Amsterdamse vermakelijkhedenretributie voor aanbieders van stadstours met ‘hop-on hop-off’-bussen niet strijdig met meerderheidsregel
Amsterdamse vermakelijkhedenretributie voor aanbieders van stadstours met ‘hop-on hop-off’-bussen niet strijdig met meerderheidsregel
Gegevens
- Nummer
- 2026/242
- Publicatiedatum
- 13 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Deze procedure gaat over wat belanghebbende de ‘rode bussenbelasting’ noemt. Het is de vermakelijkhedenretributie te land van de gemeente Amsterdam. Deze retributie werd in de praktijk alleen geheven van belanghebbende en twee andere aanbieders van stadstours in rode ‘hop-on hop-off’-bussen. In 2019 moesten zij € 0,66 per passagier per rit op aangifte voldoen. Belanghebbende heeft zich tegen deze retributie verzet omdat zij meent dat andere ondernemers die met touringcars door de stad rijden en daarbij aan de inzittenden de bezienswaardigheden tonen, ten onrechte buiten de heffing worden gelaten. Volgens belanghebbende is de verordening onverbindend omdat deze strijdig is met algemene rechtsbeginselen en is bij de uitvoering ervan het gelijkheidsbeginsel geschonden. De feitenrechters hebben belanghebbende in het ongelijk gesteld.
In deze conclusie sluit A-G Koopman zich bij die beslissing aan. In hoofdstuk 4 van de conclusie geeft hij de inhoud van de Verordening op de vermakelijkhedenretributie te land 2018 weer. In hoofdstuk 5 gaat de A-G in op het gelijkheidsbeginsel. Hij bespreekt daarbij in het bijzonder de zogenoemde meerderheidsregel. In hoofdstuk 6 volgt een bespreking van de middelen. Daarbij gaat de A-G eerst in op het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende bepleit dat de voorwaarden voor toepassing van de meerderheidsregel in een geval als het hare versoepeld moeten worden, omdat het haar plaatst voor een onmogelijke bewijsopdracht. De A-G is het daar niet mee eens.
Belanghebbende betoogt naar zijn mening op zichzelf bezien terecht dat rechtbank en hof een te strenge maatstaf hebben aangelegd waar zij oordeelden dat om het bewijs te leveren van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen die begunstigend zijn behandeld, de belanghebbende in ieder geval duidelijkheid verschaffen over wie het betreft, wat de aard van de activiteit is, waar die activiteit is waargenomen en wanneer dat het geval is geweest. Maar dit kan belanghebbende niet baten omdat – kort gezegd – de verwerping van het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel niet steunt op dat oordeel De cassatiemiddelen falen naar de mening van de A-G ook voor het overige. Hij concludeert daarom tot verwerping van het cassatieberoep.
Deze samenvatting ziet ook op de conclusie A-G Koopman 30 januari 2026, nr. 25/01914, ECLI:NL:PHR:2026:127.