Wetsvoorstel aandelenopties: een stap vooruit?

MBB 2022/14

Wetsvoorstel aandelenopties: een stap vooruit?

Fennis, M.
Oostenbroek, M.J.

De huidige fiscale behandeling van aandelenopties wordt in de praktijk regelmatig als knellend ervaren. Dit is met name voor start-ups en scale-ups het geval aangezien aandelenopties door deze ondernemingen worden gebruikt om talent en key werknemers aan te trekken en te behouden. Om de huidige knelpunten op te lossen, is op Prinsjesdag 2021 het Wetsvoorstel aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten gepubliceerd. Op basis hiervan wordt het belastbaar moment van aandelenopties verschoven naar het moment dat de aandelen verhandelbaar zijn. Ondanks dat dit een stap vooruit is ten opzichte van de huidige fiscale regels worden de knelpunten onvoldoende weggenomen. Een beter alternatief is om het belastbaar moment te verschuiven naar de vervreemding van de aandelen, net als in veel andere landen. Dit lost de huidige ervaren knelpunten op en is uitvoeringstechnisch beter. Mocht dit niet haalbaar zijn, dan is het aan te raden om aandelenopties op een andere wijze fiscaal te stimuleren.

1. Inleiding

De huidige fiscale behandeling van aandelenopties wordt in de praktijk regelmatig als knellend ervaren, aangezien er vaak onvoldoende liquiditeiten beschikbaar zijn bij uitoefening van de aandelenopties als het belastbaar moment ontstaat. Zodoende bestaat al enige tijd het voornemen om de fiscale behandeling van aandelenopties te wijzigen.1 Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat op Prinsjesdag 2021 het Wetsvoorstel aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten (het ‘Wetsvoorstel’) is gepubliceerd.2 Ondanks de vele vragen over de toepasbaarheid, die tijdens de behandeling zijn gesteld door de Tweede Kamer, en het feit dat de stemming is uitgesteld, worden naar verwachting verschillende punten uit het Wetsvoorstel – al dan niet in aangepaste vorm – geïmplementeerd. Met het oog daarop is het goed om bij het Wetsvoorstel stil te staan, te bezien wat de mogelijke gevolgen hiervan zijn en na te gaan of de knelpunten die in de praktijk worden ervaren door het Wetsvoorstel worden verholpen.3

Allereerst wordt in paragraaf 2 toegelicht wat aandelenopties zijn, hoe deze momenteel worden belast en welke problemen dit in de praktijk oplevert. Vervolgens wordt in paragraaf 3 ingegaan op de inhoud van het Wetsvoorstel en wordt in paragraaf 4 een nadere analyse gedaan op de inhoud. Daarna wordt in paragraaf 5 onderzocht wat het effect van het Wetsvoorstel is op het Nederlandse vestigingsklimaat. Tot slot sluiten wij in de paragrafen 6 en 7 af met een aanbeveling en een korte samenvatting.

2. Aandelenopties en huidige fiscale regels

2.1 Aandelenopties

Aandelenopties zijn contracten die het recht geven, maar niet de verplichting, om een onderliggend aandeel te kopen of verkopen tegen een vooraf overeengekomen uitoefenprijs op of vóór de vervaldatum van het contract. In de praktijk worden aandelenopties geregeld gebruikt voor management- en werknemersparticipaties. Deze participaties zijn voor ondernemingen een belangrijk beloningsinstrument om (financiële) verbondenheid te creëren tussen de onderneming enerzijds en het management en/of werknemers anderzijds. Daarnaast is het een veelgebruikt beloningsinstrument voor ondernemingen om strategische werknemers en talent aan te trekken en te behouden. Dit is typisch bevorderend voor de prestaties van de onderneming. Dit laatste is vaak de motivatie voor start-ups en scale-ups om hun werknemers te belonen met aandelenopties. Juist voor dit soort ondernemingen zijn aandelenopties een geschikt beloningsinstrument, aangezien deze ‘goedkoop’ zijn om uit te geven en deze niet leiden tot extra loonkosten. Zo kunnen startende ondernemingen geschikte werknemers aantrekken en blijft er meer kapitaal in de onderneming om te groeien.

2.2 Huidige fiscale regels aandelenopties

Op basis van art. 10a lid 1 Wet LB 1964 geldt dat aandelenopties pas belast worden met loonbelasting op het moment dat de aandelenopties worden uitgeoefend of vervreemd. Op dat moment wordt het voordeel dat door de werknemer wordt gerealiseerd door het uitoefenen van de aandelenoptie belast met loonbelasting. Het voordeel is gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de onderliggende aandelen op het moment van uitoefening verminderd met de uitoefenprijs en de eventuele aankoopprijs die is betaald voor de aandelenopties. Verder geldt dat de kosten die door de werkgever worden gemaakt in verband met de toekenning van aandelenopties niet aftrekbaar zijn voor de Wet Vpb 1969.

