Onrechtmatige informatiedeling geen reden voor bewijsuitsluiting
Onrechtmatige informatiedeling geen reden voor bewijsuitsluiting
Gegevens
- Nummer
- 2026/249
- Publicatiedatum
- 16 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende drijft in de jaren 2014 t/m 2016 handel in cocaïne en ontvangt aanzienlijke contante bedragen, die onder meer blijken uit bankafschriften en een ontnemingsrapportage uit een strafrechtelijk onderzoek. De inspecteur legt (navorderings)aanslagen IB/PVV en vergrijpboeten op, waarbij het belastbaar inkomen is gebaseerd op het netto wederrechtelijk verkregen voordeel uit de drugshandel, tijdsevenredig toegerekend aan de jaren. Belanghebbende doet over 2014 en 2016 nihilaangiften en over 2015 aanvankelijk geen aangifte, waarna alsnog een nihilaangifte volgt. In bezwaar en beroep voert belanghebbende onder meer aan dat de ontnemingsrapportage en bankafschriften als bewijs moeten worden uitgesloten wegens onrechtmatige informatiedeling voorafgaand aan het art. 55 AWR-verzoek. In geschil is of de ontnemingsrapportage en bankafschriften als bewijs moeten worden uitgesloten wegens onrechtmatige verkrijging. Voorts rijst de vraag of de aanslagen en boeten terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd en of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat een onrechtmatigheid in het voortraject voorafgaand aan het art. 55 AWR-verzoek, ook als deze aan de inspecteur is toe te rekenen en leidt tot een schending van het recht op privacy, in beginsel niet tot bewijsuitsluiting leidt. Alleen bij schending van een fundamenteel grondrecht, zoals discriminatie, kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn. Aangezien daarvan geen sprake is, blijft de ontnemingsrapportage bruikbaar als bewijs. De bankafschriften zijn niet aan de aanslagen ten grondslag gelegd, zodat uitsluiting daarvan als bewijs niet aan de orde is. Het hof acht de schatting van het inkomen op basis van de ontnemingsrapportage redelijk, mede omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en geen overtuigend tegenbewijs heeft geleverd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat sprake is van gelijke gevallen. De vergrijpboeten acht het hof passend en geboden, omdat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en de inspecteur voldoende rekening heeft gehouden met de omkering van de bewijslast.
(Hoger beroep ongegrond.)