Hoge Raad komt terug van eerdere tussenbeslissing om de Staat te veroordelen in de proceskosten
Hoge Raad komt terug van eerdere tussenbeslissing om de Staat te veroordelen in de proceskosten
Gegevens
- Nummer
- 2026/231
- Publicatiedatum
- 13 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
In deze WOZ-zaak heeft de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade (VIS) van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, € 417 te vergoeden door de heffingsambtenaar en € 83 door de Staat. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben daartegen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. De Staat heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de rechtbankuitspraak. Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:3339) heeft de VIS gematigd tot € 50, € 42 te vergoeden door de heffingsambtenaar en € 8 door de Staat.
Bij tussenuitspraak van 12 december 2025, , heeft de Hoge Raad beslist dat de hofuitspraak niet in stand kan blijven, en dat de beslissing van de rechtbank wat betreft de VIS wordt bevestigd. Het college van B&W en de Staat zijn daarbij ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.
In onderhavige einduitspraak komt de Hoge Raad terug van zijn tussenbeslissing om ook de Staat te veroordelen in de proceskosten van het incidentele hoger beroep. De Staat was geen partij in de hofprocedure, zodat hij niet in de kosten van het incidentele hoger beroep kan worden veroordeeld.
Verder overweegt de Hoge Raad dat het hof met de verlaging van de door de Staat te vergoeden VIS van € 83 naar € 8, buiten de rechtsstrijd is getreden, omdat de Staat geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De beslissing dat de Staat € 83 aan VIS moet vergoeden, is daardoor onherroepelijk geworden.
De Hoge Raad had in zijn tussenuitspraak van 12 december 2025 de zaak aangehouden om belanghebbende de gelegenheid te bieden om te bewijzen dat hij ‘een bijzonder geval’ is en daarmee voor de kosten van de cassatieprocedure buiten het bereik van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm valt. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt, zodat voor de proceskostenvergoeding de vermenigvuldigingsfactor 0,1 wordt toegepast.