Oud no-cure-no-paykantoor is bijzonder geval wat ‘normale’ proceskostenvergoeding rechtvaardigt
Oud no-cure-no-paykantoor is bijzonder geval wat ‘normale’ proceskostenvergoeding rechtvaardigt
Gegevens
- Nummer
- 2026/316
- Publicatiedatum
- 25 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende is eigenaar van een in 2002 gebouwde villa met een perceel van 4.105 m². De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op € 1.961.000. Belanghebbende een waarde van € 1.527.000,. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep voert belanghebbende aan dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat, indien recht op proceskostenvergoeding bestaat, zijn gemachtigde een ‘bijzonder geval’ vormt als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025(ECLI:NL:HR:2025:46, ).
Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in beroep, waardoor het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de waarde van de woning stelt het hof vast dat in de taxatiematrices van beide partijen te veel waarde aan de opstal en te weinig aan de grond wordt toegekend. Ook wordt in de taxatie van de heffingsambtenaar geen onderscheid gemaakt tussen het souterrain en de bovengrondse woonruimte, terwijl dit wel relevant is. Het hof bepaalt daarom de waarde in goede justitie op € 1.700.000.
Met betrekking tot de proceskostenvergoeding stelt het hof vast dat de gemachtigde van belanghebbende vanaf 1 januari 2024 niet langer op basis van ‘no cure no pay’ werkt. Dit blijkt uit consistente verklaringen, een forse reductie van het personeelsbestand en overgelegde contracten en correspondentie met cliënten. Het hof acht de eigen bijdrage van minimaal € 80 niet symbolisch, mede gezien de beperkte financiële belangen in WOZ-zaken en de terugloop van het aantal cliënten. De heffingsambtenaar slaagt er niet in aannemelijk te maken dat het bedrijfsmodel feitelijk gelijk is aan no cure no pay. Het hof concludeert dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van 17 januari 2025, zodat de beperkingen van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet van toepassing zijn. Een eventuele wanverhouding tussen de eigen bijdrage en de forfaitaire vergoeding vormt geen bijzondere omstandigheid voor matiging op grond van art. 2 lid 3 BPB.
(Hoger beroep gegrond.)