Hof heeft ten onrechte ambtshalve de door de rechtbank toegekende pkv in het nadeel van belanghebbende verlaagd

Hof heeft ten onrechte ambtshalve de door de rechtbank toegekende pkv in het nadeel van belanghebbende verlaagd

Gegevens

Nummer
2026/333
Publicatiedatum
27 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:301
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

In deze BPM-zaak heeft de rechtbank belanghebbende een proceskostenvergoeding voor het beroep toegekend van € 1.082 op basis van twee punten x wegingsfactor 1 x € 541 aan puntwaarde. In hoger beroep klaagde belanghebbende onder verwijzing naar HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, NTFR 2002/2490 met succes erover dat de gehanteerde puntwaarde te laag is. Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:5495) heeft vervolgens de proceskostenvergoeding voor beroep vastgesteld op € 875, uitgaande van 2 punten x wegingsfactor 0,5 x € 875 aan puntwaarde. In cassatie houdt die beslissing geen stand. Nu in hoger beroep alleen de toegepaste puntwaarde van € 541 was bestreden, mocht het hof bij het – met inachtneming van de juiste puntwaarde – opnieuw vaststellen van de proceskostenvergoeding voor beroep, die vergoeding namelijk niet in het nadeel van de belanghebbende wijzigen door ambtshalve de door de rechtbank vastgestelde wegingsfactor van de zaak te verlagen.

De cassatieklacht van belanghebbende dat het hof een kostenvergoeding voor de bezwaarfase had moeten vaststellen faalt, omdat de naheffingsaanslag niet is herroepen. De Hoge Raad bepaalt de proceskostenvergoeding voor beroep op € 1.868 (2 punten x wegingsfactor 1 x € 934). Wat betreft de proceskostenvergoeding voor de cassatiefase houdt de Hoge Raad de zaak aan om belanghebbende de bewijsmogelijkheid te bieden dat hij een ‘bijzonder geval’ is in de zin van HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, NTFR 2025/177.

(volgt aanhouding)