Hoge Raad wijst ‘breed’ arrest over reikwijdte art. 40 Wet WOZ

Hoge Raad wijst ‘breed’ arrest over reikwijdte art. 40 Wet WOZ

Gegevens

Nummer
2026/334
Publicatiedatum
27 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:297
Rubriek
Heffing lokale overheden
Relevante informatie

In deze WOZ-zaak is in geschil of de heffingsambtenaar de in art. 40 Wet WOZ vervatte toezendverplichting heeft geschonden met betrekking tot de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. Hof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord. De Hoge Raad grijpt de zaak aan om een ‘breed’ arrest te wijzen over de reikwijdte van art. 40 Wet WOZ. Daarbij geeft de Hoge Raad, voortbouwend op zijn eerdere rechtspraak (onder meer HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, NTFR 2023/1421) eerst enige algemene overwegingen over de uitleg van art. 40 lid 2 Wet WOZ, toegespitst op de waardevaststelling van woningen. Vervolgens geeft de Hoge Raad concreet aan welke categorieën van gegevens (kunnen) vallen binnen het bereik van art. 40 Wet WOZ. Overigens geldt daarbij in alle gevallen dat slechts een informatieverplichting voor de heffingsambtenaar bestaat indien de desbetreffende gegevens in een stuk zijn vastgelegd, in het concrete geval rechtstreeks zijn gebruikt voor de waardebepaling, en de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek om verstrekking van een afschrift daarvan heeft gedaan. Het gaat om de volgende gegevens:

a) Primaire objectkenmerken zoals het adres, het type woning, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte, de perceeloppervlakte, de inhoud, en de aanwezigheid van bijgebouwen en van een aanbouw en/of uitbouw (zoals een garage, dakkapel, serre, en overkapping).

b) Secundaire objectkenmerken: KOUDVL-factoren

c) KOUDVL-correcties (maar niet de gegevens waarop een dergelijke correctiefactor is gebaseerd)

d) Onderdelen van een woning

e) Modelwaardes (maar niet de bronnen van de modelwaardes)

f) Grondstaffels (maar niet de gegevens waarop de grondstaffel is gebaseerd)

g) Aandeel in de reserve van een VvE

h) Erfpachtcorrectie

i) Indexeringsfactoren (maar niet de gegevens waarop de gebruikte indexeringsfactor is gebaseerd)

j) Transactiedata

De stelplicht en bewijslast inzake de schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ rusten op de belanghebbende. Indien hij daar in redelijkheid niet toe in staat is doordat de daartoe benodigde gegevens zich bevinden in het domein van de heffingsambtenaar en de belanghebbende daartoe geen toegang heeft en evenmin aangeboden heeft gekregen, dan ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat hij die belanghebbende aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van zijn stelling en eventuele bewijslevering.

Wat betreft de onderhavige zaak concludeert de Hoge Raad dat art. 40 Wet WOZ niet is geschonden. De door het hof toegepaste matiging van de proceskosten kan op grond van art. 2 lid 2 BPB door de beugel. Dat geldt echter niet voor de matiging van de VIS tot € 50 per half jaar. In zoverre is het cassatieberoep gegrond.

Wat betreft de proceskostenvergoeding voor de cassatiefase houdt de Hoge Raad de zaak aan om belanghebbende de bewijsmogelijkheid te bieden dat hij een bijzonder geval is in de zin van HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, NTFR 2025 177.

(volgt aanhouding)