Geen voorziening voor latere schadeclaim dga, zodat navordering Vpb in stand blijft
Geen voorziening voor latere schadeclaim dga, zodat navordering Vpb in stand blijft
Gegevens
- Nummer
- 2026/174
- Publicatiedatum
- 4 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende is een bv die deelnemingen houdt en deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, met de dga als directeur en 100%-aandeelhouder. De dga was tot 2013 partner bij een advocatenkantoor en is in 2019 door een derde aansprakelijk gesteld voor vermeende schade van € 1,5 miljoen wegens juridisch advies dat hij zou hebben gegeven. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 geen aangifte Vpb gedaan, waarna een primitieve aanslag is opgelegd en later een navorderingsaanslag is vastgesteld. In bezwaar en beroep stelt belanghebbende dat zij in 2017 een voorziening mocht vormen voor de aansprakelijkstelling van de dga. In geschil is of de bewijslast moet worden verzwaard en of belanghebbende een voorziening kon vormen in verband met de aansprakelijkstelling. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, ondanks uitnodiging, herinnering en aanmaning, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard op grond van art. 27e AWR. Belanghebbende moet overtuigend aantonen dat de navorderingsaanslag onjuist is en dat zij een voorziening mocht vormen. De rechtbank toetst aan de criteria uit het baksteenarrest (HR 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2555) en oordeelt dat belanghebbende niet heeft bewezen dat op de balansdatum 31 december 2017 een voorzienbare verplichting bestond. Alle overgelegde stukken over de aansprakelijkstelling dateren van na deze datum. De rechtbank acht het moment van de gestelde onrechtmatige daad (2013-2014) niet relevant voor de voorzienbaarheid op de balansdatum. Belanghebbende slaagt niet in de verzwaarde bewijslast.
(Beroep ongegrond.)