In belastingprocesrecht geen gezag van gewijsde: Beslissing van Hof Den Haag over aanslag 2015 niet bindend voor hof Den Bosch inzake aanslag 2016
In belastingprocesrecht geen gezag van gewijsde: Beslissing van Hof Den Haag over aanslag 2015 niet bindend voor hof Den Bosch inzake aanslag 2016
Gegevens
- Nummer
- 2025/1170
- Publicatiedatum
- 21 juli 2025
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende is een regionale netbeheerder voor elektriciteit, gas en warm water. Zij heeft leidingen in grond die is gelegen in de gemeente. In 2015 en 2016 voorziet de precariobelastingverordening van de gemeente in een vrijstelling voor ‘voorwerpen, welke rechtens moeten worden gedoogd’. Het is niet in geschil dat leidingen van belanghebbende in grond van de gemeente rechtens moeten worden gedoogd op grond van overeenkomsten die zij hebben gesloten voor aansluiting van het gemeentehuis en voor de openbare verlichting, en de bij deze overeenkomsten behorende algemene voorwaarden. Wel is in geschil welke leidingen rechtens moeten worden gedoogd en daarmee zijn vrijgesteld van de heffing van precariobelasting.
Dit geschilpunt speelt voor de aanslag precariobelasting voor 2015 en de aanslag precariobelasting voor 2016. In de procedure over de aanslag 2015 heeft hof Den Haag (26 september 2017, ) beslist dat alle kabels in percelen van de gemeente met een aansluiting rechtens moeten worden gedoogd en zijn vrijgesteld. Daarentegen heeft hof Den Bosch (17 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1334) in de procedure over de aanslag 2016 geoordeeld dat alleen de aansluitingen voor het gemeentehuis en de openbare verlichting rechtens moeten worden gedoogd en zijn vrijgesteld. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat het niet is gebonden aan het oordeel van hof Den Haag in de procedure over de aanslag 2015.
In cassatie is onder meer in geschil of het hof is gebonden daaraan. Belanghebbende meent van wel. Daartoe doet zij een beroep op het gezag van gewijsde van de uitspraak van hof Den Haag, die ziet op dezelfde gedoogplicht van de gemeente jegens belanghebbende, onherroepelijk is komen vast te staan en is gewezen tussen dezelfde partijen. Naar aanleiding van dit beroep onderzoekt A-G Pauwels of gezag van gewijsde geldt, althans moet worden aanvaard, voor belastingzaken in het algemeen dan wel voor een belastingzaak als deze in het bijzonder.
Dit onderzoek brengt de A-G tot de slotsom dat: (1) de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die inhoudt dat elke aanslag op zichzelf moet worden beschouwd, met zich brengt dat hof Den Bosch niet is gebonden aan het oordeel van hof Den Haag, en (2) het gezag van gewijsde geen grond biedt daarvan af te wijken. Anders dan het burgerlijke procesrecht (art. 236 Rv), voorziet het belastingprocesrecht namelijk niet in een wettelijke grondslag voor gezag van gewijsde. Bovendien gaat het volgens de A-G de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten te voorzien in gezag van gewijsde voor beslissingen van de belastingrechter opdat, zoals belanghebbende voorstaat, de beslissing bindend is in een geding tussen dezelfde partijen over een andere belastingaanslag. De A-G ontkent niet dat gezag van gewijsde gerechtvaardigde belangen zou dienen, maar het valt evenmin te ontkennen dat nadelen zijn verbonden aan aanvaarding van gezag van gewijsde in belastingzaken. Tot deze nadelen behoort dat gezag van gewijsde ten koste kan gaan van de rechtsbescherming. Daartoe behoort ook dat het leidt tot meer complexiteit in het belastingprocesrecht. Gelet op zowel de te maken afwegingen als de afbakeningsvragen waarmee inbedding van gezag van gewijsde in het belastingprocesrecht gepaard zou gaan, acht de A-G het niet aan de rechter om gezag van gewijsde te aanvaarden in het belastingprocesrecht.
Daarom faalt het eerste onderdeel van de klachten, dat zich richt tegen het oordeel van hof Den Bosch dat het niet is gebonden aan het oordeel van hof Den Haag. Hetzelfde geldt voor het tweede onderdeel, dat zich keert tegen het oordeel van hof Den Bosch dat de heffingsambtenaar niet is gebonden daaraan op grond van diverse rechtsbeginselen. Dit geldt ook voor het derde onderdeel, dat opkomt tegen het oordeel van hof Den Bosch over de uitleg van de overeenkomsten en algemene voorwaarden. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.