Lucratief belang partieel buitenlands belastingplichtige niet in Nederlandse heffing betrokken

Lucratief belang partieel buitenlands belastingplichtige niet in Nederlandse heffing betrokken

Gegevens

Nummer
2026/215
Publicatiedatum
11 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3625
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende is in 2016 en 2018 inwoner van Nederland en werkt als CFO bij een Nederlandse bv. Hij participeert via een werknemersparticipatieplan in een buitenlandse holding, waarin hij een aanmerkelijk belang houdt. Deze holding bezit aandelen in een andere buitenlandse vennootschap, die voor belanghebbende een lucratief belang vormen. In beide jaren ontvangt belanghebbende aanzienlijke dividenden en in 2018 verkoopt hij zijn indirect gehouden aandelen . Voor beide jaren kiest hij voor de status van partieel buitenlandse belastingplichtige en voor toepassing van de doorstootregeling. De inspecteur belast de voordelen uit het lucratief belang als resultaat uit overige werkzaamheden, stellend dat niet aan de voorwaarden van de doorstootregeling is voldaan.

In geschil is of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van art. 3.95b lid 5 Wet IB 2001 (doorstootregeling) en of de voordelen uit het lucratief belang terecht buiten de belastingheffing blijven.

Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank (NTFR 2024/452) en hof Amsterdam(NTFR 2025/1346), dat belanghebbende aan de voorwaarden voor de doorstootregeling voldoet. Het hof stelt vast dat belanghebbende in beide jaren heeft gekozen voor partieel buitenlandse belastingplicht en dat de voordelen uit het lucratief belang voor ten minste 95% zijn doorgestoten als inkomen uit aanmerkelijk belang. Volgens het hof moet het criterium ‘inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten’ grammaticaal en wetssystematisch worden uitgelegd aan de hand van art. 4.12, 4.43 en 4.46 Wet IB 2001. Omdat belanghebbende in beide jaren dividenden ontvangt en in 2018 de aandelen vervreemdt, is sprake van het genieten van inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van de wet. Dat deze voordelen niet in de Nederlandse heffing worden betrokken wegens de combinatie van partiële buitenlandse belastingplicht en buitenlandse vestiging van de holding, doet daar volgens het hof niet aan af. Het hof wijst op de wetsgeschiedenis, waaruit blijkt dat de wetgever dit heffingsvacuüm heeft voorzien en aanvaard. De uitleg van de staatssecretaris in parlementaire beantwoording acht het hof niet doorslaggevend, omdat deze niet de bedoeling van de wetgever weergeeft.

(Hoger beroep belanghebbende gegrond. Hoger beroep inspecteur ongegrond.)