Geen correctie managementvergoedingen die achteraf verlaagd zijn wegens vergeten stamrechtuitkeringen
Geen correctie managementvergoedingen die achteraf verlaagd zijn wegens vergeten stamrechtuitkeringen
Gegevens
- Nummer
- 2026/372
- Publicatiedatum
- 9 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van een holding bv en een pensioen bv, waarin hij in 1997 een stamrecht heeft ondergebracht. In 2018 en 2019 verricht hij werkzaamheden voor de holding bv en ontvangt daarvoor managementvergoedingen, die hij in zijn aangiften inkomstenbelasting heeft opgenomen. De aanslagen zijn conform deze aangiften opgelegd. In 2021 wordt vastgesteld dat de stamrechtuitkeringen uit de pensioen bv uiterlijk in 2017 hadden moeten ingaan, waarna in overleg met de inspecteur wordt besloten deze alsnog vanaf 2018 in de belastingheffing te betrekken. Belanghebbende stelt vervolgens dat de managementvergoedingen over 2018 en 2019 met het bedrag van de stamrechtuitkeringen moeten worden verminderd, omdat anders sprake zou zijn van dubbele belastingheffing en fictieve inkomsten.
In geschil is of de in de belastbare inkomens uit werk en woning begrepen managementvergoedingen van de holding bv alsnog moeten worden verminderd met de in aanmerking genomen stamrechtuitkeringen van de pensioen bv. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de managementvergoedingen terecht en tot de juiste bedragen als loon in aanmerking zijn genomen. Het hof overweegt dat belanghebbende in de betreffende jaren arbeid voor de holding bv heeft verricht en de managementvergoedingen daadwerkelijk heeft genoten, waarop loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. De managementvergoedingen en de stamrechtuitkeringen zijn afkomstig van verschillende vennootschappen en hebben een verschillende juridische grondslag, zodat deze niet met elkaar kunnen worden verrekend. Het achteraf verlagen van de managementvergoedingen leidt tot negatief loon in het jaar van terugbetaling, maar doet niet af aan het genietingsmoment in de onderhavige jaren. Het hof wijst erop dat geen sprake is van een fout in de aangiften, maar van een gewijzigd standpunt van belanghebbende. Dat de stamrechtuitkeringen mogelijk niet kunnen worden uitbetaald wegens onvoldoende dekking, is voor de fiscale behandeling van de managementvergoedingen niet relevant. De navorderingsaanslagen zijn daarom terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.
(Hoger beroep ongegrond.)