrecht Radboud Universiteit Nijmegen en als wetenschappelijk adviseur verbonden aan BDO Belastingadviseurs te Tilburg.

Aangekomen bij het einde van het oude jaar neem ik even de tijd om de balans op te maken van het jaar 2020 en u een vooruitblik te geven op het jaar 2021. Het einde van het jaar maakt altijd een beetje weemoedig, geeft een besef van het verglijden der jaren, maar maakt ook weer benieuwd naar het nieuwe jaar. De terugblik geeft tevens aan hoeveel er op fiscaal gebied het afgelopen jaar weer is gebeurd. Wie zou nog willen beweren dat de fiscaliteit saai is? Het belastingrecht is voortdurend in beweging en is daarmee ook een vertaling van de dynamiek van allerlei fiscale ontwikkelingen. Datgene wat hierna is opgenomen, is daarvan slechts een selectie, die uiteraard geheel voor rekening van de auteur komt.

Wat opvalt, is dat in het jaar 2020 een aantal grote belangrijke fiscale wetgevingstrajecten, te weten een fundamentele herziening van box 3 in de inkomstenbelasting, een nieuw groepsregime in de vennootschapsbelasting alsmede de opvolger van de Wet DBA, andermaal op de lange baan zijn geschoven. Sommige fiscale wetgevingsdossiers blijken in de politieke werkelijkheid zeer weerbarstig te zijn.

Fiscale maatregelen corona

De coronapandemie heeft in het jaar 2020 een ongekende invloed gehad op onze samenleving en op de economie in Nederland (en wereldwijd). Ten tijde van het schrijven van deze Opinie lijkt de tweede coronagolf nog niet echt af te vlakken. Op maandag 14 december 2020 besloot het kabinet-Rutte III nog tot een zware lockdown, die duurt tot en met ten minste 19 januari 2021. En daarmee is er dan ook nog geen zicht op wanneer allerlei beperkende maatregelen in de loop van het jaar 2021 zullen worden opgeheven, ervan uitgaande dat er een werkzaam vaccin is. Van verhalen van epidemiologen wordt de mens over het algemeen niet erg opgewekt. Er worden voorspellingen gedaan dat er in de toekomst meer pandemieën zullen volgen. Laten we er in elk geval maar van uitgaan dat we dan wel beter voorbereid zijn. Naar het zich nu laat aanzien, zullen de eerste vaccinaties in Nederland tegen het coronavirus op vrijdag 8 januari 2021 gaan plaatsvinden. Er gloort dus hoop wat betreft een betere toekomst.

Naast allerlei subsidieregelingen was het onvermijdelijk dat er ook allerlei begeleidende maatregelen op fiscaal terrein zouden komen die de economische gevolgen van de coronacrisis enigszins moesten dempen. Zo is er een corona-uitstel van betaling voor inhoudingsplichtigen; een boete voor het niet op tijd betalen van btw of loonheffingen hoeft niet betaald te worden; diverse subsidieregelingen zijn vrijgesteld van belastingheffing; en in de Wet VPB 1969 wordt een nieuwe fiscale reserve geïntroduceerd, de coronareserve, die het mogelijk maakt om het verwachte coronaverlies 2020 al als fiscale reserve in de aangifte VPB 2019 ten laste van het resultaat te brengen.1 Daarbij is het opmerkelijk dat de fiscale coronareserve niet geldt voor inkomstenbelastingondernemers. Dat is door de wetgever onder meer gemotiveerd met de mededeling dat er in de inkomstenbelasting sprake is van ruimere verliesverrekeningsmogelijkheden. Daarover zijn dus nog wel de nodige procedures te verwachten. Daarnaast zal ook wel geprobeerd worden om in de aangifte IB van de IB-ondernemer een coronavoorziening2 te vormen.

