Terechte naheffingsaanslag accijns wegens (betrokkenheid bij) voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten
Terechte naheffingsaanslag accijns wegens (betrokkenheid bij) voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten
Gegevens
- Nummer
- 2025/1231
- Publicatiedatum
- 7 augustus 2025
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Accijnzen
- Relevante informatie
Op 10 april 2019 heeft de politie een controle uitgevoerd bij een kelderbox. Belanghebbende is ten tijde van deze controle tezamen met een andere persoon aangetroffen in de nabijheid van deze kelderbox. In deze kelderbox heeft de politie 550.000 sigaretten aangetroffen. Voorts heeft de politie 5.253 gram rooktabak aangetroffen. Op de sigarettenpakjes en de tabak waren geen accijnszegels aangebracht als vereist ingevolge art. 73 lid 1 van de Wet op de accijns (WA). Bij de controle heeft de politie de sleutels van de kelderbox en de sleutel van de centrale hal die toegang geeft tot de kelderboxen in het bezit van belanghebbende aangetroffen. Belanghebbende en de medeverdachte zijn op 11 april 2019 door de politie verhoord. Van de verhoren zijn processen-verbaal van verhoor opgemaakt. Verder maken processen-verbaal van de verbalisanten en een aantal getuigen onderdeel uit van het dossier. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag accijns van € 105.776 opgelegd waarbij belanghebbende voor de accijns werd aangesproken wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet in de accijnsheffing zijn betrokken. In hoger beroep is onder meer in geschil of de naheffingsaanslag en de gelijktijdig afgegeven beschikking belastingrente terecht zijn opgelegd. Het hof stelt na een schets van het wettelijk kader voorop dat naast de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, ook de persoon die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt en dat niet is vereist dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat het gestelde belastbare feit, in dit geval het voorhanden hebben dan wel het betrokken zijn bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen, zich heeft voorgedaan. Het hof oordeelt dat gelet op de feiten en omstandigheden, met name de verklaringen van de verbalisanten, de medeverdachte en de getuigen die voor belangrijke delen met elkaar overeen komen, de inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan. Belanghebbende heeft de onveraccijnsde sigaretten voorhanden gehad dan wel was bij het voorhanden hebben daarvan betrokken.
(Hoger beroep ongegrond.)