2.3 Problemen in de praktijk

Ondanks het feit dat het voor een werkgever gemakkelijk en goedkoop is om aandelenopties uit te geven, worden er in de praktijk problemen ervaren. Uit onderzoek dat is gedaan in opdracht van Techleap.nl volgt dat voor start-ups, scale-ups en mkb-bedrijven de onduidelijkheid over de financiële implicaties van aandelenopties en de fiscale onaantrekkelijkheid de twee belangrijkste redenen zijn om geen gebruik te maken van aandelenopties.4 De fiscale onaantrekkelijkheid wordt ervaren doordat er loonbelasting betaald moet worden op het moment van de uitoefening van de aandelenopties, terwijl op dat moment niet altijd voldoende liquiditeiten beschikbaar zijn om de loonbelasting te voldoen. Dit gebrek aan liquiditeiten is het gevolg van het geregeld incourant zijn van de onderliggende aandelen, of het van toepassing zijn van bepaalde vervreemdingsverboden op de onderliggende aandelen. Hierdoor kunnen de onderliggende aandelen niet direct worden vervreemd om de benodigde liquiditeiten te verkrijgen om de loonbelasting mee te voldoen.

De problemen die in de praktijk worden ervaren, zijn in het verleden verschillende keren onderkend door de regering.5 Zo is bij de aangekondigde aanpassingen ten aanzien van de belastingheffing op aandelenopties in 2000 aangegeven dat in de praktijk behoefte bestond aan een oplossing voor liquiditeitsproblemen die ontstonden als gevolg van het heffen van belasting over aandelenopties voordat deze opbrengst genereren.6 Daarnaast is deze problematiek opnieuw aan de kaart gesteld in de fiscale beleidsagenda 2019.7 In deze beleidsagenda stelde toenmalig staatssecretaris van Financiën Menno Snel: ‘Doel is een regeling te realiseren waarbij het moment van belastingheffing wordt verplaatst van het moment van uitoefenen van de aandelenopties naar het moment van vervreemding van de met de aandelenopties verkregen aandelen.’8

3. Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten

3.1 Algemeen

Gezien de voortdurende problemen die worden ervaren, en de wens van het kabinet om deze problemen te verhelpen, is op Prinsjesdag 2021 het Wetsvoorstel gepubliceerd. Het doel van het Wetsvoorstel is om het liquiditeitsprobleem dat momenteel in de praktijk wordt ervaren bij de belastingheffing van aandelenopties weg te nemen.9

3.2 Inhoud Wetsvoorstel

Met de beoogde aanpassingen die zijn opgenomen in het Wetsvoorstel wordt het heffingsmoment in beginsel verplaatst naar het moment waarop de onderliggende aandelen, die zijn verkregen door uitoefening van de aandelenopties, verhandelbaar worden. Verhandelbaar is gedefinieerd als het moment dat de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft om de onderliggende aandelen te vervreemden aan derden. Hiervan is niet alleen sprake wanneer de aandelen aan een derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer deze aan andere werknemers van de onderneming kunnen worden verkocht. Daarnaast wordt een keuzeregeling ingevoerd op grond waarvan geopteerd kan worden om de aandelenopties toch te belasten op het moment van uitoefening (gelijk aan de huidige systematiek in de Wet LB 1964). De keuze dient schriftelijk en uiterlijk op het moment van uitoefening van de aandelenopties kenbaar gemaakt te worden aan de inhoudingsplichtige, waarbij de inhoudingsplichtige verantwoordelijk is om de schriftelijke keuze van de werknemers vast te leggen in de loonadministratie.

Wanneer de onderliggende aandelen na uitoefening van de aandelenopties verhandelbaar worden, wordt er belasting geheven over het voordeel dat op dat moment wordt gerealiseerd. Het voordeel is in dit geval gelijk aan de huidige regels, zijnde de waarde in het economisch verkeer van de aandelen op het moment van heffing verminderd met de verkrijgingsprijs en de uitoefenprijs van de aandelenopties. Bij een beursgang van een onderneming geldt dat aandelen verhandelbaar worden, aangezien deze op een beurs verkocht kunnen worden aan derden. Het kan echter zo zijn dat na de beursgang bepaalde contractuele (bijvoorbeeld door een lock-up periode) of wettelijke beperkingen op de aandelen van toepassing zijn, waardoor deze niet meteen vervreemd kunnen worden. In dat geval kan het heffingsmoment worden uitgesteld. Om oneigenlijk gebruik en langdurig uitstel van belastingheffing te voorkomen, is ten aanzien van contractuele beperkingen een maximumtermijn van vijf jaar na de beursgang opgenomen in het Wetsvoorstel. Na afloop van deze vijf jaar worden de aandelen geacht verhandelbaar te zijn. Voor wettelijke beperkingen geldt deze termijn niet en wordt er aangesloten bij de afloop van de wettelijke beperkingen indien deze langer dan vijf jaar van toepassing zijn.

