Reiskostenvergoedingen belast omdat goedkeuring niet geldt voor na lockdown toegekende vergoedingen (art. 81.1 Wet RO)

Reiskostenvergoedingen belast omdat goedkeuring niet geldt voor na lockdown toegekende vergoedingen (art. 81.1 Wet RO)

Gegevens

Nummer
2026/111
Publicatiedatum
23 januari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:82
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende is een gemeente en de werknemers hebben recht op een Individueel Keuze Budget (IKB). Het is een bedrag per maand dat de werknemer kan besteden voor bepaalde doelen zoals het kopen van bovenwettelijke vakantie-uren of de uitruil van reiskosten. Vanaf 12 maart 2020 gaat Nederland in lockdown. In 2020 hebben zes werknemers via het IKB een vaste reiskostenvergoeding uitgeruild. Twee werknemers hebben vóór 13 maart 2020 een vinkje in het systeem gezet om een (aanvullende) reiskostenvergoeding uit te ruilen. Voor dit bedrag (€ 4.073,44) heeft belanghebbende een gerichte vrijstelling toegepast. Het restant heeft belanghebbende ten laste van de vrije ruimte gebracht. Belanghebbende heeft een bedrag van € 4.376 afgedragen (80% van € 5.470,62) in verband met overschrijding van de vrije ruimte van het jaar 2020 (eindheffing). Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en de inspecteur is daaraan gedeeltelijk tegemoetgekomen. Partijen houdt verdeeld of de goedkeuring die is vervat in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis, meebrengt dat ook de reiskostenvergoedingen zijn vrijgesteld voor zover daarvoor het IKB is aangewend en de keuze daarvoor is gemaakt na 12 maart 2020. Uit art. 31a Wet LB maakt hof Amsterdam (23 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1710, NTFR 2024/1174) op dat een gerichte vrijstelling geldt voor een vaste reiskostenvergoeding die aan een werknemer wordt gegeven en die wordt berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, mits de werknemer op ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar die vaste plaats van werkzaamheden reist. Vaststaat dat de reiskostenvergoedingen zijn betaald aan werknemers van belanghebbende die niet op ten minste 128 dagen van het kalenderjaar 2020 naar het werk zijn gereisd. Aldus bestaat, zoals de rechtbank terecht overweegt, wettelijk gezien geen recht op de gerichte vrijstelling. Het hof is van oordeel dat de goedkeuring uit het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020 ziet op het ongewijzigd door laten lopen van vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 toegekend waren en dat belanghebbende op grond van het besluit niet redelijkerwijs kon menen dat ná 12 maart 2020 toegekende vaste reiskostenvergoedingen ook onder de goedkeuring vielen. Belanghebbende kon derhalve aan de goedkeuring geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. In enkele daaropvolgende besluiten worden de voorwaarden voor deze goedkeuring herhaald. Voor zover belanghebbende stelt dat zij aan enkele openbaar gemaakte documenten vertrouwen heeft kunnen ontlenen slaagt dit betoog ook niet. De omstandigheid dat een werknemer vóór 13 maart 2020 – zoals belanghebbende stelt – ‘een onvoorwaardelijk recht op IKB had’ maakt deze conclusie niet anders. Het hof komt voorts tot de conclusie dat er geen sprake is van het in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur handelen van de inspecteur. Een werkgever die al vóór 13 maart 2020 aan bepaalde werknemers een vaste (aanvullende) reiskostenvergoeding had toegekend, bevindt zich immers niet in een vergelijkbare situatie als een werkgever die op 12 maart 2020 aan eenzelfde groep werknemers geen vaste (aanvullende) reiskostenvergoeding had toegekend en dat eerst na 12 maart 2020 doet. Gelet op het voorgaande kan belanghebbende zich voor de in geschil zijnde bedragen niet beroepen op de goedkeuring uit het Besluit noodmaatregelen coronacrisis en dient de verschuldigde afdracht eindheffing in stand te blijven.

De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81.1 Wet RO.