Parkeerterrein met klinkerbestrating en afwateringsputten vormt onbebouwde grond

Parkeerterrein met klinkerbestrating en afwateringsputten vormt onbebouwde grond

Gegevens

Nummer
2025/1305
Publicatiedatum
22 augustus 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:822
Rubriek
Omzetbelasting
Relevante informatie

Deze zaak gaat over zes kavels die zijn voortgekomen uit de splitsing van een perceel. Deze zes kavels (met nummers 6 t/m 11) zijn gelegen op het deel van dat voormalige perceel dat grotendeels bedekt is met een parkeerterrein bestaande uit klinkerbestrating. De kavels zijn in ongewijzigde staat geleverd aan particuliere kopers. Op een aantal kavels zijn afwateringsputten gelegen en op een enkel kavel staat ook een lantaarnpaal.

Het geschil is beperkt tot de vraag of de kavels onbebouwde grond vormen in de zin van art. 11 lid 6 Wet OB 1968. Indien dat het geval is, is niet in geschil dat de kavels bouwterreinen zijn in de zin van die bepaling. Dat heeft dan tot gevolg dat de leveringen van die kavels niet onder de vrijstelling van art. 11 lid 1 letter a sub 1 Wet OB 1968 vallen. Belanghebbende bepleit dat de op de kavels aanwezige bouwwerken een ‘gebouw’ in de zin van art. 11 lid 5 letter a Wet OB 1968 zijn, waardoor sprake is van bebouwde grond en dus niet van een bouwterrein. De inspecteur en de staatssecretaris bepleiten het tegendeel.

Hof Arnhem-Leeuwarden (2 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4430) heeft geoordeeld dat de kavels niet bebouwd zijn. Het hof stelt voorop dat de kavels afzonderlijke onroerende zaken zijn die afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Vervolgens oordeelt het dat de klinkerbestrating geen ‘gebouw’ in de zin van art. 11 lid 5 letter a Wet OB 1968 is. De klinkers zijn namelijk volgens het hof niet op enigerlei wijze verbonden met de grond, maar liggen in een onderling verband los op het zandbed. Omdat geen sprake is van enige verbinding met de grond, is de klinkerbestrating ook niet aan te merken als een als gebouw aan te merken weg. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de afwateringsputten en lantaarnpaal die op een deel van de kavels staan dienstbaar zijn aan de niet als gebouw aan te merken bestrating.

Wel heeft het hof het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel gehonoreerd. Het heeft geoordeeld dat de op kavel 8 aanwezige lantaarnpaal en afvoerput voldoende zijn om de klinkerbestrating op dat kavel op basis van par. 3.2.1 van het Vastgoedbesluit 2023 (Besluit van 12 december 2023, nr. 2023-26908, Stcrt. 2023, 31602, NTFR 2024/657) aan te merken als gebouw.

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt één middel voor, dat uiteenvalt in vier klachten.

De eerste klacht houdt ten eerste in dat het hof het arrest HvJ EU 16 januari 2003, zaak C-315/00 (Maierhofer), ECLI:EU:C:2003:23, NTFR 2003/177, heeft miskend door de verbondenheid van de klinkerbestrating met de grond niet te toetsen aan de maatstaf ‘gemakkelijk te demonteren of verplaatsen’. De eerste klacht houdt ten tweede in dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de wetsgeschiedenis, waaruit volgens belanghebbende blijkt dat met klinkerbestrating vergelijkbare constructies zoals straten, wegen en pleinen als ‘gebouw’ in de zin van de Wet OB 1968 moeten worden aangemerkt. De tweede klacht houdt in dat in het ten onrechte niet door het hof toegepaste Vastgoedbesluit 2013 (Besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, Stcrt. 2013, 26851, NTFR 2013/2010) straten, wegen, pleinen, atletiekbanen en kunstgrasvelden als ‘gebouw’ zijn aangemerkt. Volgens belanghebbende is de onderhavige klinkerbestrating met die voorbeelden vergelijkbaar en mocht zij erop vertrouwen dat deze bestrating ook een gebouw vormt. De derde klacht houdt in dat het hof ten onrechte bij toepassing van het beleid (ook bij toepassing van het Vastgoedbesluit 2023) niet het totale terrein waarvan de kavels deel uitmaken als geheel in aanmerking neemt. Volgens de vierde klacht is de uitspraak van het hof ontoereikend gemotiveerd, nu het bij de toetsing of sprake is van een bouwwerk alleen heeft getoetst aan het criterium ‘vast met de grond verbonden’ en het Vastgoedbesluit 2023.

Ik kom tot de conclusie dat alle klachten falen. Inzake de eerste klacht kom ik tot de conclusie dat het hof weliswaar niet expliciet de Maierhofer-maatstaf heeft toegepast, maar in zijn oordeel dat de klinkers in het geheel niet verbonden zijn met de grond omdat zij los op een zandbed liggen, besloten ligt dat deze gemakkelijk te demonteren of verplaatsen zijn. Het oordeel doet in ieder geval voldoende recht aan (de strekking van) deze maatstaf. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook gaat de eerste klacht uit van een verkeerd begrip van de wetsgeschiedenis. De voorbeelden in de wetsgeschiedenis geven aan wat een ‘bouwwerk’ kan zijn, niet wat een (vast met de grond verbonden) ‘gebouw’ is.

De tweede klacht faalt eveneens. De betreffende passage uit het Vastgoedbesluit 2013 vormt wetsinterpreterend beleid dat voor meerderlei uitleg vatbaar is. Een uitleg in overeenstemming met de wet – die de voorkeur verdient – leidt ertoe dat de in het Vastgoedbesluit 2013 genoemde voorbeelden slechts als ‘gebouw’ kunnen worden aangemerkt voor zover zij vast met de grond zijn verbonden. Aangezien dat niet het geval is, kon belanghebbende aan het Vastgoedbesluit 2013 niet het vertrouwen ontlenen dat het onderhavige parkeerterrein met klinkerbestrating zonder meer als ‘gebouw’ zou worden aangemerkt.

De derde klacht faalt omdat de kavels juridisch te onderscheiden zijn en afzonderlijk kunnen worden gebruikt. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat er geen reden is de kavels niet afzonderlijk te beoordelen.

De vierde klacht faalt zover deze aanvoert dat de uitspraak van het hof ontoereikend is gemotiveerd omdat het bij de toetsing of sprake is van een bouwwerk alleen heeft getoetst aan het criterium ‘vast met de grond verbonden’. Het heeft het oordeel dat de klinkers in het geheel niet verbonden zijn met de grond voldoende onderbouwd met de omstandigheid dat de klinkers los op een zandbed liggen. Voor zover deze klacht opkomt tegen het oordeel dat het hof onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het beroep van belanghebbende op het Vastgoedbesluit 2013 wordt deze wel terecht voorgesteld. Tot cassatie kan dat echter niet leiden. Immers, het door belanghebbende gestelde vertrouwen wordt niet door het Vastgoedbesluit 2013 opgewekt (zie de beoordeling van de tweede klacht).

De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.