Zelfde bewijsmaatstaf voor mensen met verstandelijke beperking is geen (indirecte) discriminatie

Zelfde bewijsmaatstaf voor mensen met verstandelijke beperking is geen (indirecte) discriminatie

Gegevens

Nummer
2026/62
Publicatiedatum
14 januari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2594
Rubriek
Inkomstenbelasting diversen
Relevante informatie

Belanghebbende, een persoon met een licht verstandelijke beperking, doet in zijn aangifte IB 2020 een beroep op aftrek van specifieke zorgkosten, waaronder uitgaven voor vervoer, extra kleding en beddengoed, en reiskosten voor ziekenbezoek. In eerdere jaren is bij wijze van compromis met de inspecteur afgesproken dat belanghebbende vanaf 2019 alle zorgkosten aannemelijk zal maken, eventueel met hulp van zijn gemachtigde. De inspecteur accepteert in 2020 slechts een deel van de opgevoerde kosten wegens onvoldoende bewijs. Belanghebbende voert aan dat zijn beperking het lastig maakt om afdoende bewijs te leveren en stelt dat de bewijsmaatstaf indirect discriminerend is en in strijd met het VN-gehandicaptenverdrag.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van € 2.909 aan specifieke zorgkosten en of de gehanteerde bewijsmaatstaf leidt tot (indirecte) discriminatie of schending van het VN-gehandicaptenverdrag.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast voor de opgevoerde zorgkosten. De enkele verklaring dat de kosten zijn gemaakt is onvoldoende bewijs. Belanghebbende stelt dat sprake is van discriminatie. De brieven van de inspecteur zijn voor iemand met een verstandelijke beperking onbegrijpelijk waardoor die mensen worden achtergesteld. Het hof gaat daar niet in mee. Voor de verschillende posten geldt de maatstaf van ‘aannemelijk maken’ of, voor extra kleding en beddengoed boven € 600, de verzwaarde maatstaf van ‘doen blijken’. Het hof overweegt dat deze bewijsmaatstaven voor alle belastingplichtigen gelden en dat niet is gebleken dat bij andere belastingplichtigen met een verstandelijke beperking hiervan wordt afgeweken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt in zoverre. Belanghebbende stelt voorts dat sprake is van indirecte discriminatie omdat dezelfde bewijsmaatstaven worden gebruikt voor mensen met een verstandelijke beperking als voor de overige belastingplichtigen. Ook deze stelling wordt door het hof verworpen. De bewijsmaatstaven zijn geen objectieve standaarden en bieden ruimte om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden, zoals een verstandelijke beperking. Belanghebbende heeft echter geen aanvullend bewijs geleverd dat, gelet op zijn beperking, van hem verwacht mocht worden. Het hof ziet daarom geen sprake van (indirecte) discriminatie of schending van het VN-gehandicaptenverdrag of art. 26 IVBPR.

(Hoger beroep ongegrond.)