Cruciaal bij de bestrijding van het coronavirus is gedrag. Niessen3 stelt dat het belastingrecht kan worden ingezet om positieve en negatieve incentives te geven bij de inrichting van een coronaveilige samenleving. Een voorbeeld van instrumentalisme gerelateerd aan de coronapandemie dat op veel kritiek stuitte is de BIK, de Baangerelateerde Investeringskorting. De BIK beoogt investeringen te stimuleren om daarmee banen te behouden of te creëren. De BIK leidt tot een korting op de afdracht loonheffing en is daarom geregeld in de Wet vermindering afdracht (WVA). De effectiviteit van deze maatregel wordt evenwel ten zeerste in twijfel getrokken, omdat er simpelweg geen relatie wordt gelegd tussen investeringen in bedrijfsmiddelen enerzijds en banen anderzijds.

En wederom: de Toeslagenaffaire

En net als in het jaar 2019 stond ook in het jaar 2020 de Toeslagenaffaire volop in de maatschappelijke en politieke belangstelling. De Toeslagenaffaire kent in mijn ogen zowel verliezers, daders als schuldigen. Verliezers zijn in de eerste plaats de ouders waarvan de toeslag door de Belastingdienst onterecht is teruggevorderd en die daardoor in financiële problemen zijn gekomen. Schuldig is de politiek, de leden van de Eerste en Tweede Kamer, die wel voortdurend roepen wat er mis is, maar vervolgens niet tot daden overgaan door het stelsel ingrijpend te vereenvoudigen en fraudebestendig te maken. In mijn ogen moeten de toeslagen niet aan betrokkenen worden uitbetaald, maar aan de betrokken dienstverleners. Daders zijn degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan toeslagenfraude, een vorm van fraude waarvan de indruk bestaat dat deze grote vormen heeft aangenomen. In de huidige digitale wereld, waarbij de Belastingdienst zich achter een digitale muur heeft verborgen, wordt frauderen wel heel makkelijk gemaakt als door middel van een digitaal formulier en enkele muisklikken een toeslag kan worden verkregen.

Schuldig zijn echter ook die medewerkers van de Belastingdienst die vanuit een tunnelvisie allerlei toeslagendossiers per definitie hebben gezien als fraude en daarnaar hebben gehandeld. Vervolgens was men blind voor andere signalen. De imagoschade voor de Belastingdienst is groot. Het roept ten onrechte in de publieke opinie het beeld op dat de Belastingdienst in zijn geheel, institutioneel een hardvochtig ambtelijk apparaat is dat geen mededogen kent en ten onrechte terecht ontvangen toeslagen en niet-verschuldigde belastingen invordert. Ik ga er daarbij echter nog steeds van uit dat dit incidenten zijn. Uiteraard zijn het zeer kwalijke incidenten, en elk van dit soort incidenten is er een te veel. Maar er zij gezegd dat het incidenten zijn. Het merendeel van de medewerkers van de Belastingdienst is integer en maakt zich niet schuldig aan dit soort praktijken.

Ik zou menen dat uit de toeslagendossiers een waaier van gevallen naar voren zal komen, variërend van daadwerkelijke fraudegevallen, fouten bij het invullen van toeslagenformulieren, te late meldingen, tot burgers die volstrekt onschuldig zijn. Bovendien is het hele toeslagensysteem gebaseerd op het idee dat de burger digitaal vaardig is en eigener beweging allerlei mutaties aan de Belastingdienst doorgeeft. Maar dat is voor een aanzienlijke groep burgers aan de onderkant van de samenleving helemaal niet het geval. De digitale snelweg is lang niet voor iedere burger begaanbaar. De overheid zou daar veel meer rekening mee moeten houden.

De uitkomst van de parlementaire mini-enquête is enigszins voorspelbaar. Daar waar alle partijen schuld hebben, wijzen allerlei partijen naar elkaar, en is er niet een echte hoofdschuldige aan te wijzen. Ook van een ingrijpende wijziging van het toeslagenstelsel is andermaal in het jaar 2020 niets terechtgekomen. Het blijkt keer op keer uitermate moeilijk om het zeer ingewikkelde en fraudegevoelige toeslagenstelsel te vervangen door een veel beter stelsel.4 Op maandag 14 december 2020 presenteerde staatssecretaris Van Huffelen van Financiën drie varianten voor een nieuw toeslagenstelsel.5 Grof gezegd is de eerste variant het verschuiven van geld van ouders naar organisaties rond kinderopvang, zorg en huur. Bij de tweede variant krijgen ouders een toelage of belastingkorting die niet van hun inkomen afhangt. En bij de derde variant gaat naast de toeslagen ook het belastingstelsel op de schop. Na de verkiezingen in maart 2021 zou daarover in de kabinetsformatie dan toch eindelijk een definitieve knoop moeten worden doorgehakt.6 Wordt vervolgd volgend jaar.

