Uitkeringen uit stamrecht en pensioenregeling: loon voor de inkomstenbelasting

Uitkeringen uit stamrecht en pensioenregeling: loon voor de inkomstenbelasting

Gegevens

Nummer
2026/158
Publicatiedatum
3 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:8436
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende woont sinds 2002 in België en houdt alle aandelen in een in Nederland gevestigde A bv. Deze bv heeft jegens belanghebbende verplichtingen uit een pensioenregeling en een loonstamrecht. In 2001 heeft belanghebbende bij zijn ontslag bij het pensioenfonds waar hij werkzaam was een ontslagvergoeding ontvangen, die rechtstreeks aan A bv is overgemaakt en toegevoegd aan de stamrechtverplichting. Daarnaast heeft belanghebbende in de relevante jaren uitkeringen ontvangen van zowel A bv als van Achmea, waar zijn pensioen was ondergebracht.

In geschil is of de uitkeringen van A bv en Achmea tot het loon behoren.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de uitkeringen van A bv voortvloeien uit een bruto toegekende ontslagvergoeding, die als stamrecht is ondergebracht. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangedragen waaruit blijkt dat de ontslagvergoeding netto is uitgekeerd. De verklaringen van de voormalige controller en adviseur bieden daarvoor onvoldoende steun. Het hof acht aannemelijk dat de ontslagvergoeding bruto is overgemaakt aan A bv, mede gezien de hoogte van de stamrechtvoorziening en de gebruikelijke toepassing van de stamrechtvrijstelling in 2001. Daarom behoren de uitkeringen tot het loon.

Ten aanzien van de uitkeringen van Achmea overweegt het hof dat, ook als de pensioenregeling onzuiver zou zijn, de uitkeringen op grond van art. 10 lid 4 Wet LB tot het loon behoren. Nu de eerder opgelegde conserverende aanslag is vernietigd, is de aanspraak uiteindelijk niet tot het loon gerekend, zodat de uitkeringen alsnog belast zijn. Het hof verwerpt het beroep op het rechtszekerheids- en eigendomsrecht, omdat de wetgever met de invoering van art. 10 lid 4 Wet LB geen terugwerkende kracht heeft toegepast en belastingplichtigen geen gerechtvaardigde verwachting konden hebben dat de uitkeringen belastingvrij zouden blijven. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last.

(Hoger beroep ongegrond.)