Indien de werknemer, na uitoefening van de aandelenopties aandelen houdt, is het mogelijk dat voordelen die hij ontvangt op de aandelen, bijvoorbeeld dividenden, ook als loon ter zake van de aandelenoptie in de heffing van de loonbelasting worden getrokken. Dit is het geval wanneer voordelen op de onderliggende aandelen worden ontvangen, waarbij geldt dat (i) de voordelen ontvangen worden voordat de aandelen verhandelbaar zijn en (ii) niet is geopteerd voor de keuzeregeling. De kosten die betrekking hebben op het genoten voordeel kunnen in mindering worden gebracht, maar niet verder dan tot nihil. Het voordeel wordt genoten op het reguliere genietingsmoment van art. 13a lid 1 Wet LB 1964 (het moment van betaling) en valt dus niet tegelijk met het genietingsmoment van het voordeel dat wordt gerealiseerd op de aandelenopties.

Tot slot kan de situatie zich voordoen dat een dienstbetrekking wordt beëindigd terwijl de aandelenopties nog niet zijn uitgeoefend. In dat geval worden de aandelenopties geacht te zijn uitgeoefend en onmiddellijk verhandelbaar te zijn op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking. Op deze manier wordt het voordeel dat op de aandelenopties wordt gerealiseerd uiterlijk bij de beëindiging van een dienstbetrekking in aanmerking genomen als een belastbare looncomponent.

3.3 Tegemoetkoming startups vervalt

Naast de hiervoor benoemde aanpassingen ten aanzien van de fiscale behandeling van aandelenopties, komt de fiscale tegemoetkoming voor innovatieve start-ups in art. 10a lid 9 en 10 Wet LB 1964 te vervallen. Kort gezegd kunnen werknemers van innovatieve start-ups op dit moment onder voorwaarden een gedeeltelijke vrijstelling krijgen op voordelen die gerealiseerd worden op aandelenopties, waarbij geldt dat de vrijstelling slechts kan worden toegepast voor zover het voordeel dat door een werknemer in een kalenderjaar wordt gerealiseerd niet meer bedraagt dan € 50.000. Indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt slechts 75% van het genoten voordeel in aanmerking genomen. De reden dat deze fiscale tegemoetkoming komt te vervallen, is het feit dat deze in de praktijk slechts beperkt wordt toegepast.10 Daarnaast wordt het achterliggende liquiditeitsprobleem niet opgelost, aangezien alsnog belastingheffing plaatsvindt op een moment waarop er vaak onvoldoende liquiditeiten beschikbaar zijn.11

4. Nadere analyse Wetsvoorstel

4.1 Algemeen

Bij het analyseren van het Wetsvoorstel zijn er een aantal onderwerpen die opvallen en die meer aandacht verdienen, namelijk (i) het begrip verhandelbaarheid, (ii) het onderscheid tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen, (iii) het ontbreken van overgangsrecht en (iv) de internationale aspecten. Deze onderwerpen worden achtereenvolgens in de volgende paragrafen nader uitgewerkt.

4.2 Het begrip verhandelbaarheid

Het begrip ‘verhandelbaarheid’ is nieuw in de Wet LB 1964. De voornaamste vraag die opkomt is of het verschuiven van het belastbaar moment naar het moment van verhandelbaarheid daadwerkelijk een stap vooruit is ten opzichte van de huidige fiscale regels.

Door aan te sluiten bij het moment waarop de onderliggende aandelen verhandelbaar zijn, wordt er onderscheid gecreëerd tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen. De achtergrond hierbij is dat bij beursgenoteerde ondernemingen de aandelen, met uitzondering van de situatie dat bepaalde wettelijke of contractuele beperkingen van toepassing zijn, onmiddellijk verhandelbaar zijn op een gereguleerde aandelenbeurs nadat de aandelenopties zijn uitgeoefend.

4.2.1 Beursgenoteerde ondernemingen

Het gevolg van het feit dat de aandelen in beursgenoteerde ondernemingen in beginsel onmiddellijk verhandelbaar zijn, is dat de aandelen bij uitoefening van de aandelenopties direct in de heffing van de Wet LB 1964 worden betrokken. In feite wijzigt de fiscale behandeling dus niet ten opzichte van de huidige fiscale systematiek. Dit wordt tevens onderkend in de memorie van toelichting op het Wetsvoorstel.12 Op basis hiervan zal het Wetsvoorstel geen veranderingen teweegbrengen voor de houders van aandelenopties in beursgenoteerde ondernemingen.

