A-G Pauwels: cassatieberoep is tijdig nu CRvB-uitspraak niet aan raadsman is verzonden
A-G Pauwels: cassatieberoep is tijdig nu CRvB-uitspraak niet aan raadsman is verzonden
Gegevens
- Nummer
- 2026/139
- Publicatiedatum
- 30 januari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
Bij besluit heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voorlopig vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toepassing vindt op belanghebbende in de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017. Belanghebbende heeft zich in beroep – en thans ook in cassatie – laten vertegenwoordigen door een raadsman. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De SVB heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
De CRvB (18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1489) heeft de kennisgeving van het hoger beroep alleen aan belanghebbende zelf verzonden. Voor het geval dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen, staat in de kennisgeving dat hij de naam en adresgegevens van zijn gemachtigde moet doorgeven. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd. Daardoor is de raadsman niet betrokken in het hoger beroep. Ook belanghebbende zelf heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen ter zitting. De CRvB heeft het hoger beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende stelt twee middelen voor. Middel 1 richt zich tegen het procesverloop bij de CRvB. Het betoogt in de kern dat zowel de SVB als de CRvB wettelijke bepalingen, grondrechtelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen heeft geschonden door de raadsman niet in kennis te stellen van het hoger beroep. Middel 2 keert zich tegen het oordeel van de CRvB dat de SVB terecht de Nederlandse wetgeving van toepassing heeft geacht op belanghebbende.
Voordat A-G Pauwels toekomt aan de behandeling van de middelen, gaat de A-G in op de vraag of beroep in cassatie tijdig is ingesteld. In verband daarmee is de vraag gerezen of de uitspraak van de CRvB wel op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, nu zij niet is verzonden aan de raadsman. Voor het antwoord op die vraag gaat de A-G te rade bij de regeling van art. 6:17 Awb en haar totstandkoming, bij de rechtspraak van de Hoge Raad over verstrekking van een afschrift van de uitspraak aan de gemachtigde, bij de praktijk van verzending van de kennisgeving in belastingzaken waarin het bestuursorgaan het rechtsmiddel instelt, en bij de betekening van appelexploten in dagvaardingszaken. In zijn beschouwing neemt de A-G tot uitgangspunt dat art. 6:17 pas toepasselijk is als het aan de rechter duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. Dit leidt tot een catch 22 als het bestuursorgaan hoger beroep instelt: ook dan moet de vertegenwoordiging duidelijk zijn aan de rechter maar zij is hem niet eerder duidelijk dan nadat de belanghebbende reageert op de kennisgeving, terwijl dezelfde kennisgeving zou vallen onder art. 6:17 Awb als het van toepassing is.
De A-G onderscheidt drie mogelijke handelwijzen: (i) de kennisgeving (ook) aan de gemachtigde verzenden, (ii) haar aan de belanghebbende en een afschrift aan de gemachtigde versturen en (iii) haar alleen aan de belanghebbende toezenden. In het geval van de derde handelwijze, die is gehanteerd in deze zaak, bepleit de A-G – ter doorbreking van een mogelijke catch 22 – dat de appelrechter moet onderzoeken of de belanghebbende in appel zich laat vertegenwoordigen door de gemachtigde in beroep wanneer, zoals hier, hij niet reageert op de appelkennisgeving en evenmin verweer voert.
Aangezien de CRvB dit onderzoek heeft verzuimd, is niet vast te stellen of de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt met de verzending aan alleen belanghebbende. Daarom komt de A-G tot de slotsom dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld. Hij komt tot dezelfde slotsom voor het geval dat de CRvB dat onderzoek niet heeft hoeven te verrichten. Voor dat geval meen de A-G dat gelet op diverse omstandigheden het voor de CRvB duidelijk moest zijn dat de belanghebbende zich (ook) in hoger beroep laten vertegenwoordigen door de raadsman. Dan is de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. En voor het geval dat de uitspraak wel op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, acht de A-G de alsdan plaatsgehad hebbende termijnoverschrijding verschoonbaar, gelet op het geringe verwijt dat belanghebbende kan worden gemaakt. Dit een en ander brengt hem bij beide middelen.
Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Het klaagt over schending van wettelijke bepalingen, grondrechtelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen die vallen buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad ter beoordeling van uitspraken van de CRvB. Deze beperkte bevoegdheid kan bovendien niet worden doorbroken. Aangezien het stelsel waartoe een bepaling als art. 53 lid 1 AOW behoort, in beginsel geen beroep in cassatie biedt tegen CRvB-uitspraken, kan zo’n bepaling beroep in cassatie daartegen niet verbieden. Eenzelfde bepaling is dus niet op te vatten als een cassatieverbod. Zelfs als zo’n bepaling wel zou zijn op te vatten als zodanig, dan nog is het cassatieverbod niet vatbaar voor doorbreking. De wetgever heeft namelijk voorgestaan dat doorbreking niet mogelijk is. En doorbreking is niet te verenigen met de strekking van een bepaling als art. 53 lid 1 AOW want zo’n bepaling strekt uitsluitend ertoe de rechtseenheid te waarborgen bij de uitleg van bepaalde begrippen, aldus de A-G.
Middel 2 is terecht voorgesteld. Naar het oordeel van de CRvB heeft de SVB terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse wetgeving van toepassing geacht op belanghebbende. Dit vermoeden is dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland omdat hij woont in Nederland en hij werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. Gelet op het arrest Hakamp van het HvJ, betoogt middel 2 terecht dat geen rekening mag worden gehouden met deze omstandigheden bij de toepassing van art. 14 lid 8 Toepassingsverordening. Ervan uitgaande dat de uitspraak van de CRvB aldus is te verstaan dat de CRvB dat vermoeden onderschrijft, meent de A-G dat middel 2 tot cassatie leidt en terugwijzing moet volgen.
Het beroep in cassatie is dus gegrond.