Volgens HvJ had België art. 8 lid 7 ATAD om moeten zetten in nationaal recht
Volgens HvJ had België art. 8 lid 7 ATAD om moeten zetten in nationaal recht
Gegevens
- Nummer
- 2026/350
- Publicatiedatum
- 4 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
De anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD) staat een lidstaat waar een moedermaatschappij van een multinational is gevestigd toe om de winst van een gecontroleerde buitenlandse vennootschap in een andere lidstaat te belasten. Art. 8 lid 7 ATAD beperkt dit rechtsgevolg echter. Zo zou de (lagere) belasting die de dochteronderneming in het buitenland heeft betaald, in mindering kunnen worden gebracht op de (hogere) binnenlandse belastingschuld van de moedermaatschappij. België heeft een dergelijke aftrek echter niet willen toestaan in het belang van een betere bescherming van zijn belastinggrondslag en heeft aangevoerd dat met de ATAD slechts een minimale harmonisatie werd beoogd. De Commissie beschouwde dit als een niet-nakoming en is een nakomings-procedure begonnen. A-G Kokott heeft een conclusie genomen (). Anders dan de A-G meent het HvJ dat België zijn verplichtingen uit hoofde van ATAD niet is nagekomen. België heeft namelijk niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgesteld die nodig zijn om te voldoen aan art. 8 lid 7 ATAD. Het Hof wijst daarbij op het dwingende karakter van de tekst van art. 8 lid 7. Volgens het Hof verwijst art. 8 lid 7 weliswaar naar het nationale recht voor de berekening van de belastingaftrek, maar dit betekent niet dat het de lidstaten vrijstaat die bepaling niet in hun respectieve rechtsorde om te zetten. Integendeel, het feit dat het nationale recht moet bepalen hoe deze belastingaftrek dient te worden berekend, impliceert noodzakelijkerwijs dat de belastingplichtige op grond van dat nationale recht aanspraak moet kunnen maken op een dergelijke aftrek. In dit verband meent het Hof dat een minimumharmonisatie de lidstaten weliswaar niet belet strengere maatregelen te handhaven of vast te stellen, maar dat deze maatregelen niet van dien aard mogen zijn dat zij het door de betrokken richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar brengen. De lidstaat die een belastingplichtige aan de vennootschapsbelasting onderwerpt, voldoet slechts aan art. 8 lid 7 ATAD als hij deze belastingplichtige in alle in art. 7 ATAD bedoelde gevallen toestaat de door ‘gecontroleerde buitenlandse vennootschappen’ betaalde belasting af te trekken van de belasting die hij in deze lidstaat verschuldigd is.