Er is echter een uitzondering op voorgaande conclusie, namelijk wanneer er contractuele beperkingen van toepassing zijn op de aandelen. In dat geval kan het heffingsmoment worden uitgesteld, waarbij voor contractuele beperkingen een maximaal uitstel van vijf jaar na de beursgang geldt. Na afloop van de termijn van vijf jaar worden de aandelen pas geacht verhandelbaar te zijn. In situaties waarin contractuele beperkingen van meer dan vijf jaar van toepassing zijn op de vervreemding van beursgenoteerde aandelen wordt het liquiditeitsprobleem echter niet opgelost. Door de contractuele beperkingen kunnen de aandelenopties alsnog in de heffing van de loonbelasting worden betrokken terwijl er geen liquiditeit beschikbaar is en geen mogelijkheid bestaat om aandelen te vervreemden om deze liquiditeiten te verkrijgen. De vraag is wel of dergelijke langdurige beperkingen van vijf jaar of meer zich in de praktijk snel zullen voordoen.

4.2.2 Niet-beursgenoteerde ondernemingen

Voor niet-beursgenoteerde ondernemingen, zoals start-ups en scale-ups, zijn de onderliggende aandelen vaak niet meteen verhandelbaar na de uitoefening van de aandelenopties. Voor deze ondernemingen leidt het Wetsvoorstel wel tot een wijziging van het heffingsmoment. In principe hebben de werknemers dan de mogelijkheid om aandelen te vervreemden en liquiditeit te verkrijgen. Dit leidt echter tot een situatie die niet past binnen het doel van participatiestructuren.

Zoals in paragraaf 2.1 aangegeven, is het doel van participatiestructuren om (financiële) verbondenheid te creëren tussen de onderneming enerzijds en de werknemers anderzijds. Het idee daarbij is dat deze verbondenheid de werknemers stimuleert om zich extra in te zetten om de onderneming tot een groter succes te brengen. Het Wetsvoorstel probeert het liquiditeitsprobleem op te lossen door aan te sluiten bij de verhandelbaarheid van de onderliggende aandelen. In feite worden de werknemers `gedwongen' om de aandelen te verkopen op het moment van verhandelbaarheid om zo de benodigde liquiditeiten te verkrijgen om de belasting te kunnen voldoen. Hierdoor zullen zij niet meer of in mindere mate participeren in het kapitaal van de onderneming. Dit is niet optimaal en zorgt ervoor dat werknemers niet optimaal kunnen profiteren van de beoogde groei van de onderneming.

4.3 Overgangsrecht

Een tweede aandachtspunt is dat er geen overgangsrecht is opgenomen in het Wetsvoorstel. Dit zorgt ervoor dat de nieuwe fiscale regels van toepassing zijn op bestaande en nieuwe aandelenopties. Het belastbaar moment voor de houders van aandelenopties die voor de inwerkingtreding van het Wetsvoorstel zijn uitgegeven, verschuift hierdoor naar het moment van verhandelbaarheid, tenzij expliciet wordt geopteerd voor de keuzeregeling.

In de nota naar aanleiding van het verslag is een voorbeeldberekening opgenomen van de gevolgen van de belastingheffing op aandelenopties, zowel op het moment van uitoefening, verhandelbaarheid als op het heffingsmoment.13 Als de onderliggende aandelen in waarde stijgen, leidt het aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid tot een hogere belastingheffing dan wanneer wordt aangesloten bij het moment van uitoefening (het voordeel is immers groter). Dit kan een onaangename verrassing zijn voor iemand die in het verleden aandelenopties heeft verkregen en ervan uitgaat dat zijn aandelen bij uitoefening belast worden, des te meer wanneer deze persoon voldoende liquiditeiten beschikbaar heeft om de heffing te voldoen bij uitoefening.

Met het oog op het voorgaande is het van belang dat bestaande aandelenoptieplannen opnieuw tegen het licht worden gehouden en dat houders van aandelenopties tijdig geïnformeerd en geadviseerd worden over deze wijzigingen.

4.4 Internationale aspecten

Een derde aandachtspunt is het internationale aspect van het Wetsvoorstel. In het Wetsvoorstel wordt niets gezegd over de internationale aspecten van de voorgenomen aanpassingen, waardoor de vraag opkomt wat de gevolgen van het Wetsvoorstel zijn op grensoverschrijdende situaties. De volgende drie onderwerpen verdienen hierbij aandacht, namelijk (i) het effect van de verschuiving van het heffingsmoment op de effectuering van de belastingheffing, (ii) de verdeling van het heffingsrecht op koerswinsten en (iii) de effectuering van de belastingheffing op dividenduitkeringen in de periode tussen uitoefening en het verhandelbaar worden.

4.4.1 Effect van de verschuiving van het heffingsmoment op de effectuering van de belastingheffing

Allereerst komt de vraag op of het wijzigen van het heffingsmoment gevolgen heeft op de verdeling van het heffingsrecht onder belastingverdragen. Op het moment dat twee verschillende staten belasting willen heffen over het voordeel dat wordt gerealiseerd op aandelenopties die een werknemer heeft verkregen als beloning voor zijn werkzaamheden, is in beginsel art. 15 OESO-Modelverdrag van toepassing.

