Inkomsten uit hennepteelt slechts tot aan aanhouding belast

Inkomsten uit hennepteelt slechts tot aan aanhouding belast

Gegevens

Nummer
2026/247
Publicatiedatum
16 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3631
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende is in 2019 aangehouden na een incident met een vuurwapen. Vervolgens is zijn woning doorzocht, een strafrechtelijk onderzoek gestart en zijn gedurende dat onderzoek drie hennepkwekerijen aangetroffen. In het strafrechtelijk onderzoek wordt hij vrijgesproken van het telen van hennep in de periode na zijn aanhouding, omdat hij toen in voorlopige hechtenis zat. In de ontnemingsprocedure wordt echter vastgesteld dat hij tot aan zijn aanhouding wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit hennepteelt, aanvankelijk vastgesteld op € 327.965,65 door de rechtbank, maar in hoger beroep door het hof verminderd tot € 119.820 vanwege de betrokkenheid van derden en het feit dat hij na zijn aanhouding niet meer betrokken was. Voor de aangifte IB/PVV 2019 heeft de inspecteur het inkomen uit werk en woning gecorrigeerd naar € 327.965. In bezwaar en beroep wordt deze correctie gehandhaafd, met een vergrijpboete en belastingrente. De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond verklaard en het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning in stand gelaten. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2019 willekeurig is vastgesteld en of de inspecteur de beschikking belastingrente en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag heeft gegeven. Het hof oordeelt dat, gelet op de omkering en verzwaring van de bewijslast, de inspecteur zijn schatting van het inkomen voldoende moet onderbouwen en dat deze schatting redelijk moet zijn. Het hof vindt de schatting van de inspecteur niet redelijk, omdat deze ook inkomsten na de aanhouding van belanghebbende toerekent, terwijl aannemelijk is dat belanghebbende toen niet meer bij de hennepkwekerijen betrokken was. Het hof volgt het subsidiaire standpunt van de inspecteur en stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 239.641, overeenkomend met de periode tot de aanhouding. De beschikking belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd. Ten aanzien van de vergrijpboete oordeelt het hof dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet, omdat belanghebbende willens en wetens inkomsten uit hennepteelt niet in zijn aangifte heeft opgenomen. De boete, zoals door de rechtbank verminderd wegens termijnoverschrijding, acht het hof passend en geboden.

(Hoger beroep gegrond.)