Naheffing dividendbelasting wegens misbruik inhoudingsvrijstelling bij Luxemburgse doorstroomvennootschap
Naheffing dividendbelasting wegens misbruik inhoudingsvrijstelling bij Luxemburgse doorstroomvennootschap
Gegevens
- Nummer
- 2026/312
- Publicatiedatum
- 25 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende is een Luxemburgse vennootschap die na fusies de rechtsopvolger is van een Nederlandse bv. In 2015 en 2017 keert deze Nederlandse bv dividend uit aan een eveneens Luxemburgse groepsvennootschap (D), die kort voor de eerste uitkering is opgericht en de aandelen van een Amerikaanse private equity-partner B LP heeft overgenomen. Vrijwel alle door D ontvangen dividenden worden direct doorbetaald aan B LP, die gevestigd is op de Kaaimaneilanden en niet in aanmerking komt voor de voordelen van de Moeder-dochterrichtlijn. D verricht geen andere activiteiten dan het houden van de aandelen, ontvangen en doorbetalen van dividenden, en wordt na de transacties geliquideerd. Op de dividenduitkeringen is geen dividendbelasting ingehouden, omdat belanghebbende de inhoudingsvrijstelling van art. 4 lid 2 Wet DB heeft toegepast. De inspecteur legt naheffingsaanslagen DB op, stellend dat sprake is van misbruik van Unierecht en/of dividendstripping.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2022:2432, ) dat de inhoudingsvrijstelling ten onrechte is toegepast wegens misbruik van Unierecht. Het tussenschuiven van D is een kunstmatige constructie zonder economische realiteit, gericht op het verkrijgen van een Unierechtelijk voordeel (vrijstelling van dividendbelasting) voor uiteindelijk buiten de EU gevestigde investeerders. De Luxemburgse vennootschap D fungeert als doorstroomvennootschap, zonder eigen economische activiteit, en betaalt nagenoeg alle ontvangen dividenden door aan B LP. Het hof acht zowel het objectieve als subjectieve element van misbruik aanwezig, in lijn met het arrest T-Danmark van het HvJ (ECLI:EU:C:2019:135, ). De toepassing van het Unierechtelijk misbruikbeginsel is niet in strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, ook niet voor uitkeringen vóór het arrest T-Danmark. Daarnaast is de inhoudingsvrijstelling ook op grond van art. 4 lid 4 Wet DB terecht geweigerd, omdat D niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het hof verwerpt het standpunt dat de inspecteur had moeten naheffen bij D of navorderen in de vennootschapsbelasting, en acht de naheffingsaanslagen terecht. Wegens een rekenfout in de belastingrente is het hoger beroep over 2015 gegrond.
(Hoger beroep 2015 gegrond, overige hogere beroepen ongegrond.)