Als hoofdregel geldt dat de bronstaat het heffingsrecht heeft op de voordelen die worden gerealiseerd op aandelenopties, voor zover dit een beloning voor werkzaamheden vormt die in de bronstaat zijn verricht.14 Het heffingsrecht wordt toegekend aan de bronstaat, ongeacht of de belastingplichtige nog werkzaam is in de bronstaat op het moment van heffing.15

In het commentaar op art. 15 OESO-Modelverdrag wordt expliciet gesteld dat er geen beperkingen in tijd van toepassing zijn op het moment van belastingheffing over het voordeel dat wordt gerealiseerd op een aandelenoptie.16 Het feit dat Nederland dus voornemens is om het heffingsmoment op aandelenopties te verschuiven naar de verhandelbaarheid van de onderliggende aandelen die worden verkregen door de uitoefening van de aandelenopties, zou niet moeten leiden tot negatieve gevolgen op de effectuering van het heffingsrecht van Nederland als bronland in grensoverschrijdende situaties.

4.4.2 Koerswinsten

Een tweede vraag die opkomt in grensoverschrijdende situaties is aan welk land het heffingsrecht op koersstijgingen wordt toegekend, die worden gerealiseerd op de onderliggende aandelen in de periode tussen uitoefening en het moment dat de aandelen verhandelbaar worden. Aan de hand van een voorbeeld wordt dit verder verduidelijkt.

Voorbeeld 1

Stel, een werknemer heeft voor zijn werkzaamheden in Nederland een aantal aandelenopties toegekend gekregen van zijn Nederlandse werkgever. Na vijf jaar emigreert de werknemer naar het buitenland en vervolgens oefent hij de aandelenopties meteen uit tegen een uitoefenprijs van € 5.000. Op het moment van uitoefening hebben de aandelen een waarde van € 50.000, waardoor een voordeel van € 45.000 wordt gerealiseerd. Drie jaar na de emigratie worden de aandelen verhandelbaar. Op dat moment hebben de aandelen een waarde van € 100.000. Twee jaar later besluit hij de aandelen te verkopen tegen € 120.000.

Vanuit Nederlands fiscaal perspectief is de uitwerking van het voorbeeld als volgt. De emigratie naar het buitenland leidt op zichzelf niet tot heffing van loonbelasting.17 Op basis van het Wetsvoorstel wil Nederland heffen over het voordeel dat wordt gerealiseerd op het moment van verhandelbaarheid, zijnde een bedrag van € 95.000 (waarde van € 100.000 op het moment van verhandelbaarheid verminderd met de uitoefenprijs van € 5.000).

Voor de verdeling van het heffingsrecht in deze grensoverschrijdende situatie zijn art. 13 en 15 OESO-Modelverdrag relevant. Op basis van art. 13 OESO-Modelverdrag komen de koerswinsten die worden gerealiseerd met de verkoop van aandelen tussen (i) het moment van uitoefening en (ii) het moment van verkoop volledig toe aan het woonland (een bedrag van € 70.000). Dit betekent dat Nederland in dit voorbeeld slechts mag heffen over het voordeel dat wordt gerealiseerd bij uitoefening, zijnde een voordeel van € 45.000. Deze wisselwerking tussen art. 13 en art. 15 OESO-Modelverdrag volgt expliciet uit het commentaar op art. 15 OESO-Modelverdrag.18 Hierin valt te lezen dat art. 15 OESO-Modelverdrag slechts van toepassing is totdat de aandelenopties zijn uitgeoefend, verkocht of anderzijds vervreemd. Vermogenswinsten die daarna worden gerealiseerd, vallen onder de toepassing van art. 13 OESO-Modelverdrag.

4.4.3 Heffingsrecht over voordelen op aandelen

Tot slot komt de vraag op of en in hoeverre Nederland mag heffen over voordelen, bijvoorbeeld dividenden, die worden gerealiseerd op de aandelen die zijn verkregen met de uitoefening van de aandelenopties tussen uitoefening en het moment van verhandelbaarheid. Zoals beschreven in paragraaf 3.2 van dit artikel is in het Wetsvoorstel opgenomen dat in dergelijke situaties het voordeel tot het loon ter zake van een aandelenoptie behoort en dat dit als loon belast wordt tegen maximaal 49,5% loonbelasting (tarief 2022). In grensoverschrijdende situaties lijkt het onwaarschijnlijk dat Nederland de loonbelasting op dividenduitkeringen in de periode tussen uitoefening en het moment van verhandelbaarheid kan effectueren op grond van de belastingverdragen.

De reden hiervoor is dat op grond van art. 10 lid 2 onderdeel b OESO-Modelverdrag het heffingsrecht van de bronstaat op dividenden is gemaximeerd op 15% (ervan uitgaande dat de dividenden worden uitgekeerd aan een individu). Daarnaast wordt in het commentaar op art. 15 OESO-Modelverdrag gesteld dat de bronstaat alleen mag heffen over voordelen die toerekenbaar zijn aan de aandelenoptie zelf en niet over voordelen die toerekenbaar zijn aan ‘het houden van aandelen’ na uitoefening van de aandelenopties.19 Aangezien aandeelhouders gerechtigd zijn tot dividenden van een vennootschap, worden de voordelen in de periode tussen uitoefening en het moment van verhandelbaarheid gerealiseerd in de hoedanigheid als aandeelhouder. Zodoende kan geconcludeerd worden dat Nederland in grensoverschrijdende situaties deze additionele loonbelasting niet kan effectueren.

