A-G Koopman: economisch eigenaar van ab-aandelen geniet pas regulier voordeel zodra hij dividend krijgt ‘dooruitgedeeld’
A-G Koopman: economisch eigenaar van ab-aandelen geniet pas regulier voordeel zodra hij dividend krijgt ‘dooruitgedeeld’
Gegevens
- Nummer
- 2026/240
- Publicatiedatum
- 13 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
- Relevante informatie
Deze conclusie hangt samen met de conclusie die A-G Koopman vandaag neemt in de zaak met nummer 25/02670. Die zaak gaat over dezelfde belanghebbende. Alleen betreft die zaak de belastingjaren 2008 en 2010, terwijl de zaak waarover deze conclusie gaat het belastingjaar 2011 betreft.
De feiten in beide zaken zijn grotendeels hetzelfde. Ook in deze zaak verwijt de inspecteur belanghebbende – kort gezegd – dat hij via buitenlandse rechtspersonen dividenden van de Nederlandse vennootschap [A] bv heeft ‘omgekat’ naar leningen van de buitenlandse rechtspersonen. Net als in de andere zaak is hier in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als direct aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) van [A] bv. Voor een bespreking van dit geschilpunt en de daaraan verbonden rechtsvragen verwijst de A-G naar de conclusie in die andere zaak.
Daarnaast is in deze zaak aan de orde of de verlengde navorderingstermijn, bedoeld in art. 16(4) AWR van toepassing is. De dividenden in deze zaak zijn afkomstig van een Nederlandse vennootschap en uiteindelijk aan belanghebbende uitbetaald op zijn Nederlandse bankrekening. Evenals hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3685, meent A-G Koopman dat het voordeel in het buitenland is opgekomen in de zin van genoemde wetsbepaling. Immers als, zoals in dit geval, voorafgaand aan het genietingsmoment de aard van een voordeel door buitenlandse transacties aan het zicht van de fiscus wordt onttrokken, is art. 16(4) AWR naar zijn strekking toepasbaar.
In deze zaak komt ook aan de orde de vraag op welk moment een economisch eigenaar van ab-aandelen een regulier voordeel geniet: is dat reeds het moment waarop de tussenliggende juridische eigenaar het dividend geniet, of pas het moment waarop de economisch eigenaar het dividend krijgt ‘dooruitgedeeld’? A-G Koopman meent dat dit latere moment bepalend is voor het in art. 4.43(1) Wet IB 2001 bedoelde genietingstijdstip. Deze vraag speelt ook bij certificering van aandelen.
A-G Koopman komt tot de conclusie dat de middelen falen en dat het cassatieberoep ongegrond is.