Recht op teruggaaf omzetbelasting wegens oninbare vordering onvoldoende onderbouwd
Recht op teruggaaf omzetbelasting wegens oninbare vordering onvoldoende onderbouwd
Gegevens
- Nummer
- 2026/424
- Publicatiedatum
- 18 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Omzetbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft over het vierde kwartaal van 2023 aangifte OB gedaan, waarbij hij € 1 aan verschuldigde omzetbelasting en € 20.000 aan aftrek van voorbelasting heeft opgegeven. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat aan de voorwaarden voor aftrek van voorbelasting is voldaan. Belanghebbende stelt dat de teruggaaf verband houdt met een oninbare vordering van € 91.482 uit een factuur van meer dan 30 jaar geleden. Belanghebbende voert aan dat de vordering door verjaring niet meer geïnd kan worden en dat hij daarom recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur betwist het bestaan van de factuur en dat hierover ooit omzetbelasting is afgedragen.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting wegens oninbaarheid van de vordering. De rechtbank overweegt dat voor een teruggaaf aannemelijk moet zijn dat in het verleden omzetbelasting is voldaan en dat sprake is van niet-betaling van de vergoeding. De bewijslast ligt bij belanghebbende. Omdat belanghebbende geen bewijs heeft overgelegd dat daadwerkelijk omzetbelasting is voldaan over de betreffende factuur, acht de rechtbank niet aannemelijk dat aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan. De inspecteur heeft het verzoek reeds daarom terecht afgewezen. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel oordeelt de rechtbank dat uit de overgelegde correspondentie niet volgt dat de inspecteur toezeggingen heeft gedaan over teruggaaf van omzetbelasting bij oninbaarheid van de vordering. De gemaakte afspraken zien uitsluitend op de inkomstenbelasting en niet op omzetbelasting. Ook uit andere correspondentie blijkt niet van rechtens te beschermen vertrouwen.
(Beroep ongegrond).