5. Effect op het vestigingsklimaat van Nederland

5.1 Algemeen

Zoals eerder aangegeven, zijn aandelenopties voor start-ups en scale-ups een belangrijk beloningsinstrument om strategisch personeel en talent aan te trekken en te behouden. Het is van belang voor het vestigings- en het ondernemersklimaat van Nederland dat het Wetsvoorstel de huidige fiscale problemen oplost en dat de fiscale regels meer aansluiten bij andere landen.20

5.2 Vergelijking met andere landen

Om te vergelijken hoe de fiscale regels ten aanzien van aandelenopties in Nederland zich verhouden tot de regels van een aantal omringende landen en landen die bekendstaan om een goed vestigingsklimaat voor start-ups en scale-ups, heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een landenonderzoek laten uitvoeren.21

In het kort volgt uit dit onderzoek dat de meeste landen belasting heffen op aandelenopties op het moment van uitoefening en het moment van verkoop van de onderliggende aandelen. In de regel wordt het voordeel dat wordt gerealiseerd bij de uitoefening belast als loon, en wordt later bij een verkoop de waardeaangroei die wordt gerealiseerd op de aandelen belast als vermogenswinst. Daarnaast is het vaak mogelijk om de belastingheffing op de aandelenopties uit te stellen naar het moment van verkoop van de onderliggende aandelen. Een ander belangrijk verschil met Nederland is dat veel landen, waaronder de Verenigde Staten, een fiscale faciliteit toepassen op aandelenopties met een gunstigere belastingheffing tot gevolg. Hiermee maken zij het aantrekkelijk om werknemers te belonen met aandelenopties.

Uit dit onderzoek volgt dat de fiscale behandeling van aandelenopties in Nederland momenteel minder aantrekkelijk is dan in andere landen. Het Wetsvoorstel zorgt daarnaast voor onvoldoende aansluiting met deze landen, waardoor het Nederlandse vestigingsklimaat niet verbetert.

5.3 Alternatieve beloningsinstrumenten: stock appreciation rights

Aangezien de huidige fiscale systematiek voor aandelenopties tot problemen leidt in de praktijk, wordt vaak gezocht naar alternatieve beloningsinstrumenten. Een van de beloningsinstrumenten die in de praktijk veel worden gebruikt door start-ups en scale-ups, zijn zogenaamde ‘stock appreciation rights’ (de ‘SARs’). SARs geven werknemers het recht op een uitbetaling in contanten indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld een verkoop van de vennootschap aan een derde partij. De SARs zijn gekoppeld aan de waardeontwikkeling van de onderliggende aandelen in een vennootschap, maar zijn zelf niet meer dan een recht op een toekomstige uitkering van een bonus. De uitkering die de werknemer op de SARs ontvangt, kwalificeert als loon in de zin van de Wet LB 1964. Hierdoor dient op het volledige bedrag 49,5% loonbelasting ingehouden te worden (tarief 2022). De uitkering die op de SARs wordt gedaan, is daarnaast aftrekbaar in de Wet Vpb 1969.

Met SARs wordt echter in veel mindere mate verbondenheid gecreëerd dan met aandelenopties. De voornaamste reden hiervoor is dat, anders dan bij aandelenopties, met SARs niet de mogelijkheid wordt gecreëerd om de onderliggende aandelen in een vennootschap te verkrijgen. Daarnaast volgt uit de praktijk dat de SARs in het buitenland minder bekend zijn dan aandelenopties, waardoor het geen effectief instrument is om buitenlands strategisch personeel en talent aan te trekken. Hierdoor zijn SARs een minder effectief beloningsinstrument dan aandelenopties.

Aangezien de fiscale behandeling van aandelenopties door het Wetsvoorstel er onvoldoende op vooruitgaat, en het feit dat de andere beloningsinstrumenten geen goed alternatief bieden om werknemers te werven, blijft Nederland achterlopen ten opzichte van andere landen. Dit zorgt ervoor dat Nederland relatief minder aantrekkelijk is voor start-ups en scale-ups, wat slecht is voor het Nederlandse vestigingsklimaat.

6. Aanbeveling tot aanpassing

6.1 Algemeen

Ondanks dat het goed is dat het voornemen bestaat om de fiscale behandeling van aandelenopties in Nederland te wijzigen, schiet het Wetsvoorstel tekort. Aangezien het wel van groot belang is voor het Nederlandse vestigingsklimaat (en tevens de Nederlandse economie) dat start-ups en scale-ups zich in Nederland blijven vestigen, is het noodzakelijk dat de fiscale regels ten aanzien van aandelenopties worden aangepast. In deze paragraaf wordt een korte aanbeveling tot aanpassing gedaan waarmee het liquiditeitsprobleem wordt opgelost met een positief effect op het Nederlandse vestigingsklimaat.