De dga-rekening-courantmaatregel

De contouren van de rekening-courantmaatregel dga zien er als volgt uit:

  • Als de totale som van schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere (fictief) als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.

  • De maatregel treedt op 1 januari 2022 in werking.

  • Bestaande en nieuwe eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap worden niet door deze maatregel getroffen.

De aanmerkelijkbelanghouder heeft meer dan drie jaar de gelegenheid om zijn schuld aan zijn vennootschap terug te brengen tot maximaal € 500.000.

Na de consultatie door het kabinet op internet in het jaar 2019 in de vorm van een conceptwetsvoorstel dat veel reacties opleverde en waarin diverse tekortkomingen zijn gesignaleerd,7 werd wetsvoorstel nr. 35496 dan uiteindelijk in de loop van dit jaar ingediend. Mede in het kader van de coronacrisis is de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteld tot 1 januari 2023. Het is uiteraard afwachten of het wetsvoorstel de politieke eindstreep haalt, maar de politieke aura voor dga’s lijkt op dit moment niet onverdeeld gunstig. Anderzijds veroorzaakt de aanhoudende coronapandemie enorme economische schade, en dit maakt op fiscaal gebied misschien wel alles vloeibaar.

De box 3-saga

Ook in het jaar 2020 slokte box 3 weer veel fiscale aandacht op. De wetgever talmt, wikt en weegt en komt met een voor velen onbevredigende oplossing.8 Op 6 september 2019 kwam de toenmalige staatssecretaris van Financiën met een voorstel dat er kort gezegd op neerkwam dat een belastingplichtige over de eerste € 440.000 aan spaartegoeden geen vermogensrendementsheffing betaalt. De angel van het voorstel zat echter in de beoogde datum van inwerkingtreding. Die stond op 1 januari 2022, kennelijk uitsluitend ingegeven door de omstandigheid dat de Belastingdienst een eerdere inwerkingtreding ICT-technisch niet aankan. Dit voorstel werd door de huidige staatssecretaris van Financiën Vijlbrief weer ingetrokken, om te worden vervangen door het wetsvoorstel Wet aanpassing box 3 (nr. 35577) dat op 1 januari 2021 moet ingaan. Om de spaardersproblematiek te tackelen wordt het heffingvrije vermogen opgehoogd tot € 50.000. De schijfgrenzen worden opnieuw vastgesteld, waarbij de tweede schijf begint bij een box 3-vermogen van € 100.000 en de derde schijf bij een vermogen van € 1.000.000. Als gevolg van de verhoging van het heffingvrije vermogen daalt het aantal belastingplichtigen dat belasting betaalt over inkomen in box 3 met ongeveer 900.000. Om dit pakket deels te dekken wordt het belastingtarief in box 3 verhoogd naar 31%. De verhoging van het heffingvrije vermogen werkt in beginsel ook door naar allerlei inkomensafhankelijke regelingen met een vermogenstoets. Dit acht het kabinet echter ongewenst, hetgeen ertoe leidt dat de inspecteur een beschikking rendementsgrondslag moet gaan afgeven bij een rendementsgrondslag van meer dan € 31.340 in box 3.9 Mijns inziens een onzalig idee, dat alleen maar tot veel bureaucratie en onbegrip bij belastingplichtigen zal leiden.

Er zullen nog procedures worden gevoerd over de jaren 2016, 2017,10 2018, 2019, 2020, enzovoort.

Door de talmende houding van de wetgever, met name wat betreft een heffing over het werkelijke rendement, zal de maatschappelijke onvrede blijven bestaan. We kunnen ons voor het jaar 2021 voorbereiden op nieuwe Kamervragen en dergelijke. Wordt vervolgd.

