Geen van schending van het protocol AAFD noch het evenredigheidsbeginsel

Geen van schending van het protocol AAFD noch het evenredigheidsbeginsel

Gegevens

Nummer
2026/163
Publicatiedatum
3 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:26425
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende treedt in de jaren 2009 tot en met halverwege 2014 als penningmeester en kerkrentmeester op voor drie kerkelijke organisaties. Hij verzorgt daarvoor onder meer de jaarrekeningen, doet betalingen en beheert meerdere bankrekeningen. Hij wordt strafrechtelijk veroordeeld wegens verduistering van in totaal € 1.883.000 in de periode 2010-2014 en moet schadevergoeding betalen aan de benadeelde organisaties; het cassatieberoep tegen die veroordeling wordt niet‑ontvankelijk verklaard. Over 2010 en 2012‑2014 worden aanslagen IB/PVV opgelegd, deels ambtshalve, waarna belanghebbende alsnog aangiften indient en de inspecteur enkele aanslagen vermindert en een verlies uit 2013 verrekent met 2010. Vervolgens legt de inspecteur navorderingsaanslagen 2010 en 2012‑2014 op, stelt het verlies 2013 op nihil en neemt de eerdere verliesverrekening terug. Partijen zijn het erover eens dat het verduisterde bedrag juist is en dat dit als resultaat uit overige werkzaamheden kwalificeert.

In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2010 en 2012‑2014 terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende beroept zich eerst op het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (protocol AAFD) en stelt dat dit beleid inhoudt dat Belastingdienst en OM vooraf moeten afstemmen of wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen, via schadevergoeding wordt terugbetaald of in de belastingheffing wordt betrokken, zodat belastingheffing achterwege moet blijven nu een onvoorwaardelijke schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en afstemming volgens hem ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat het protocol AAFD uitsluitend afstemming voorschrijft bij een voorgenomen ontnemingsmaatregel op grond van art. 36e Sr en dat uit de stukken blijkt dat dergelijke afstemming met de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel op grond van art. 36f Sr geldt geen afstemmingsplicht; de inspecteur heeft met navraag bij het OM naar feitelijke betalingen aan schadevergoeding voldoende gedaan, zodat geen schending van het protocol AAFD aanwezig is.

Vervolgens stelt belanghebbende dat hij in de jaren 2012‑2014 een voorziening mag vormen voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank verwijst naar art. 3.14 lid 3 (2012) en lid 4 (2013 en 2014), Wet IB 2001 en naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011 over de (on)mogelijkheid om voor ontnemingsmaatregelen een voorziening te vormen. Die rechtspraak geldt volgens de rechtbank ook voor de betaling van schadevergoeding als bedoeld in art. 3.14 lid 3 en 4 onderdeel b Wet IB 2001, zodat een last pas ten laste van het inkomen komt in het jaar waarin daadwerkelijk wordt betaald; aangezien belanghebbende nog niets heeft betaald, kan hij geen voorziening vormen. De aangevoerde wetsgeschiedenis, de brief van de staatssecretaris van 10 februari 2011, het Baksteenarrest en literatuur wijzigen dit oordeel niet; het arrest van 23 september 2011 is een specifieke uitzondering op het Baksteenarrest en bovendien is ook niet aannemelijk dat aan het zekerheidsvereiste is voldaan.

Ten slotte doet belanghebbende een beroep op het evenredigheidsbeginsel en voert hij aan dat de cumulatie van ontneming/schadevergoeding en belastingheffing tot onevenredige financiële gevolgen leidt, mede door beperkte verliesverrekening en zijn lage inkomen. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur op grond van art. 16 AWR een gebonden bevoegdheid heeft om na te vorderen en dat art. 120 Grondwet verhindert dat Wet IB 2001 wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen als evenredigheid, behoudens zeer uitzonderlijke, niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden. Het beginsel van fiscale neutraliteit verlangt dat ook wederrechtelijk verkregen voordelen worden belast en art. 3.14 lid 3 en 4 Wet IB 2001 biedt reeds compensatie door aftrek toe te staan in het jaar van betaling van schadevergoeding; eventuele betalingsproblemen moeten met de ontvanger worden opgelost. De beperking van de termijn voor verliesverrekening berust op een bewuste keuze van de wetgever en valt binnen diens ruime beoordelingsmarge. De rechtbank acht geen niet‑verdisconteerde bijzondere omstandigheden aanwezig, zodat evenmin sprake is van détournement de pouvoir als bedoeld in art. 3:3 Awb; de navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en de rentebeschikkingen blijven in stand.

(Beroep ongegrond.)