6.2 Belastingheffing bij verkoop

Naar onze mening dient de heffing van aandelenopties te worden verschoven naar het moment dat de onderliggende aandelen vervreemd worden. Bij de vervreemding wordt het voordeel dat op dat moment wordt gerealiseerd belast met loonbelasting. De voorgestelde fiscale systematiek voor de aandelenopties heeft drie voordelen ten opzichte van het Wetsvoorstel.

Allereerst komen op het moment van vervreemding van de onderliggende aandelen voldoende liquiditeiten beschikbaar bij de werknemer om de loonbelasting te voldoen. Op deze manier wordt het voornaamste doel van het Wetsvoorstel beter gerealiseerd dan met de voorgestelde wijzigingen in het Wetsvoorstel, aangezien met deze wijzigingen geen situaties ontstaan waarin geen liquiditeiten beschikbaar zijn wanneer de belasting moet worden voldaan.

Daarnaast zorgt de verschuiving naar het moment van vervreemding voor beter uitvoerbare fiscale regels, aangezien het vervreemdingsbegrip bekend is in de Wet LB 1964 en andere Nederlandse wetten en daarnaast objectief is.22 Dit is anders dan het begrip ‘verhandelbaarheid’, wat nieuw is in de Wet LB 1964 en tot discussies kan leiden. In de nota naar aanleiding van het verslag laat de staatssecretaris weten dat het aansluiten bij het moment van vervreemding leidt tot uitvoeringstechnische problemen.23 Het gebruik van een dergelijk objectief begrip zorgt juist voor een situatie die beter uitvoerbaar is, aangezien er geen discussie zal bestaan over de vraag of de aandelen vervreemd zijn.

Verder wordt met deze aanpassing beter aangesloten bij het heffingsmoment dat juist ook in andere landen wordt toegepast. Deze aansluiting zorgt ervoor dat Nederland minder uit de pas loopt met de fiscale behandeling van aandelenopties in andere landen, wat weer positief is voor het Nederlandse vestigingsklimaat.

In de memorie van toelichting op het Wetsvoorstel wordt gesteld dat het verschuiven van het belastbaar moment naar het moment van vervreemding van de onderliggende aandelen is overwogen, maar dat hier bewust niet voor is gekozen.24 De belangrijkste reden van het kabinet om niet aan te sluiten bij het moment van vervreemding is het feit dat zij het risico op oneigenlijk gebruik en langdurig uitstel van heffing in dit geval reëel achten bij beursgenoteerde ondernemingen (immers, alleen bij beursgenoteerde bedrijven is een uitstel gemaximeerd op vijf jaar na de beursgang). In onze optiek ligt het niet voor de hand dat belastingplichtigen de heffing oneigenlijk lang gaan uitstellen. De reden hiervoor is dat het voordeel, en dus de belastinggrondslag, alleen meer toenemen als de aandelen in waarde stijgen. Hierdoor is het fiscaal niet aantrekkelijk om de verkoop van de onderliggende aandelen uit te stellen.

Zoals beschreven in paragraaf 4.2.1 leidt het Wetsvoorstel de facto niet tot een wijziging van belastingheffing voor houders van aandelenopties in beursgenoteerde bedrijven. Op het moment dat het niet wenselijk is om in zijn algemeenheid aan te sluiten bij het moment van vervreemding van de aandelen omdat het niet wenselijk is om het hiervoor beschreven risico te nemen, zou als alternatief het heffingsmoment alleen voor aandelenopties in niet-beursgenoteerde bedrijven verschoven moeten worden naar de vervreemding van de onderliggende aandelen. Dit leidt tot onderscheid tussen de fiscale behandeling van aandelenopties in beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen. Een soortgelijk onderscheid is eerder ook door Tweede Kamerlid Alkaya voorgesteld.25 In het amendement van Alkaya wordt voorgesteld om het Wetsvoorstel te beperken tot ondernemingen met maximaal honderd werknemers. Ondanks dat een onderscheid tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde bedrijven de uitvoerbaarheid en de eenvoud vermindert ten opzichte van een algehele verschuiving naar het moment van vervreemding, is dit in onze optiek nog steeds een betere systematiek dan het Wetsvoorstel.

6.3 Fiscale faciliteiten voor opties

Op het moment dat het niet wenselijk is om het heffingsmoment van aandelenopties te verplaatsen naar het moment dat de onderliggende aandelen worden vervreemd, dan wel deze wijziging alleen te implementeren voor niet-beursgenoteerde ondernemingen, is het naar onze mening essentieel om additionele fiscale faciliteiten toe te voegen aan het Wetsvoorstel om het vestigingsklimaat van Nederland te bevorderen.