Bouwstenen voor een beter belastingstelsel

Op 18 mei 2020 bood staatssecretaris Vijlbrief van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst de rapporten ‘Bouwstenen1112voor een beter belastingstelsel’ aan de voorzitter van de Tweede Kamer aan.13 Het betreft een elftal rapporten die samen honderden pagina’s beslaan. Alleen al het syntheserapport bevat 95 pagina’s.14

De rapporten beslaan alle aspecten van de fiscaliteit:15 de belastingmix, de toeslagenproblematiek, box 1, 2 en 3, de vennootschapsbelasting, Europese en internationale aspecten, lokale belastingen, milieu en gezondheid, enzovoort. De rapporten schetsen 169 beleidsopties, waarbij het vervolgens aan de politiek c.q. het volgende kabinet is om daarin keuzes te maken. In het syntheserapport wordt zelfs een voorbeeldpakket opgenomen dat budgettair is doorgerekend en dat tevens een berekening bevat van de inkomenseffecten van dit pakket op de verschillende inkomensgroepen. Het is evenwel een illusie te denken dat dit voorbeeldpakket in zijn geheel en ongeschonden door de politiek zal worden aangenomen.

Het bouwstenentraject is een ambtelijk traject zonder politieke sturing met als doel om uitgewerkte beleidsopties op te leveren voor het volgende kabinet. Wetenschappers, opiniemakers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken geweest via seminars en stakeholdersbijeenkomsten. Het bouwstenentraject heeft 169 uitgewerkte beleidsopties opgeleverd16 die een breed spectrum beslaan. Het is daarmee cynisch gezegd ook een soort mer à boire, met voor elk politieke partij wat wils.

Herziening regime fiscale eenheid vennootschapsbelasting, nieuwe groepsregeling

Een evergreen die ook in het jaar 2021 de nodige aandacht zal opeisen is een mogelijke herziening van het regime van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting. Op 17 juni 2019 is de consultatie voor een nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting gestart. Het doel van de consultatie is te komen tot een nieuwe, toekomstbestendige groepsregeling in de vennootschapsbelasting. De nieuwe groepsregeling zou het fiscale-eenheidsregime moeten opvolgen. Het consultatiedocument beschrijft in dit kader vier verschillende oplossingsrichtingen. De consultatie is afgerond op 29 juli 2019.

Grosso modo is het belangrijkste alternatief voor een nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting een systeem van verlies- of winstoverdracht binnen een groep van verbonden vennootschappen. Maar dat leidt tot een enorme overgangsproblematiek, namelijk het gegeven dat dan alle bestaande fiscale eenheden moeten worden ontvlecht, met als gevolg vele tienduizenden nieuwe belastingplichtige bv’s, opsplitsing van fiscale-eenheidsverliezen, enzovoort. Een bulk aan uitvoeringsproblemen die, zo lijkt mij, de Belastingdienst op geen enkele wijze aankan. Mijn advies aan de toekomstige staatssecretaris van Financiën is dan ook: laat de huidige fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting gewoon in stand en doe niets. Ook al is het huidige fiscale-eenheidsregime complex, mede als gevolg van Europese invloeden; we hebben ermee leren leven.

In een brief van de staatssecretaris van Financiën van 15 september 202017 geeft hij aan dat het een paar jaar zal duren om een goed doordacht en goed werkend nieuw groepsregime te ontwerpen en te implementeren. Het kabinet meent dat daarbij zorgvuldigheid vóór snelheid gaat en laat een beslissing over aan een volgend kabinet. Met Douma18 meen ik dat de beste oplossing in dit geval is: nietsdoen. De fiscale praktijk blijkt het huidige complexe fiscale-eenheidsregime te kunnen handelen, en van vermeende Europeesrechtelijke strijdigheden is tot op heden niet gebleken.

Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting

Op 10 juli 2020 heeft het Tweede Kamerlid Snels (GroenLinks) het initiatiefwetsvoorstel Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting aan de Tweede Kamer aangeboden.19 Het voorziet in een exitheffing voor de dividendbelasting en keert zich met name tegen het mogelijke vertrek van Unilever en Shell uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk, alwaar geen dividendbelasting wordt geheven. Het is een uniek wetsvoorstel omdat vrijwel geen enkel land in de wereld een dergelijke eindafrekening kent. Internationale, met name Europeesrechtelijke problemen liggen daarbij echter op de loer.

Het wetsvoorstel beoogt de heffing van dividendbelasting veilig te stellen ingeval de (latente) winstreserves als gevolg van een grensoverschrijdende reorganisatie overgaan naar twee typen jurisdicties, te weten:

  • staten die geen met de Nederlandse dividendbelasting vergelijkbare bronheffing op dividenden kennen; en

  • staten die bij binnenkomst de (latente) winstreserves aanmerken als gestort kapitaal (step-uplanden).

Nadien heeft de indiener het voorstel van wet nog gewijzigd.20 De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) is zeer kritisch over het oorspronkelijke ontwerp (NTFR 2020/2413) alsook over het gewijzigde wetsvoorstel (NTFR 2020/3173). Het wetsvoorstel is nog niet aangenomen door de Tweede Kamer. De toekomst van het wetsvoorstel lijkt onzeker, mede gezien de Europeesrechtelijke dimensie (strijd met de verdragsvrijheden), maar er lijkt wel een meerderheid in de Tweede Kamer te ontstaan die zich achter dit wetsvoorstel schaart.

Naar een nieuwe DBA-wet

Al vele jaren heerst er onrust op de arbeidsmarkt, daar waar het de kwalificatie van arbeidsrelaties betreft. Op 24 juni 2019 heeft het kabinet-Rutte III in een Kamerbrief meer duidelijkheid gegeven over de nieuwe DBA-wet, die daaraan inhoud moet geven. Drie maatregelen springen daarbij in het oog:

  1. een minimumuurtarief voor zzp’ers;

  2. de zelfstandigenverklaring;

  3. de opdrachtgeversverklaring.

Het minimumtarief van € 16 per uur impliceert dat er beneden dit tarief per definitie sprake is van een dienstbetrekking. Dit dient te worden uitgelegd als een vorm van rechtsbescherming voor de onderkant van de zzp-markt.

Het beeld aan de bovenkant van de zzp-markt is compleet anders. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat deze groep werkenden veel beter in staat is om zelfstandig en afgewogen zelf keuzes te maken, bijvoorbeeld voor wel of geen werknemersbescherming. Daarom luidt het voorstel dat opdrachtgevers en opdrachtnemers gezamenlijk een overeenkomst kunnen sluiten waarbij zij vastleggen geen arbeidsovereenkomst te willen aangaan. De arbeidsbeloning moet minimaal € 75 per uur bedragen. Naast een omschrijving van de opdracht is een harde eis dat de overeenkomst niet langer dan één jaar mag duren. Minister Koolmees houdt sterk vast aan die periode, hoewel er al veel commentaar is op deze beperkte duur, bijvoorbeeld bij complexe ICT-projecten waarbij een jaar zo om is.

Via internetconsultatie.nl zijn het conceptwetsvoorstel Wet minimumbeloning zelfstandigen en zelfstandigenverklaring en de memorie van toelichting openbaar gemaakt.

In het wetsvoorstel zijn de eerste twee maatregelen – het minimumtarief voor zzp’ers en de zelfstandigenverklaring – uitgewerkt. Het wetsvoorstel is evenwel in de loop van het jaar 2020 ingetrokken.21 Het handhavingsmoratorium is in ieder geval tot 1 januari 2021 verlengd.

Dit jaar, op 23 januari 2020,22 verscheen ook het rapport van de Commissie-Borstlap, ofwel de door minister Koolmees (SZW) ingestelde Commissie Regulering van werk.23 De Commissie Regulering van werk is een onafhankelijke commissie onder leiding van Hans Borstlap. De commissie onderzocht op verzoek van het kabinet of de regels die gelden rondom het verrichten van werk nog passen bij de manier waarop we werken, nu en in de toekomst. De belangrijkste aanbeveling van de commissie is dat Nederland snel moet werken aan een integraal herontwerp van de regels rondom werk op het gebied van arbeidsrecht, sociale zekerheid, fiscaliteit en persoonlijke ontwikkeling tijdens de loopbaan.

