Navorderingsaanslagen wegens handel in qat en hawala-diensten: bron van inkomen aanwezig
Navorderingsaanslagen wegens handel in qat en hawala-diensten: bron van inkomen aanwezig
Gegevens
- Nummer
- 2026/211
- Publicatiedatum
- 10 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende ontvangt in de jaren 2014 tot en met 2017 samen met zijn fiscaal partner uitkeringen van de gemeente en heeft zes kinderen. In deze periode wordt hij onderwerp van een FIOD-onderzoek naar handel in qat en het verrichten van hawala-diensten (ondergronds bankieren). Tijdens een huiszoeking wordt 1,81 kg qat aangetroffen en uit tapgesprekken, getuigenverklaringen en administratie blijkt betrokkenheid bij qat-handel en het uitvoeren van geldtransfers tegen vergoeding. Belanghebbende stelt dat hij slechts als tussenpersoon voor een derde (A) optrad en geen eigen voordeel beoogde, en dat de hawala-diensten enkel voor familie werden verricht.
In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor 2014 tot en met 2017 terecht en niet te hoog zijn opgelegd, en of sprake is van een bron van inkomen uit de handel in qat en hawala-diensten.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende met de handel in qat en het verrichten van hawala-diensten heeft deelgenomen aan het economisch verkeer met het oogmerk en de verwachting van voordeel. Het hof acht de verklaringen van belanghebbende, dat hij uitsluitend voor rekening van A handelde en geen voordeel behaalde, ongeloofwaardig. De administratie, getuigenverklaringen, tapgesprekken en de aangetroffen hoeveelheid qat ondersteunen dat belanghebbende gedurende de gehele periode zelfstandig handelde. Ook de stelling dat de hawala-diensten enkel voor familie werden verricht, vindt geen steun in het dossier. Uit verklaringen blijkt dat ook niet-familieleden gebruikmaakten van deze diensten en dat een commissie werd gerekend. Het hof acht de door de inspecteur toegepaste schattingen en extrapolaties van de inkomsten uit qat-handel en hawala-diensten, gebaseerd op de administratie en verklaringen, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De contante aanschaf van landbouwmachines voor ruim € 119.000 bevestigt volgens het hof het bestaan van substantiële contante inkomsten uit deze activiteiten. Het hof verwerpt het beroep op alternatieve verklaringen voor het ontbreken van girale uitgaven voor levensonderhoud.
(Hoger beroep ongegrond).