Winstuitdeling bij toename rekening-courantschuld dga: formeel-juridische benadering begrip ‘prijsgeven’
Winstuitdeling bij toename rekening-courantschuld dga: formeel-juridische benadering begrip ‘prijsgeven’
Gegevens
- Nummer
- 2026/246
- Publicatiedatum
- 16 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
- Relevante informatie
Belanghebbende is dga van een bv die hem in de jaren 1998–2001 aanzienlijke bedragen heeft geleend voor onder meer de aankoop van woningen en effecten. In 2012 en 2014 nemen de schulden van belanghebbende aan de bv verder toe, terwijl zijn privévermogen ontoereikend is om deze leningen af te lossen. De inspecteur stelt dat deze toename van de rekening-courantschuld een winstuitdeling vormt en legt navorderingsaanslagen IB/PVV op voor 2012 en 2014.
In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd, in het bijzonder of de toename van de rekening-courantschuld als winstuitdeling kwalificeert en of de inspecteur bevoegd was tot navorderen.
Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat voor het aannemen van een winstuitdeling wegens het prijsgeven van een vordering door de bv op haar aandeelhouder, een formeel-juridische benadering moet worden gevolgd. Onzakelijk stilzitten van de bv is onvoldoende. Pas bij formeel prijsgeven, zoals kwijtschelding of liquidatie, is sprake van een onttrekking in de zin van HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26. In deze zaak is niet gebleken van formeel prijsgeven van de hoofdsom van de leningen. Wel acht het hof aannemelijk dat de jaarmutaties in de rekening-courantschuld in 2012 en 2014 oninbaar zijn, omdat belanghebbende onvoldoende terugbetalingscapaciteit heeft en de bij verkoop van een woning vrijgekomen gelden niet heeft aangewend voor aflossing. Voor deze jaarmutaties is daarom sprake van winstuitdelingen, die op grond van art. 2.17 Wet IB 2001 voor de helft aan belanghebbende worden toegerekend. Het hof stelt de winstuitdeling vast op € 45.675 (2012) en € 57.742 (2014).
Ten aanzien van de bevoegdheid tot navordering oordeelt het hof dat voor 2012 sprake is van een kenbare fout die tijdig aan belanghebbende is meegedeeld, zodat navordering is toegestaan. Voor 2014 ontbreekt een nieuw feit, maar het hof acht belanghebbende te kwader trouw omdat hij zich bewust was van de oninbaarheid van de schuld en dit niet in de aangifte heeft verwerkt, zodat navordering ook voor 2014 mogelijk is.
(Hoger beroep gegrond, incidenteel hoger beroep ongegrond.)