Een eerste alternatief is om kosten die worden gemaakt bij het verstrekken van aandelenopties weer aftrekbaar te maken voor ondernemingen in de Wet Vpb 1969. Tot 2007 waren deze kosten aftrekbaar van de winsten van een onderneming.26 Met de implementatie van de Wet werken aan winst is de aftrekmogelijkheid echter geschrapt.27 Het aftrekverbod heeft de aantrekkelijkheid van aandelenopties als beloningsinstrument verminderd, zeker gezien het feit dat betalingen van alternatieven beloningsinstrumenten – bijvoorbeeld SARs – wel aftrekbaar zijn van de winst van een onderneming in de Wet Vpb 1969. Een van de argumenten die werd aangevoerd om de aftrekmogelijkheid te schrappen, is dat er geen sprake zou zijn van kosten voor de toekennende vennootschap. Uit de literatuur en jurisprudentie volgt echter dat dit principieel onjuist is en dat de toekenning wel degelijk leidt tot kosten voor de vennootschap.28 Volgens Reimers is sprake een informele kapitaalstorting in de kosten-batensfeer en dit is bevestigd door de Hoge Raad.29 Deze gedachtegang volgend zou een aftrek voor de kosten van de toegekende aandelenopties op zijn plaats zijn.

Een tweede alternatief zou zijn om de voordelen die worden gerealiseerd op aandelenopties te belasten tegen een lager tarief, bijvoorbeeld tegen 50% van het geldende tarief van de Wet LB 1964. Om oneigenlijk gebruik te voorkomen, is het noodzakelijk om een grens in te voeren op het inkomen uit arbeid dat onder dit verlaagde tarief kan vallen. Op deze manier wordt het aantrekkelijk voor werkgevers om werknemers te belonen met aandelenopties en zal het vestigingsklimaat van Nederland verbeteren ten opzichte van andere landen. Een bijkomend voordeel is dat meer werknemers aandelen zullen bezitten in de onderneming waarvoor zij werkzaam zijn of zijn geweest.

7. Samenvatting

In de praktijk wordt de huidige fiscale behandeling van aandelenopties regelmatig als knellend ervaren. Met name voor start-ups en scale-ups, die aandelenopties als relatief goedkoop beloningsinstrument beschouwen in een periode waarin de cashflow vaak krap is, zorgt dit ervoor dat het lastig is om talent en key werknemers aan te trekken en te behouden. De reden hiervoor is dat op het belastbaar moment meestal onvoldoende liquiditeiten beschikbaar zijn om de belasting te voldoen. Het Wetsvoorstel zou ervoor moeten zorgen dat het liquiditeitsprobleem wordt weggenomen.

In het Wetsvoorstel wordt voorgesteld om het belastbaar moment te verschuiven naar het moment dat de aandelen, die als gevolg van de uitoefening van de aandelenopties worden verkregen, verhandelbaar zijn. Uit de nadere analyse volgt echter dat het Wetsvoorstel op bepaalde punten tekortschiet. Daarnaast blijft de fiscale behandeling van aandelenopties achter bij andere landen, waardoor Nederland niet aantrekkelijker wordt voor start-ups, scale-ups en andere bedrijven om zich te vestigen in Nederland.

Aangezien het Wetsvoorstel het beoogde doel niet voldoende realiseert, is een aanbeveling gedaan om het heffingsmoment te verschuiven naar het moment dat de onderliggende aandelen worden vervreemd (net zoals in veel andere landen). Het blijkt echter dat het kabinet de kans op oneigenlijk gebruik en langdurig uitstel van heffing bij beursgenoteerde ondernemingen dan te groot acht. Indien dit de reden is om het heffingsmoment niet te verschuiven naar het moment van verkoop van de aandelen, kan worden overwogen om het heffingsmoment alleen voor de niet-beursgenoteerde ondernemingen naar dit moment te verschuiven. Het verschuiven van het heffingsmoment naar de vervreemding van de onderliggende aandelen lost het huidige liquiditeitsprobleem op en is daarnaast uitvoeringstechnisch beter dan het Wetsvoorstel. Op het moment dat het niet wenselijk is om het heffingsmoment naar dit moment te verschuiven, moet worden onderzocht hoe Nederland het gebruik van aandelenopties fiscaal het best kan stimuleren. Hierbij kan gedacht worden aan (i) het wederom aftrekbaar maken van de kosten die worden gemaakt om de aandelenopties uit te geven in de Wet Vpb 1969, of (ii) het voordeel dat wordt gerealiseerd in relatie tot de aandelenopties tegen een lager effectief tarief te belasten. Op deze manier maakt Nederland het gebruik van aandelenopties als beloningsinstrument aantrekkelijker, waardoor Nederland een aantrekkelijker vestigingsland wordt voor start-ups, scale-ups en andere ondernemingen die gebruik willen maken van aandelenopties.