Geen aftrek kwijtgescholden Tante Agaath-lening wegens ontbreken bewijs oninbaarheid
Geen aftrek kwijtgescholden Tante Agaath-lening wegens ontbreken bewijs oninbaarheid
Gegevens
- Nummer
- 2026/405
- Publicatiedatum
- 16 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomstenbelasting diversen
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft een Tante Agaath-lening verstrekt van € 50.000 aan zijn zoon, die een onderneming in optische artikelen is gestart. De lening is destijds als directe belegging in durfkapitaal geregistreerd. In 2016 heeft belanghebbende een deel van de lening afgewaardeerd en in de aangifte IB/PVV 2016 een negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen opgevoerd, maar de inspecteur heeft dit gecorrigeerd. Belanghebbende heeft vervolgens verzocht om een beschikking dat het kwijtgescholden deel van de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is, zoals bedoeld in art. 6.8 lid 3 Wet IB 2001. De inspecteur heeft dit bedrag op nihil vastgesteld, waarna belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. In geschil is of de inspecteur terecht het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is op nihil heeft vastgesteld, en of hij het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank overweegt allereerst dat de inspecteur bevoegd was om uitspraak op bezwaar te doen, ook al liep er al een procedure tegen de aanslag 2016. De procedure over de beschikking staat los van de procedure over de aanslag IB/PVV 2016 en het opvragen van informatie in de bezwaarfase is geoorloofd. De bewijslast dat de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar was, ligt bij belanghebbende, omdat hij om een gunstige fiscale regeling verzoekt. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende wel de slechte financiële situatie van de onderneming van zijn zoon heeft aangetoond, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur tot het oordeel zou komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen zouden leiden. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ook privé geen verhaalsmogelijkheden waren. De rechtbank passeert het bewijsaanbod, omdat belanghebbende niet heeft toegelicht waarom hij de stukken niet eerder heeft overgelegd en omdat het aangeboden bewijs niet kan bijdragen aan de beslissing. Voorts oordeelt de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden, nu het volgen van de aangifte van de zoon niet voldoende is voor in rechte te honoreren vertrouwen zonder bijkomende omstandigheden. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden, omdat de inspecteur voldoende gelegenheid heeft geboden om stukken te overleggen en niet gehouden was om ambtshalve alle bij de belastingdienst bekende informatie te raadplegen.
(Beroep ongegrond.)