De beloofde pilot van een webmodule start naar verwachting op 11 januari 2021. De webmodule, als opvolger van de VAR en van de in de kiem gesmoorde Beschikking Geen Loonheffingen zal zes maanden duren. De evaluatie vindt in de zomer van 2021 plaats. Concrete uitkomsten hebben in deze pilotfase geen juridische status. Er kan dus geen zekerheid aan worden ontleend. Mertens betoont zich zeer kritisch.24

In het jaar 2020 wees de Hoge Raad ook nog een civielrechtelijk arrest over het civielrechtelijke begrip dienstbetrekking.25 Volgens de Hoge Raad is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de arbeidsrelatie onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de tussen partijen overeengekomen rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Schouten schrijft in zijn commentaar bij het arrest: ‘Het in de aanhef van een overeenkomst vermelden dat partijen geen arbeidsovereenkomst beogen aan te gaan, is op zich zonder betekenis. Als partijen afspraken hebben gemaakt die in feite een (materiële) arbeidsovereenkomst omvatten, moet deze arbeidsrelatie als arbeidsovereenkomst worden geduid. Naar mijn inschatting zullen op basis van deze uitspraak veel overeenkomsten met thans als zzp’er werkzame personen zonder meer als een civiele arbeidsovereenkomst moeten worden geduid. De vraag is nu of de politiek tot actie overgaat.’

Ook voor dit thema geldt: wordt vervolgd in het jaar 2021.26

Beperking liquidatieverliesregeling in de vennootschapsbelasting

Het belangrijkste element van het wetsvoorstel over de beperking liquidatieverliesregeling VPB is de territoriale werking, inhoudende dat in de toekomst de aftrek van liquidatieverliezen wordt beperkt tot deelnemingen gevestigd in EU/EER-landen en dat liquidatieverliezen van deelnemingen gevestigd in derde landen alsdan niet meer aftrekbaar zullen zijn. Hetzelfde heeft in dit verband te gelden voor de aftrek van stakingsverliezen van buitenlandse vaste inrichtingen. Daarmee breekt Nederland met een lange traditie aangaande de reikwijdte van de liquidatieverliesregeling. Daarvan kan men van alles denken, maar het is een uitdrukkingsvorm van een veranderd politiek landschap waarbij de bestrijding van misbruik van belastingen hoog op de politiek agenda staat. Daarbij behoort ook een politiek en maatschappelijk bewustzijn aangaande de vraag waarom wij aftrek van verliezen gegenereerd in derde landen nog in aftrek zouden moeten toestaan. De baten uit derde landen vallen immers onder de deelnemingsvrijstelling. Voor EU/EER-landen vloeit de verplichte aftrek van liquidatieverliezen voort uit Europeesrechtelijke verplichtingen in het kader van de Marks-en-Spencer27–doctrine2829. Maar voor derde landen gaan we in de toekomst een strikt territoriaal stelsel hanteren. Een majeure wijziging in het Nederlandse internationale fiscale beleid. Het wetsvoorstel30 is inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen en zal naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treden.

Lopende wetsvoorstellen

Naast het hiervoor al gememoreerde conceptwetsvoorstel Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap, kan hier nog de Wet vliegbelasting (nr. 35205) genoemd worden. Wat dit laatste wetsvoorstel betreft lijkt het onvermijdelijk, gezien de klimaatdoelstellingen en alle maatregelen rondom de reductie van de CO2–uitstoot, dat deze wet er zal komen, zelfs in tijden van corona. Het kabinet-Rutte III heeft steeds gesteld dat het ernaar streeft om een vliegbelasting op Europees niveau, op een geharmoniseerde wijze, in te voeren. Maar als een Europese oplossing uitblijft, en daar ziet het op dit moment naar uit, dan zal Nederland eenzijdig een vliegbelasting invoeren. Daar waar boeren en bouwers door allerlei milieumaatregelen worden getroffen, is het onontkoombaar dat ook de luchtvaartsector zijn bijdrage aan het milieu levert. Een vliegbelasting moet de consument milieubewuster maken en moet tot enige ontmoediging van het vliegverkeer leiden. Alleen bij een substantiële vliegbelasting zal dat overigens enig effect hebben. De parlementaire behandeling is inmiddels gevorderd tot de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer.

