A-G Koopman: direct aanmerkelijk belang wordt gehouden door degene die volledig economisch belang houdt bij onderliggende aandelen
A-G Koopman: direct aanmerkelijk belang wordt gehouden door degene die volledig economisch belang houdt bij onderliggende aandelen
Gegevens
- Nummer
- 2026/241
- Publicatiedatum
- 13 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
- Relevante informatie
Deze conclusie hangt samen met de conclusie die A-G Koopman vandaag neemt in de zaak met nummer 25/02676. Die zaak gaat over dezelfde belanghebbende. Alleen betreft die zaak het belastingjaar 2011, terwijl de zaak waarover deze conclusie gaat de belastingjaren 2008 en 2010 betreft.
Na het bekend worden van de zogenoemde Panama-papers is belanghebbende betrokken geraakt in een strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek richtte zich op financieel adviseurs en hun klanten die ervan werden verdacht juridische constructies te hebben opgezet om via buitenlandse rechtspersonen dividenden ‘om te katten’ naar leningen en/of giften bestemd voor natuurlijke personen.
Belanghebbende was tot begin januari 2007 directeur en enig aandeelhouder van [A] bv. Toen heeft hij de aandelen in deze vennootschap verkocht aan een buitenlandse rechtspersoon. In 2008 heeft [A] bv tweemaal € 175.000 dividend uitgekeerd. Binnen een maand na deze uitkeringen heeft belanghebbende in Luxemburg € 160.000 en € 174.000 in contanten opgenomen van bankrekeningen ten name van buitenlandse lichamen. In 2010 heeft [A] bv € 450.000 aan dividend uitgekeerd en drie weken laten werd € 449.000 overgemaakt op de privérekening van belanghebbende door een buitenlands lichaam, met als omschrijving ‘Transfer […]’. De inspecteur heeft deze in 2008 en 2010 aan belanghebbende toegekomen bedragen aangemerkt als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (ab). Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3676, is de inspecteur hierin gevolgd.
Het cassatieberoep van belanghebbende doet de vraag rijzen of en, zo ja onder welke omstandigheden, iemand die niet formeel juridisch aandeelhouder is van een vennootschap, toch kan gelden als aandeelhouder in de zin van art. 4.6(a) Wet IB 2001. A-G Koopman betoogt dat een direct ab wordt gehouden door degene die het volledige economische belang bij de onderliggende aandelen houdt. Daardoor komt betekenis te ontvallen aan kwalificaties als stroman, bewaarder en tussenpersoon. De A-G meent dat het dus ook geen zin heeft om een onderscheid te maken tussen een ‘stroman-benadering’ en een ‘economisch belang-benadering’. Dat onderscheid zorgt voor een onnodige tussenstap in de redenering. Verder meent hij dat de Hoge Raad kennelijk afstand heeft genomen van zijn arresten van 17 maart 1999 en 30 juni 1999, waarin belang werd toegekend aan de juridische zeggenschap.
Middel I heeft naar oordeel van de A-G geen zelfstandige betekenis naast middel II. Middel II berust onder meer op de stelling dat het hof heeft verzuimd iets te zeggen over de juridische zeggenschap bij de aandelen die tot het ab van belanghebbende worden gerekend. Die stelling faalt volgens A-G Koopman. Die juridische zeggenschap doet er niet toe. Ook de klacht tegen het oordeel van het hof dat belanghebbende nog immer feitelijk economisch gerechtigd is tot de aandelen [A] bv faalt volgens hem. A-G Koopman is het met belanghebbende eens dat een uiteindelijk belanghebbende (UBO) van een rechtspersoon niet per definitie ook kan worden aangemerkt als houder van een ab in die rechtspersoon. Een UBO heeft namelijk niet per definitie het volledige economische belang bij een aandelenpakket. Maar het hof heeft ook andere omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag gelegd en het UBO-schap kan wel meewegen bij de beoordeling van de economische gerechtigdheid tot aandelen.
A-G Koopman concludeert daarom tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.