Werkzaamheden rond bestemmingswijziging en splitsing onroerende zaak leiden tot belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Werkzaamheden rond bestemmingswijziging en splitsing onroerende zaak leiden tot belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Gegevens

Nummer
2026/415
Publicatiedatum
17 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:210
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende is in 2017 en 2018 betrokken bij de aankoop van een agrarisch perceel met boerderij, dat hij na bestemmingswijziging en splitsing (in twee percelen) deels verkoopt en deels aanhoudt voor eigen gebruik. Voorafgaand aan de aankoop wint hij informatie in bij de gemeente over de mogelijkheid tot bestemmingswijziging en schakelt hij een planbureau in om de wijziging en splitsing te realiseren. Na het verkrijgen van de dubbele woonbestemming wordt perceel 2 te koop gezet, maar uiteindelijk verkoopt belanghebbende perceel 1 en houdt perceel 2 aan. De inspecteur rekent het voordeel uit de waardestijging van perceel 2 toe aan resultaat uit overige werkzaamheden en legt een navorderingsaanslag op. Belanghebbende betwist dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende met het indienen van het verzoek tot bestemmingswijziging, het inschakelen van deskundigen en het coördineren van het traject arbeid heeft verricht die het normale vermogensbeheer overschrijdt. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende bij de aankoop van de onroerende zaak het oogmerk had om voordeel te behalen door (een deel van) het perceel na bestemmingswijziging te verkopen, mede gelet op zijn financiële positie en verklaringen in de procedure. Het voordeel was objectief gezien ook redelijkerwijs te verwachten, aangezien de bestemmingswijziging en splitsing tot een aanzienlijke waardestijging leiden en de risico’s door de ontbindende voorwaarde in het koopcontract grotendeels zijn afgedekt. De door belanghebbende uitbestede werkzaamheden worden aan hem toegerekend, omdat hij opdrachtgever en coördinator was. Het genietingsmoment ligt op het moment dat belanghebbende besluit perceel 2 niet te verkopen maar aan te houden, zodat fiscaal moet worden afgerekend over de waardestijging tot dat moment. De waarde van perceel 2 wordt terecht vastgesteld op € 390.000, waarbij de lagere WOZ-waarde niet doorslaggevend is. Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat bij zijn ex-vriendin geen resultaat uit overige werkzaamheden is belast. Dit beroep faalt, omdat niet aannemelijk is dat de ex-vriendin vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht.

(Hoger beroep ongegrond.)