Belangrijke wetsvoorstellen die per 1 januari 2021 in werking treden

Een van de wetten die per 1 januari aanstaande in werking treden, is de Wet bronbelasting 2021. Met deze wet wordt een conditionele bronbelasting geïntroduceerd die als een duidelijke trendbreuk met het verleden kan worden gekwalificeerd. Tot nu toe kende Nederland immers geen bronheffing op rente en royalty’s.31

Brexit

Ten tijde van het schrijven van deze Opinie (21 december 2020) werd er nog steeds onderhandeld tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Op 1 januari 2021 is de Brexit een feit. Nog steeds is er een zeer grote kans op een no-deal-Brexit, met invoerheffingen tot gevolg. Het scenario van ellenlange vrachtwagenfiles in Hoek van Holland, Dover en Calais lijkt zich nu toch echt te gaan manifesteren. Waar emotiepolitiek van Engelse zijde al niet toe kan leiden …

Het jaar 2021

Wat wens ik mij voor het nieuwe jaar?

  • om te beginnen: dat we de coronapandemie overwinnen, en langzamerhand weer terugkeren naar een zekere vorm van normaliteit;

  • dat er rust komt op het fiscalewetgevingsfront;

  • dat fiscale wetsvoorstellen meer gespreid over het jaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden;

  • dat politici en fiscale beleidsmakers nooit meer de termen ‘belastingvereenvoudiging’ en ‘draagkracht’ gebruiken. Die zijn immers tot loze begrippen geworden die nog uitsluitend in woord maar niet in daad worden beleden;

  • dat er een daadwerkelijke dialoog tot stand komt tussen fiscale wetenschap en politiek;

  • dat de wetgever zich niet zozeer laat leiden door pragmatisme en budgettaire overwegingen, maar meer oog heeft voor de structuur van belastingwetgeving;

  • dat de Belastingdienst in rustiger vaarwater terechtkomt en bovenal dat deze overheidsorganisatie een meer menselijk gezicht krijgt en de menselijke mate in zijn uitvoeringsbeleid hanteert;

  • dat de Belastingdienst prioriteit geeft aan fraudebestrijding en daarbij tevens systeemfouten bestrijdt. Zo zouden toeslagen niet langer aan belastingplichtigen moeten worden uitbetaald en zou het systeem van de omzetbelasting moeten worden herzien waarbij aftrek van voorbelasting in beginsel wordt uitgesloten;

  • dat de Belastingdienst zich in kennisgroepen en in beleidsbesluiten onthoudt van het innemen van grensverkennende standpunten die niet zijn terug te voeren op de wet en die daarmee niet kunnen worden onderworpen aan een parlementaire controle;

  • dat de Belastingdienst zich realiseert dat het sluiten van kantoren en loketten de afstand tot de burger alleen maar zal vergroten. De schaduwkant van de almaar voortschrijdende digitalisering bij de overheid en de Belastingdienst is naar mijn mening dat deze tot vervreemding en fraude leidt;

  • dat de Belastingdienst in zijn uitvoeringsbeleid mededogen betoont met de sociaal zwakkere en de bestraffing voorbehoudt voor die belastingplichtigen die dat echt verdienen;

  • dat belastingadviseurs er niet meer over klagen dat de Wet VPB 1969 zo complex geworden is. Het bestrijden van belastingconstructies en agressieve taxplanning-structuren leidt immers onvermijdelijk tot een ingrijpen van de wetgever. Prudentie en terughoudendheid van belastingadviseurs vormen nu juist een aanjager van belastingvereenvoudiging.

Mede namens uitgevers, redactie en auteurs van NTFR wil ik u een gezond, vreedzaam en liefdevol jaar 2021 toewensen.